|
||||
![]() |
Toneel |
![]() |
||
![]() |
De Arabier van Amsterdam, DNA 2007 DE ARABIER VAN
AMSTERDAM Bewerking Justus van Oel, voor De Nieuw Amsterdam,
met dramaturgische- en inhoudelijke bijdragen van Caspar Nieuwenhuis. Bronnen:
Komrij's vertaling van de ' De Koopman van Venetië', 'De stad, het
vuil en de dood', W.R. Fassbinder, essay van Robert Fisk, 'De Jood van
Malta', Marlowe, 'Shylock, woekeraar', M. van Amerongen. Regie: Aram
Adriaanse, met: Sabri Saad el Hamus, Hein van der Heijden, Raymi Sambo,
Peggy-Jane de Schepper, Mirjam Stolwijk De Deense schrijfster Karen Blixen
( Out of Africa) in gesprek met haar Somalische bediende Farah: "Wat!",
zei hij. "Stond die jood niet op zijn recht?" "Wat kon hij anders doen?", vroeg
ik. "Dat pond vlees mocht hij hebben, onder voorwaarde dat daarbij geen druppel
bloed zou vloeien". "Memsahib,", zei Farah, " Hij had een mes moeten hanteren
dat in het vuur was verhit. Dan was de operatie bloedeloos verlopen" ( geciteerd
door Martin van Amerongen, in 'Shylock,
woekeraar') Shakespeare, de ogenschijnlijke
antisemiet, had geen verstand van joden. Hij kende de soort slechts bij
overlevering, als ingezetene van een natie die de joden reeds in 1290 had
verdreven ( Martin van Amerongen, in 'Shylock,
woekeraar')
PROLOOG RAFI IN DUET MET SHAKESPEARE:
Venetie, handelsstad. Een paar eeuwen geleden.
Shylock, een door Shakespeare verzonnen jood,
leent veel geld aan koopman Antonio.
Deze Antonio wil als slim en integer
christen geen cent aan rente betalen, okay,
zegt Shylock, best, maar dan wil ík als borg en
boete een vers pond vlees, dat ik uit jouw lijf mag
snijden, indien ik mijn geld van jou niet tijdig terug
ontvang. Enfin, Antonio kan niet betalen, Shylock eist zijn
vlees, want een contract is een contract. Dan wordt
Shylock aangepakt, door Shakespeare feitelijk, met dubieuze
juridische trucs. Precies een pond moet Shylock snijden, precies!,
niet meer, maar ook geen milligram minder.
Hoezo? Shylock mag toch korting geven, mínder
nemen? Idioot. Er heeft nooit één Venetiaan bestaan die
geen korting wilde krijgen. En dan dat bloed! Shylock mag wel
snijden, Antonio heeft getekend bij zijn volle verstand,
maar het contract spreekt niet van bloed.
Dus, zegt sluwe rechter Shakespeare, bij
bloedverlies verliest Shylock alles wat hij heeft. Shylock
geeft op, en gaat failliet. Een jóód was Shylock,
Shakespeare maakt hem ook tot idioot. Hoezo bloedverlies? Een gloeiend mes
maakt schone wonden, met het snijden schroeit de hitte alle aders
dicht, er vloeit geen druppel bloed, dat Shylock daar
destijds toch niet is opgekomen, Shakespeare misgunt zijn
Joodse zondebok ook elke vorm van intellect.
Als een dom blind schaap loopt
Shylock in de val. Hij moet helemaal kapot. Waarom? Ik vroeg mij dat al af, in Bagdad, in de jaren
tachtig, ik studeerde Engels, in het Irak van de jonge
Saddam. Wij waren daar gebleven, mijn vader wilde
dat, hoewel wij joden waren. Ik ben een Joodse
arabier, Arabische Jood. Gewoon niet over praten,
stilletjes bestaan, niet slaan of schreeuwen als je werd getreiterd of
beledigd, incasseren. En dat deden we ook op ander gebied,
it's a deal, onze trots in ruil voor jouw
contanten. Mijn professor Engels in Irak was een man van het
regime, hij had mij herkend als Jood, op Shylock moest ik
afstuderen, als ik de eindstreep al mocht halen dan met
maximale pijn, door het stof, excuses maken namens een verzonnen
Jood, mijzelf bespugen, en mijn volk, voor grijnzende
studenten. RAFI: Rafi is de naam, shoarmahandelaar te Amsterdam,
en ieder die het wil kan mij leren kennen.
Aangenaam. SCENE 1 ( IS BIJ HET SPELEN VERKNIPT EN IN BROKKEN TERECHT
GEKOMEN IN HET GEHEEL, GA VOOR HET OVERZICHT VERDER MET SCENE 2)
PORTIA: PORTIA ZIET RAFI DIE EEN STUK VLEES VAN ONGEVEER
EEN POND BAKT. PORTIA: Wat bak je? RAFI: en bij Allah, Jahweh of God mag weten wie,
ik had gezworen te nemen wat er staat in mijn
contract. PORTIA: Wat bak je? RAFI: PORTIA: Varkensvlees? RAFI: Ik noem het varkensvlees en zal het voeren
aan het arrogante varken waaruit ik
het, volgens alle afspraken en regels,
vakbekwaam gesneden heb, geen
druppel bloed is er gevloeid, wat tranen hier en daar,
meer niet. PORTIA BESEFT DAT RAFI MENSENVLEES
BAKT. PORTIA: Ben je nu tevreden, idioot? Heb je wat je wilt? En
hoe voelt dat? Goed? PORTIA TROOST ANTONIO, DIE VOOR ZICH UITSTAART IN
VERBIJSTERING. RAFI: wij waren daar gebleven, mijn vader wilde
dat, en dat wij joden waren, of eigenlijk,
geweest, we wilden het liever niet weten, dat
werd ons stilzwijgend vergund, kwestie van
relaties, en niet slaan of schreeuwen als je werd bespuugd
of of klappen kreeg, incasseren, en dat deden we ook op ander gebied,
it's a deal, mijn trots in ruil voor jouw
contanten, wij waren goed genoeg voor Saddam en zijn
barbaren, zolang wij zwegen en met zaken zakken
vulden, in dat Bagdad ontmoette ik Shylock, Venetiaanse
Jood die door William Shakespeare,vertegenwoordiger van het
beschaafde Westen, aan stukken wordt gescheurd, met elke zin aan hem
gewijd wordt Shylock verder afgeschreven,
en naar het lijkt met veel
genoegen, mijn professor in Irak was een man van het regime,
hij had mij herkend als Jood, op Shylock moest ik
afstuderen, als ik de eindstreep al mocht halen dan met
maximale pijn, door het stof, excuses maken namens een verzonnen
Jood, mijzelf bespugen, en mijn volk, voor grijnzende
studenten. Antonio, hij tekende: geen geld, dan een pond
vlees. Ik ben niet Shakepeare's Shylock, sorry, Rafi is
de naam, dat is hoe ik me voel, tevreden niet, maar het
voldoet. PORTIA: Ik wilde voor Antonio
betalen, de complete schuld, ter plekke
afgelost, met riante rente, het dubbele desnoods. wat ik ook wilde, jij hebt
geweigerd, was de straf voor mij bedoeld?
RAFI: PORTIA: Jij kijkt me op een dag iets te doordringend aan,
je pakt mijn heupen vast, met prinselijke blik keur jij mijn lijf, moet ik dan
uit respekt me voor jouw voeten werpen, naakt en hijgend, nee, dat heb ik niet
gedaan. Is mijn straf daarvoor dat ik Antonio niet redden mocht?
RAFI: (citeert zijn eerdere
versierpoging:) "Laat mijn huidskleur u niet doen
schrikken, het is het omberen insigne van de
zon die mij gewiegd heeft in haar lichte
gloed". PORTIA: Altijd die gekrenkte trots, dat denken voor een
ander. Ik let niet op kleur, besmeur mij niet met je
eigen vooroordeel. RAFI: waar Phoebus vuur de pegels maar half
smelt, (Phoebus, zo noemt William de
zon) dan halen wij, om u, ons lichaam
open..." PORTIA: Jij bent ziek, totaal ziek....
RAFI: zodat u ziet wiens bloed het roodste is.
Geloof me, dame, heel wat helden
hebben gesidderd voor dit aangezicht - ik zweer
u: geen jonge vrouw van aanzien in mijn
rijk zou het versmaden.." PORTIA: Een wolf ben jij, een nietsontziende menseneter.
RAFI: Haat is menselijk, precies zo menselijk als
liefde. JESSICA KOMT OP RAFI: Mijn dochter, stiekem aan de haal gegaan
met een wanbetaler, een hypocriete
dief, je mag hem hebben, schat, hij heeft betaald.
JESSICA: Hij is geweldig, pa, hij liet dit
toe omdat hij werkelijk rechtschapen
is, zijn pijn zou nu de jouwe moeten zijn,
hij toonde mij de ware aard van een verraderlijke vader, door haat
verrot, die liefde kent noch waardigheid, alleen zijn
trots, zo zachtaardig is Antonio voor mij
dat ik de hemel hier op aarde al
beleef, smeek hem om genade, verleent hij
het, zal ik u wellicht nog "vader" noemen,
ooit. RAFI: Een contract is een contract, het vonnis is
voltrokken, en ik weet: jij zult jouw vader niet vergeten,
nooit, genoemd of ongenoemd, ik zal in jou bestaan.
BASSIANO: Vervloekt jij, misselijke hond, wie
spreekt van recht, zolang jouw soort nog leeft? Door jou
ga ik nog twijfelen aan mijn
verstand, om met de Hindoes te beweren dat
de ziel van beesten na hun dood
verhuist naar mensenlichamen, jouw hondse
geest bewoonde eens een wolf, voor mensenmoord
gehangen; rechtstreeks van de galg vloog toen
zijn snode ziel, naar jou: terwijl jij
nog in de buik zat van je goddeloze
moer, werd jij een wolvenzoon - met een genadeloze
neus voor bloed van zwakkeren, onmens,
monster! RAFI: wie zijn leed aanvaard verspreid daarmee
beschaving. Toch? Toch? Dat is toch waar, niet waar?
Ik heb u bespaard dat u mij onrecht
deed, door mij als dader te ontpoppen, een
offer mijnerzijds, koester uw wonden,
bewijs van uw onschuld, u zit
goed, ik heb afgemaakt wat eeuwen eerder is
begonnen, vergeef het me, maar iemand moest het doen.
SHAKESPEARE ( dubbel
PORTIA): Contract is een contract, hij wilde niets
horen, hij eiste wat in het contract stond,
contract contract contract contract. Laat maar
gaan, ik loop hem niet meer na, ik smeekte
tevergeefs, hij heeft zijn vlees. Eeuwen ellende
over uw hoofden uitgestort, al het oude
vuil, het is uit de hand gelopen, deze rancuneuze
hond had beet, ik kon het bot niet uit zijn kaken
rukken, wij leven in tijden, blijkbaar, waar geen genade
meer geldt. Voel u niet schuldig, mij moest hij hebben,
mij. Hij waant zich winnaar nu, maar staat met lege
handen, onsterfelijk was Shylock, maar uitsluitend als
verliezer, nu staat hij buiten het bestaan, maar vindt ook
daar geen vrede. EEN LACH VAN RAFI: HIJ GELOOFT ER NIETS
VAN
SCENE 2, FLASHBACK, TERUG NAAR HET
BEGIN RAFI, ANTONIO,
BASSIANO ANTONIO DOET ZIJN VERBAND AF, STAAT OP UIT ZIJN
ROLSTOEL, DIOET EEN BROEK AAN, IS WEER
'HEEL'. BASSIANO: (tot
Antonio) Het is gemakkelijk verdiend, maar is het kosher?
ANTONIO: Hasj is in orde, toch, in coffeeshops
is het te koop, dan moet het hier ook kunnen
kómen. Drie transporten zijn op zee, je koopt je in,
en komt het aan, dan krijg je dubbel
uitgekeerd. RAFI: Salam. Is mijn dochter hier? BASSIANO: Nee, buurman... ANTONIO: RAFI: ANTONIO: RAFI: Ik heb dit blok gekocht. Over een jaar verlopen
alle huurcontracten. Er zal dan een aanpassing plaatsvinden van de huur. Dat u
het weet, heren. ANTONIO: RAFI: BASSIANO: RAFI: Maar niet meer nu ik ze zelf ga incasseren.
Dat zult u als collega-ondernemers toch begrijpen.
ANTONIO: De duivel zelf beroept zich op de
schrift, och wat kan een gemene ziel mooi klinken.
RAFI: Buurman Antonio, hoe menigmaal
hebt u mij waar ik zelf bij was
gehoond, gelachen om mijn lange uren boven de
frituur, ik haalde daar mijn schouders over
op en duldde het, omdat ik op mijn zaken
let, dus mijn dochter is niet hier?
ANTONIO: RAFI WERPT ANTONIO EEN ONDERZOEKENDE BLIK TOE.
BASSIANO: Rafi, vriend, waar komt dat geld vandaan, waarmee
je toch nog onverwacht van fallaffel naar het
vastgoed bent geklommen? RAFI: Ik heb straks drie solide huurders, en voor de
juiste prijs, maakt u zich vooral geen zorgen, niet over mij,
althans. RAFI AF (Uit: Fassbinder, Het vuil, de
stad en de dood) SCENE 3 BASSIANO EN ANTONIO BASSANIO Klopt het dat hij een lul heeft zo lang en zo dik
als een fles? ANTONIO (lachend) Daar zou ik je geen definitief uitsluitsel over
kunnen geven. Ik heb hem maar één keer gezien, toen hij stond te pissen.
Want…ook arabieren moeten pissen. En wat ik toen zag was niet zo erg
indrukwekkend, denk ik. BASSANIO Denk ik. ANTONIO Maar…het is bekend dat er met lullen wonderen
gebeuren. (Einde citaat
Fassbinder) BASSIANO: (tot Antonio) Zoveel wordt er niet verdiend in de oosterse
frituur, of met kamertjes tot aan de nok gevuld met verse
illegalen, of met partijtjes namaak-Nikes voor op de markt.
Bluf. ANTONIO: BASSIANO: ANTONIO: Wij zijn het leven, het geld van deze straat,
wij! wurgt hij ons en onze zaken, dan hangt de man ook
zelf, gelul, hij kan niet zonder ons, ik ga voor
huurverláging. BASSIANO IS VOOR NU
GERUSTGESTELD. ANTONIO: Anyway, drie transporten dus op zee, op dit
moment. Wordt het onderschept, dan heb je pech,
maar met drie paarden in de race maak ik me geen
zorgen. In drie containers komt straks mijn pensioen aan
land.
BASSIANO: daar met statig zeil als rijke burgers van de
oceaan en kijken trots paraderend neer op de bescheiden
koopmansschuitjes die beleefd en onderdanig knikken als ze
voorbijzwieren op hun geweven vleugels.
ANTONIO: BASSIANO: Geloof me, ik had met zo'n expeditie op zee,
behalve hoop, ook al mijn mooie gedachten meegestuurd. De hele
dag had ik, om maar te weten waar de wind zat, gras zitten
plukken, snuffelend in kaarten naar havens, pieren,
ankerplaatsen, alles wat er slecht uitzag voor mijn expeditie
had me subiet met somberheid vervuld, ik blies
niet eens meer in mijn soep, zo bang was ik voor wind geworden. Voor hoeveel
zit je erin? ANTONIO: Vijftigduizend.. wat kijk je
somber.
SCENE 4 BASSIANO EN PORTIA BASSIANO: Zal ik je met een zomerdag
vergelijken? Veel zachter en veel zonniger ben jij.. eh..
PORTIA KIJKT BASSIANO AAN, DIE KAN NIET VERDER,
DE ENGELSE VERSIE WEET BASSIANO NOG WEL, DENKT
HIJ BASSIANO: Shall I compare thee to a summer's day? BASSIANO GEEFT HET OP, GAAT VERDER MET ZIJN EIGEN
WOORDEN. BASSIANO: De schoonheid, wordt die niet per ons
verkocht? En maakt die haar die er het meest van
draagt niet- een mirakel der natuur, het lichtst?
PORTIA: ..more temperate! BASSIANO KIJKT VRAGEND. PORTIA: Thou art more lovely and more temperate....
AHA! BASSIANO KAN VERDER, DENKT
HIJ. BASSIANO: Thou art more lovely and
more temperate. Rough winds do shake the darling buds of May PORTIA: (korte metten De sier is het verraderlijke
strand van een gemene zee, de blanke sluier
over een negerin, om kort te
gaan, de schijnwaarheid waarin een sluwe
tijd zelfs de verstandigsten weet te
verstrikken. BASSIANO: (gaat dan maar mee met
Portia) Ja, wat het oog ziet is
bedriegelijk, wat laat de wereld zich door schijn
misleiden. Rough winds do shake the darling buds of May PORTIA AF
SCENE 5 ANTONIO EN BASSIANO BASSIANO: t Is je niet onbekend, Antonio, hoe ik mijn
middelen heb uitgeput door in een grootsere stijl te leven
dan mijn bescheiden kapitaal mij toestond.
ANTONIO: Je bent vooral te gul geweest voor je ex,
daarop ben je leeggelopen. Zo luxe leef jij niet.
BASSIANO: ik hunker naar een verse start, éven zonder
zorgen. ANTONIO: Met een dame mij bekend. Portia,
nietwaar? BASSIANO:
SCENE 6 PORTIA EN BASSIANO BASSANIO: (mompelend,
repeteert) Te snel weer moet de tijd van zomer
wijken; De wind striemt soms de bloesems al in
mei. Het hemeloog kan soms verblindend
zijn, En dikwijls is zijn schijn van korte
duur..
BASSIANO ZIET PORTIA BASSIANO: ( tot
Portia) Dus!: te snel weer moet de tijd van zomer
wijken.. PORTIA (tot
Bassiano): Ah, tienmaal sneller vliegen Venus'
duiven om nieuwe liefdesbanden aan te
knopen dan ze een al gemaakte knoop
hernieuwen. Zo gaat dat. Wie staat ooit van tafel
op en is zo gulzig als toen hij ging
zitten? Waar is het paard dat met hetzelfde
vuur dezelfde motoriek een weg
terugdraaft die hij al eens een keer heeft afgelegd?
Het jagen prikkelt meer dan het bezit.
BASSIANO In de liefde zie ik zielsverwanten
die gezamenlijk optrekken, alles
delen, wier ziel één juk van ware liefde
torst, samen in volmaakte harmonie van
geest. PORTIA: Zijn dat de dure lessen die je ex je heeft
geleerd? BASSIANO: Het begon met passie, kloppend
bloed Zo zeilt de boot de thuisbaai uit, de
wimpel in top, en hij keert weer, de spanten
aangevreten het zeil aan flarden, naakt, één
ribbenkast, hem plukte en plunderde de wind, die
hoer! PORTIA: Zwijgen past je: een man die alles
waagt doet dat alleen omdat hij winst
verwacht een gouden geest doet voor aards slijk geen
knieval. Zij was de moeite waard. BASSIANO: zij liet me roekoekoeën tot het
zweet me uitbrak, liefdeseden zweren tot
het stof van mijn verhemelte omlaag
viel, na alle pijn die ene troost: dat ik ware
schoonheid herken. PORTIA: (ironisch) Shall I compare thee to a summer's day?
SCENE 7 ANTONIO EN BASSIANO ANTONIO: ( tot
Bassiano) Jawel, met collega Portia, geef toe.
BASSIANO: ANTONIO: In stad en land weerklinkt haar naam, want elke
wind voert, van de verste kusten vermaarde minnaars
aan. De prins, de advocaat, de kunstenaar, 's nachts
staren ze naar het plafond, en zien haar beeltenis, "Oh
Portia", haar zonnig haar golft om haar slapen als een
gulden vlies. en ze is verdomd succesvol. Loaded, en lekker
bovendien. BASSIANO: een stapel blauwe brieven weg zien werken,
als ik niet vlot betaal dan volgt er een
beslag, ik wil niet voor haar staan als man met gaten in
zijn handen, gekruisigd door zijn ex en de
belastingdienst, mijn zorgen zijn mij aan te zien, een vrouw
voelt zoiets aan, mij remt het ook, ik vindt geen goede
woorden, ik heb mijn mooie prooi in het vizier, maar als ik
schieten wil, dan denk ik: ik verdien haar niet, niet zo,
eerst weer bodem in mijn financieel bestaan,
ik ben mij mijzelf nu niet, ik hoopte dat jij
helpen kon, helaas. ANTONIO: die heeft zat en wil het laten blijken. Leen het
geld, van hem. BASSIANO: Dan zit ik dubbel aan hem vast. Buurman,
huisbaas én mijn huisbankier. Hoe vecht ik tegen
huurverhoging, als hij in mijn zakken kijken kan, door hemzelf
zojuist gevuld? ANTONIO: Ja, jij zit dan dubbel aan hem vast, maar hij dus
ook aan jou. Als hij de huur verhoogt, ga jij
failliet, kan hij zijn lening ook gerust vergeten, dan
snijdt hij in zijn eigen vlees!, Maak jouw probleem het zijne, samen blijf je
drijven, of samen zink je naar de bodem. Maar wie wil dat?
BASSIANO: ( gelooft er niets van)
En dát vertel ik hem, en hij geeft mij mijn
vijftig mille, onze sociaal vaardige en sympathieke arabier? ANTONIO: vriend, alleen al door het delen van jouw
zorgen voel ik me rijk, het geld is bijzaak, zie het
zó, ik zal hem met plezier bespelen, die boze kleine
man met blijkbaar teveel geld, en wat wil hij daarmee
kopen? Aanzien, status, macht. Beschouw je
niet als schuldenaar, maar als betaalde onderdaan,
aangeschaft voor vijftig mille, door de sultan van de straat.
BASSIANO: ANTONIO: Dit was onze straat. Toen arriveerde Rafi, een
Irakese Arabier, hij startte een shoarmatent,
wat op zijn zachtst gezegd niet strookt met het
karakter van de buurt, falaffel en frituur trekt niet klanten aan met
diepe interesse in serieuze zaken. Eerst eens graven naar zijn
geld, als er meer vuil is zal dat volgen. En Rafi ligt
eruit. (Uit: Fassbinder, Het vuil, de
stad en de dood) BASSANIO: Vlooien! Allemaal kleine zwarte vlooien. De stad
zucht onder de vlooien. Zij kreunt en siddert. De vlooien worden tot een plaag.
Net zolang tot plaag tot de stad van de vlooien heeft leren genieten.
( einde citaat)
SCENE 8 JESSICA EN PORTIA PORTIA: Geloof me, Jessica, aan mannen geen
gebrek, meer dan genoeg, nog eerder: veel te
veel. JESSICA: zijn al net zo ongelukkig als zij die omkomen door
gebrek. Nee, je treft het niet als je door een van de twee
wordt getroffen: de overdaad krijgt eerder grijze haren, maar
kalmpjes-aan leeft langer. PORTIA: maar een verhit gemoed springt over de kille regel
heen. Zo'n haas is de dolle jeugd die over de netten
heenwipt van de goede raad, die kreupele baas.
JESSICA: Maar wat was er mis met bijvoorbeeld de
Prins, die bijnaam is van mij, die wat dikke blonde man?
PORTIA: Het spaarvarken, mijn bijnaam, hij sprak over
niets anders dan zijn geld, en achtte het een groot pluspunt is zijn toch al
niet geringe arsenaal van talenten dat hij het zelf beleggen kon.
JESSICA: Ik ben een beetje bang dat mevrouw zijn moeder
in zijn jonge jaren te zuinig met het zakgeld was.
Dan hebben we de hoogbegaafde advocaat, of heeft
die afgehaakt? PORTIA: Die kijkt aan één stuk door zuur, alsof hij zeggen
wil: als je me niet wilt hebben, je weet niet wat je
mist.. hij hoort zonder een spier te vertrekken de
dolzinnigste verhalen aan. Als hij oud wordt, dan wordt hij nog eens de
Wenende Filosoof, ben ik bang, als hij nu al, in zijn jeugd, zó'n
bord heeft voor zijn kop. JESSICA: PORTIA: Dat spreekt voor zichzelf, jawel, vul rustig in,
ik luister. JESSICA: Ik vel geen oordeel in de liefde, jij bent
ouder, een ervaren vrouw, ik vertrouw mij zelf nog
niet in zaken van het hart, jij zei mee eens:
denk met je gevoel, en voel met je
verstand, en je zult vinden wat je zoekt. Jij leek
gelukkig met je kunstenaar. Een wat aparte man, dat wel.
PORTIA: Kom kom, je mocht hem niet, ik las het in je ogen.
JESSICA: Hij was van binnen donker, en na de middag
dronken. Heel gruwelijk in de morgen als hij nuchter was,
en nog veel gruwelijker tegen de avond als hij zich heeft volgegoten.
PORTIA: JESSICA: Ik had met je te doen. Als hij op zijn best was,
was hij nog altijd iets minder dan een mens, en
als hij op zijn slechtst was, het is gewoon te erg, ach schat, het was je niet
vergund, en daarna meldde zich mijn vader, met armzalige
avances Portia, nogmaals, ik schaam me diep
daarover. PORTIA: schiet ongerichte pijlen, ziet missers
niet, wie zelf zo is geraakt, waant zich totaal
trefzeker. Ik vergeef het hem, geen
punt. JESSICA: Doe je dat voor mij? Want hij verdient het
niet, hij koestert zijn wrok, voedt nog dagelijks zijn
woede met verwijten over blanke wijven, die voelen
zich te goed voor hem, mijn vader kan vergeten noch
vergeven. PORTIA: Uiteindelijk wint het verstand.
JESSICA: Je kunt nog beter op het
strand de vloed staan smeken dat hij eb
wordt Je kunt nog beter aan de aan de wolf wijsmaken
dat hij geen schaap laat blaten om haar
lam. PORTIA: Zo hopeloos kán het niet zijn, een moeilijk mens,
meer niet. JESSICA: Je kunt nog beter alle
bergcypressen opdragen stil te staan en niet te
wuiven wanneer het noodweer om hun toppen
loeit. Je kan het zwaarste, het ergste beter
doen dan iets verwachten van - het is erg om te
zeggen- zijn boze kille hart. Maar genoeg over mijn vader.
PORTIA: Ja, inderdaad. Gun jezelf wat adem,
ik pleit voor luchtigheid, over naar
hartstochtelijke zaken. JESSICA: PORTIA: Heeft zich kandidaat gesteld. Goed onderzoek.
Bravo! JESSICA: Zonnig, geen drinker, kan stralen, klinkt al
beter. PORTIA: Alleen waar leegte is, komt
licht. JESSICA: (positief
bedoeld) En niet zo gewichtig als die prins.
PORTIA: Hoe minder er aan boord is, des te sneller vaart
het schip, hoog boven het water, elegant, maar door gebrek
aan lading. JESSICA: Bassiano is charmant, maar daarom nog niet
dom, zijn zachtheid is geen zwaktebod, hij is zonder
angst zichzelf. PORTIA: JESSICA: Antonio? Zeg mijn pa daarover niets. Rafi
zou geen nacht meer slapen, uit
angst dat ik geschaakt zou worden, met
medeneming van een erfenis van goud, geld en beton...
JESSICA: ...Dat ik niet in zijn dienst falaffel wens te
bakken, was een aanslag op zijn waardigheid,
dat ik geen jodin meer wilde zijn, maar mens onder
de mensen, dat sloeg een krater in zijn ziel. Ik heb de stam
verraden. PORTIA: Pardon, ben jij een jodin? Jij was toch arabisch?
JESSICA: Arabieren zijn verkrijgbaar in meer
smaken, ook als Katholiek of Maroniet, in
Libanon, Men levert ons in Grieks- of Syrisch
orthodox, zoals Tariq Aziz, de dienaar van
Saddam, en soms zijn we ook joods, de
Sefardiem, en om jouw verwarring verder te volmaken,
geen Arabier woont in Arabië, op de Saudi's na,
raar, niet iedereen die Engels spreekt heet
Engelsman, niet al wat vliegt wordt vlieg genoemd, of
vogel, maar wie Arabisch spreekt is Arabier, dus ook de
Joden daar. PORTIA: Goh. Joh. Nou. Maar Antonio?
JESSICA: Antonio is iets voor ooit, een droom, een
troost, beeld van wat het worden kan, vergeet het, maar hoe het verder moet met jou,
ik weet het wel. Wat is er mis met
Bassiano? PORTIA: maar ook, hoe zal ik het zeggen,
lapzwansachtig, "Shall I compare thee to a eh eh…summer's day? Hij ziet in mij zijn hemel, maar zoekt juist grond
om op te staan, zijn blik zoekt houvast in mijn ogen, pas door mij
ziet hij zichzelf. JESSICA: Verlegenheid. Hij wacht op zijn moment.
PORTIA: JESSICA:
SCENE 9 RAFI EN ANTONIO
(JESSICA) ANTONIO ( tot Rafi): Collega, huisbaas, buurman,
vriend, de winkel zelf is wat de waarde van elk winkelpand
bepaalt, onze klanten, onze kassa's vullen straks jouw
zakken, als huisjesmelker melk je klanten van een ander,
toch? hoe meer klanten dus hoe beter, en daarin gaan wij
investeren. Wij. RAFI: ANTONIO: ik zet dit straatje nog nadrukkelijker op de
kaart, en na drie maanden alles terug, de volle som.
RAFI: ANTONIO: Zo doen wij dat hier niet, als concullega's.
RAFI: Winst is een zegen, als je haar niet
steelt. ANTONIO: We zullen zien. Heb jij een halve ton?
RAFI: Buurman, ik wil jouw centen, dat zeg
jij, jij, die mijn handeltje te min vond voor jouw
straat, met een blik als naar een hond die jouw winkelpui
bepist, hebben honden geld? Heeft wat eet uit
vuilnisbakken een halve ton in huis? Eh? Of moet
ik, staart tussen mijn benen,
jou je handen likken, je pootjes geven,
en dankbaar mededelen: nagetrapt of
niet, als dank voor alle roddelpraat en slecht gekozen
moppen, hier, alstublieft meneer, geen vragen en geen
rente?
ANTONIO: Hoe moet ik jou dan noemen? Een vriend?
Als je dat geld wilt lenen, leen het ons dan níet
alsof we vrienden zijn. Dit zijn duidelijke
zaken: ik sta voor de toekomst van de straat, jij
niet? Verkoop die panden aan de maffia, mij
best, leen je geld voor bloedhondentarief aan
witwasondernemers, en als ze niet betalen, laat de Joego's op ze los.
Of wij gaan samen verder, dat hoeft niet hand in
hand, maar zie wat ons verbindt, en profiteer
ervan. RAFI: Wou ik niet vrienden zijn? En u genegen?
Wou ik uw smaad, uw spotten niet
vergeten? Wou ik niet helpen, zonder maar een duit
te rekenen aan rente? U luistert niet, het was
toch goed bedoeld? ANTONIO: RAFI: Eerst: wat is de borg? ANTONIO: Vertrouwen. RAFI: ANTONIO: RAFI: Waarom is het er nu niet, dat geld, en wel drie
maanden later? ANTONIO: RAFI: Ik wens u een behouden vaart, zolang het vaart
vaart alles wel, en ziet u welvaart aan de horizon, mijn vriend, ik
zie die ook. ANTONIO: Waar doel je op? RAFI: Ik luister graag naar roddelpraat, Antonio,
zolang het geld zich vlijtig voortplant, noem het
huur of rente, premie voor gelopen risico, ik stel jou geen
vragen, it's a deal. ANTONIO: Dus geen rente? RAFI: Heb ik dat gezegd? ANTONIO: Geen rente, een oprechte vriendendienst, zeer
menselijk. RAFI: ANTONIO: Nee, menselijk, en als dat woord je niet
bevalt: het getuigt van veel gezond verstand, dit is
gezamenlijk belang. RAFI Wilt u vreemdelingen belasten met uw
tol? Rente niet betaald, is rente niet
ontvangen, de bank zou het me geven, en zelfs
graag, Wel de lusten van het lenen, niet de
lasten, die draag ík. ANTONIO Hebben vreemdelingen zich niet bij
ons verrijkt? Dan moeten zij, net zoals wij, tol
betalen. RAFI Hoe? In gelijke
mate? ANTONIO Nee arabier, als heidenen. Want het
is omdat wij jullie hatelijk bestaan dat vervloekt is in het oog van de hemel
hebben geduld; dat deze tol, deze beproeving, over ons is
gedaald. (einde citaat
Marlowe) JESSICA KOMT VOORBIJ LOPEN. ANTONIO
STAART HAAR NA. JESSICA KNIPOOGT NAAR ANTONIO. RAFI
ZIET DAT EN BESEFT WAT ER AAN DE HAND IS. SCENE 10 RAFI, ANTONIO,
BASSIANO RAFI: (tot Antonio) niet binnen de gestelde tijd
terug, en de rente schenk ik u, uit vriendschap snijd ik
mij gevoelig in het eigen vlees, maar als u te laat
betaalt, dus als het kwartaal verstreken
is, betaalt u passend boete: een vol pond van uw
blanke vlees, het komt er vast niet van, maar met mijn mes
verlos ik u van al uw schulden, dat kost een
pond, te nemen van een lichaamsdeel, dat ik nog zal
bepalen. ANTONIO MOET LACHEN, KAN DIT NIET SERIEUS NEMEN.
ANTONIO VOELT AAN ZIJN BROEK, 'WEEGT' ZIJN
PENIS ANTONIO: Nee, die is minder dan een pond, godzijdank
ben ik niet te zwaar geschapen, een onverwacht
geluk. BASSIANO LACHT MEE. RAFI: als vakman in het vlees raad ik u aan: een
been. ANTONIO: Heel goed. Snij uit mijn been, mijn linker liefst,
anders wordt het moord, en betaal ik
ongepast. BASSIANO BESLUIT HET TOCH SERIEUS TE NEMEN.
BASSIANO: Nee, zo'n contract teken je niet voor
mij, dan blijf ik liever om het geld verlegen.
RAFI: Het is voor jou, een vriendendienst? Wat
lief! Antonio, jij stiekemerd, jij bent de
borg, hij heeft geen poot om op te staan, zijn zaakje
draait verlies, maar jij helpt hem weer op de been, jij
vertrouwt jouw vriend, komt met het volle pond,
chapeau! RAFI KNIJPT IN HET LINKERBEEN VAN
ANTONIO ANTONIO: Beste eeuwig boze buurman, jij stelt jezelf
hiermee voorgoed buiten de beschaving, een oprechte kennismaking
waar het toch een keer van komen moest. Ondanks alles:
aangenaam. RAFI WEIGERT DE HAND VAN ANTONIO.
RAFI AF.
SCENE 11 ANTONIO, BASSIANO, RAFI,
JESSICA BASSANIO: Dat been! Dat been!
ANTONIO: Nee, geen probleem. Hij lult maar
wat. BASSIANO: Die vent is gek, maar niet
gevaarlijk, maar dat been, ik wist opeens: dat
been heeft een geschiedenis. ANTONIO: BASSIANO Shylock is niet dood, hij leeft, het
is ongelofelijk. RAFI: Wie, pardon? BASSIANO: RAFI OP. RAFI: BASSIANO: RAFI: BASSIANO: RAFI: Jessica! Jessica! Versje doen! Nu!
JESSICA VERSCHIJNT. ALS EEN KLEIN MEISJE OP EEN
FEEST VOOR VOLWASSENEN ZING-ZEGT ZE EEN BEKENDE TEKST. JESSICA: Arabieren zijn verkrijgbaar in meer
smaken, als Libanese Katholiek of
Maroniet, ook levert men ons arabieren
soms in Grieks- of Syrisch
orthodox, zoals Tariq Aziz, de dienaar van
Saddam, en soms zijn we ook joods, de
Sefardiem, en soms zijn we ook joods, de
Sefardiem! JESSICA MAAKT EEN KODDIG BUIGINKJE EN GAAT.
RAFI: Dank je, schat JESSICA AF ANTONIO: Goh. Joh.
BASSIANO: ANTONIO: BASSANIO EN ANTONIO LACHEN BASSIANO: Wat moeten we nou tegen je zeggen? 'shaloom', of
'salam'? ANTONIO: 'Inshallah' of 'inshaloom'? RAFI DOET VRIENDELIJK OF HIJ HET LEUK VINDT.
ANTONIO VOELT ZICH AANGEMOEDIGD.
ANTONIO: (tot Bassiano) dat is algemeen bekend, maar weet jij ook
waarom? BASSIANO: Nee.
ANTONIO: Eten wij apen? Natuurlijk niet, daar stammen wij
van af. Dus waarom eten zij geen varkens?
BASSIANO SNAPT HEM EN LACHT ANTONIO: (tot Rafi) Het is maar een mop, he?
Hou me ten goede, ik heb niets tegen wie dan
ook, ik keur mensen niet op kleur of op hun
voorgeslacht. RAFI: BASSIANO: Rafi, serieus, dat been, dat meen je toch
niet, jij weet wie Shylock was, schepping van
Shakespeare, hij zag af van de contanten, hij stond op zijn
pondje vlees, maar bleef toen lelijk zitten met de
brokken, verpletterd door het recht, gefileerd tot op het
bot, je maakt jezelf kapot, pas op, zo zal het
gaan, ( citaat uit:
Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood) RAFI: Vlooien! Allemaal kleine zwarte
vlooien. De stad zucht onder de vlooien. Zij kreunt en siddert. De vlooien
worden tot een plaag. Net zolang tot de stad van de
vlooien heeft leren genieten. Die Shylock, hij beviel me niet, in
Bagdad al, een eeuwige verliezer, zeker niet
mijn type. ANTONIO: al in een maand of twee, een ruime
maand voor de termijn verstrijkt, komt de
zilvervloot naar Amsterdam, het geld is
zeker. BASSIANO: (tot
Rafi) Vergeet je boete, wij betalen, of
jij dat jammer vindt of niet, wij bewaken jouw eer, waar jíj
blijkbaar niet aan hecht, en die mislukte grap van jou, kan
iedereen gebeuren. RAFI:
ANTONIO: zorgen verdwijnen dankzij jou, als
bij toverslag, jij doet goed en ziet niet om, en
dat zal je lonen, jouw ziel zal daglicht zien, de zon
jouw hart ontdooien, jij wilt geen vlees, jij wilt
respect. Terecht. Je hebt het onze. Of zet jij het mes, in iemand die
zijn vrienden helpt, die kan vergeten en vergeven, dat
zojuist zelfs heeft gedaan? ANTONIO SPREIDT ZIJN
ARMEN. RAFI: Zelf ben je hard als steen en denkt
dus dat iedereen zo is. Achter jouw
woorden galmt de angst, jawel! Maar zeg nu
zelf: wat heb ik, als hij in gebreke
blijft, er aan als ik de boete
incasseer? Een pondje mensenvlees, een
handjevol, is geen handel toch, zelfs niet in de
shoarmabranche! Dat ik hem deze vriendendienst
bewijs is om bij hem in de gunst te komen -
als hij ja zegt, goed, en zegt hij nee,
adieu. ANTONIO: je krijgt je geld, en leert weer te
vertrouwen, zoniet, zal onze rechtsstaat, waar jij in
onderdook, jou gaarne leren waar de grenzen liggen, tussen
goed en kwaad.. RAFI: Doe mij het geld, betalen is de basis van
beschaving. ANTONIO: Ik ben akkoord. BASSIANO: RAFI: al was het maar door er
grootmoedig straks van af te kunnen zien, en
geld?, ik red me wel, de nieuwe huur maakt alles
goed, die gaat van jou naar mij, dus schenk ik je de
rente. Ja of nee, gratis geld, en wat kan je gebeuren?
ANTONIO KNIKT NAAR BASSIANO BASSIANO: Okay, akkoord! Shalam! Saloom!
(lacht) ER WORDEN HANDEN GESCHUD. RAFI AF. BASSIANO: De huur gaat nu nog meer omhoog, dat was een dure
deal. Godverdomme. Had je dat niet door? De lul.
(Uit: Fassbinder, Het vuil, de stad en de
dood) ANTONIO: Hij zuigt ons uit, de jood. Hij
drinkt ons bloed en maakt dat we ongelijk hebben, omdat hij jood is en wij de
schuld dragen. Ik pieker en pieker en tart mijn zenuwen; en eigenlijk sterf ik
duizend doden. ’s Nachts word ik wakker en zie hem voor me: de dood, en het is
alsof mijn keel wordt dichtgeknepen. Dat zijn beelden, zegt mijn verstand,
voorwereldse mythen uit de tijd van onze voorvaderen. En links in mijn lichaam
voel ik steken. Het hart, vraag ik me af, of de galblaas? En schuld heeft de
jood, omdat die ons schuldig maakt, want hij is hier. Was hij maar gebleven waar
hij vandaan kwam. Of hadden ze hem maar vergast, dan zou ik nu beter kunnen
slapen. Ze hebben hem vergeten te vergassen. Dat is geen grap, zeggen mijn
gedachten. En ik wrijf in mijn handen als ik me voorstel hoe hij geen adem meer
kan krijgen in de gaskamer. En weer wrijf ik in mijn handen en wrijf en kreun,
’t is maar goed dat niemand weet dat ik Repelsteeltje heet. Hij is iedereen
altijd een stap voor, en zo blijft er voor de anderen niet meer dan een aalmoes
over. Jij hebt je tijd gehad, fluistert een stem in mij, en voor de honderdste
keer grijp ik naar mijn hart en vervloek het systeem dat mij ziek maakt, dat mij
pijnigt waar het maar kan. En kun je met onroerend goed in je koffers vluchten?
Ze lokken je terug met sirenenzangen, je percelen grond en je huizen, terug, om
je te kwellen en te pijnigen. En iemand anders lacht in zijn vuistje en heeft je
al opgekocht nog eer je zelf ook maar aan verkopen had gedacht. En hij heeft de
banken achter zich staan en de machtigen in deze stad. En aan de ene kant geef
je het op, om je aan de andere kant des te fanatieker vast te klampen aan het
bezit dat je zo’n angst inboezemt. De doctoren liegen tegen je, ze spelen
allemaal onder één hoedje, ze houden je net zo lang in leven tot je genoeg hebt
geleden en een stelletje goden bij het zien van je leed genoeg hebben
geonaneerd. Ze haten je, en toch hebben ze je nodig voor hun perverse lusten,
die goden, die alleen maar heksen en feeën zijn uit de nachtmerries van
kinderen, uitgevonden om ons voor te bereiden op dit leven dat ons doodt. De
jood verstaat zijn vak; angst schijnt hij niet te kennen, de dood deert hem
niet, hij die geen leven leeft. ANTONIO LOOPT NAAR JESSICA. ZE
KUSSEN. RAFI ZIET DAT. SCENE 12 RAFI, BASSIANO RAFI GEEFT BASSIANO HET GELD.
RAFI: Een halve ton contant BASSIANO: Voor drie maanden.
RAFI: Voor drie maanden, en Antonio staat er borg
voor. Maar heeft Antonio straks geld, weet jij dat
zeker? BASSIANO: RAFI: Hij heeft het wel maar hij heeft niet hier:
één container is op weg naar Rotterdam, en andere
naar Den Helder, verder hoorde ik iets gonzen over een zeiljacht
naar Zeeland, en het dobbert nog veilig rond, schijnt het.
Maar grenzen zijn schepnetten,
smokkelaars maar mensen, je hebt landratten en
waterratten, schippers en rippers, en dan heb je nog het risico
van storm en stranding en ander nautisch onvermogen.
BASSIANO: je maakt Antonio verdacht, maar wat verberg je
zelf? RAFI: Ach, of het slecht is wat hij doet, jouw vriend
Antonio? Ik zit net als hij in zaken, of het goed was of
een vloek, dat hangt van de afloop af. BASSIANO: Dat gaat wel goed.
SCENE 13 ANTONIO, RAFI, JESSICA ANTONIO: (tot Rafi,
Jessica kijkt van een afstand toe) Buurman, dank voor de contanten. De afspraak
staat, wat mij betreft, als borg is er een portie van
mijn been, het is ziek, maar als jij er blij van wordt, mij
best. Of heb je je bedacht, in een aanval van
beschaving? RAFI (half tot
Jessica): Doe ik verkeerd? Uw welvaart dankt u aan
slaven. U laat ze - als uw ezels, honden, paarden
- het liederlijkste laagste werk
opknappen omdat u ze gekocht hebt, op de
wereldmarkt, met uw economisch potentieel, uw fijne vrije
handel. Maar zijn ze vrij om met uw dochters te trouwen?
Waarom gezweet, gezwoegd? Waarom hun bed
niet net zo zacht als dat van u,
waarom hun tong niet met hetzelfde maal gestreeld?
ANTONIO: Zij kozen voor ons, niet andersom, ze wilden het
zelf, en elke keus heeft consequenties, zo zit dat,
simpel zat. RAFI: Zij wilden zelf, precies, en zo antwoord ik
u: het pond dat ik van u aan vlees
verlang, komt er geen geld, ik mag het
hebben. Ben jij van plan om woord te houden, ook in
nood, als je gaat krijsen bij het zien slijpen van mijn mes? RAFI SLIJPT ZIJN MES. ANTONIO SCHUDT ZIJN HOOFD: GROOTSPAAK VAN
RAFI! MAAR ALS RAFI STOER WIL DOEN, MOET DAT MAAR.
PRIMA. ANTONIO AF. EEN SCHADUW VERSCHIJNT:
SHAKESPEARE
SCENE 14 PORTIA/SHAKESPEARE, RAFI SHAKESPEARE: Bewapend met hun bogen hopen ze het geluk te
schieten uit de lucht, en mist zo'n man na afloop een verdwaalde pijl,
hij schiet precies zo'n pijl, dat is dan plan B,
dezelfde kant uit, let dan beter op waarheen die vloog, en denkt:
wie dubbel durft te verliezen, pas die verdient de
volle winst. maar meestal is hij beide pijlen kwijt.
RAFI: Wees welkom, meester, ShaormaShylock
wacht rustig op zijn ondergang, zonder
angst, vil me maar, William, in fraaie verzen, lachen
voor de mensen, én ze leren er van, zie ook de Holocaust: alles
mag. SHAKESPEARE: Jouw ironie bevalt me niet. RAFI: Ben ik al failliet? Is mijn dochter al
ontmaagd? Ligt mijn kop al op het hakblok, liggen alle
doorgestoken kaarten keurig klaar? SHAKESPEARE: Ja, en jij raakt alles
kwijt. RAFI: Uw liefde hoef ik niet, maar op zijn minst uw
mededogen, ik sta al op het hellend vlak, mijn voeten zoeken
houvast, en uw plan loopt weer gesmeerd.
SHAKESPEARE: Omdat je daarvoor kiest. RAFI: Ik staar rillend in de diepte, één zetje en ik
zoef de skischans af, en zonder ski's, daar wordt wel
voor gezorgd.
SHAKESPEARE: een keiharde tegenstander, een onmens die geen enkel grein
erbarmen, geen enkele medelijden kent. Shylock,
je weet dat ik, jouw meester, alles heb gedaan
om jou te matigen in jouw absurde
eis. Maar nu jij koppig volhoudt, geef ik
Antonio het wapen van de lijdzaamheid, de
onderwerping, hij ligt op zijn rug, vier poezelige pootjes in de
lucht, een christelijk lam tegen de Oosterse
slager, je bent er ingetrapt, in je gekwetste
razernij, al je publiek verspeeld, een eerloze verliezer.
RAFI: een redelijke redder van de mensheid, Ghandi
meets Mandela, Antonio doet niets,
onschuldig lam, dat passief agressief de anderen
verlamt, "Ik, Antonio, ben de Messias, laat maar zien hoe
slecht je bent, je kruisigt niet mij, maar in feite
jezelf, want ik heb niks gedaan, ik lekker
niet". En ondertussen in het duister mijn
kat knijpen, Een ouwe truc. Excuseer, dat kennen we nu wel.
SHAKESPEARE: mits door een fraaie tong
gepresenteerd blijft al de kwalijkheid ervan
verborgen. RAFI: zijn dochter en zijn zelfrespect ook onder dwang
zijn Joodse ziel, bekeren moest hij
zich. Waarom? Waarom is het nooit genoeg? SHAKESPEARE: Ja, wat het oog ziet is
bedriegelijk, wat laat de wereld zich door schijn
misleiden, Mijn woord staat boven de partijen, ik
beschrijf een wereld waarin ieder volk, elke clan, elke
tijd, genadeloos zijn eigen Joden kiest, al naar gelang
de mode. RAFI: SHAKESPEARE: Ach ja. Hoe menig lafaard wiens standvastigheid
als van een trap van zand is plakt zich
toch de baard aan van een held of
oorlogsgod al stroomt er melk in plaats van bloed door hem?
RAFI: ingelast door mij. Shylock twijfelt nooit,
waarom? hij draaft mechanisch door, recht in de
zwaarden van de wrekende gerechtigheid, of wat daarvoor
doorgaat, in een Venetiaans paleis met een lekker wijf
vermomd als wijze rechtsgeleerde, daag me niet
uit, ik ga het doen, ik slijp alvast mijn messen,
regel jij de rest, drie maal ramp is scheepsrecht,
en we zullen zien wie hier publiek
verspeelt.
SCENE 15 JESSICA, ANTONIO + PORTIA,
BASSIANO+ RAFI ANTONIO ( tot Jessica): natuurlijk zit dat jou nu dwars, mij
ook, maar hoe ik er aan kwam, hoe ik het
kreeg, wat de substantie ervan is, de
oorsprong, ik weet het niet, ach, de melancholie stompt mij
zo af dat ik mezelf bijna niet meer
herken JESSICA: Maar dan ben je verliefd, en hebt het niet
herkend, ach gos..
JESSICA: Dus niet verliefd, welnu, dan ben je
somber omdat je geen plezier hebt. Lach dan,
dans en spring en zeg: ik heb plezier omdat
ik -dat kan net zo goed- niet somber ben.
De natuur brengt rare gasten
voort, die loopt voortdurende met
pretoogjes, of hij als papagaai een doedelzak
hoort, en die heeft weer zo'n tronie van
azijn, dat er geen hoek wil krullen om zijn
lippen, je ziet er niet goed uit
Antonio, je trekt je teveel aan van je
omgeving, door dat getob mis je het ware
leven, mijn god, jij bent veranderd, joh.
ANTONIO: Het leven houd ik alleen voor wat het is,
Jessica, een schouwtoneel. Elk speelt daarin zijn rol, en
die van mij is somber. JESSICA: het lachen. Liever heb ik dat de
wijn mijn lever gloeien laat dan dat van klagen
een dodelijk gekreun mijn hart
verkilt. Waarom zou iemand die zijn bloed voelt
bonzen zich voordoen als zijn eigen marmeren opa?
Klaarwakker slapen? Zich ze miezerige
geelzucht kniezen? Eh?
Antonio, -ik hou van je en zeg je dit uit
liefde- er is een zeker slag met een
gezicht vaalbleek en dichtgeslibt als stilstaand
water, dat zich opzettelijk in zwijgen
hult, om zich een air te geven van
verstand, diepzinnigheid en grote
waardigheid. Hee, hengel niet met je
melancholie als aas naar zo'n dwaze
reputatie, vertel me eerlijk wie de dame
is, ja, Antonio, de dame, waar je zo op
hoopt, dat ze jou als zulthoofd rond doet lopen.
ANTONIO GLIMLACHT NAAR
JESSICA
ANTONIO: Nee, er is geen dame, er zijn de
zaken, een verdwenen zeecontainer na een
storm, of gevallen in handen van helaas de
verkeerden, nooit in de haven aangekomen, naar god
het geld dat ik daarin gestoken heb.
RAFI OP RAFI: (tot beiden) Er broeit iets hier, iets wat mij er niet
rustiger op maakt, ik walg
ervan, vannacht heb ik van zakken geld
gedroomd, gezonken met een schip, in de bocht bij
Biscaye, de romp gevuld met wilde
watergolven, de kiel naar boven, een zerk in
zee, vochtig graf voor
jongensdromen, een rib uit het lijf, een blok uit het been.
JESSICA: Wat is hier aan de hand, of moet ik er naar raden?
RAFI: wij zijn een team, sinds kort, Antonio heeft mij
gekozen, wie mij uitkiest krijgt precies wat hij
verdient, en Jessica, daar hoor jij beslist niet bij.
JESSICA: Ik wil mij verbeteren, vader, u soms niet?
Ik ken mijzelf. Een meisje van
buiten, dat niet heeft gestudeerd, ervaring
mist, dat blij dat ze nog steeds niet te oud
is om te leren, blijer dat ze
zich voor leren niet te dom weet en,
tenslotte, het allerblijst dat zij haar goede
wil haar vorm kan toevertrouwen aan zijn
vorming, aan Antonio, een heer, stijlvol, onderlegd.
RAFI: en wat ben jij dan, in zijn bed? Nog minder dan
een hoer. RAFI SLEURT JESSICA WEG. JESSICA: (gilt) Pity the world, or else this glutton
be, Verspil niet wat de wereld aan je gaf; Verstop het niet in jou en in je
graf. BASSIANO EN ANTONIO ONDERDRUKKEN HUN
WOEDE. ANTONIO: ( tot
Bassiano) 'Wie mij uitkiest krijgt precies wat hij
verdient' Bassiano, vriend, het spijt me. Ik durfde
het aan Fortuna om de tuin te
leiden en een ongezonde eigendunk te hebben
zonder het stempel van verdienste - niemand
moet zo onvermetel zijn onverdiend te
pronken. BASSIANO: Jij verdient het allerbeste, vriend,
dubbel het geld dat je vergaarde met
jaren gezwoeg en geouwehoer met klagerige
klanten, en by the way, het ging jou niet om
geld, maar om verworven vrijheid, weg die
winkel, een paar zorgeloze jaren met jouw
Jessica, maar eerder nog dan aan jezelf of haar
heb jij aan mij gedacht, en
Portia, nooit vergeet ik wat je deed voor
mij ANTONIO: Problemen. Eén zeecontainer
onderschept. BASSIANO: ANTONIO: Het zeiljacht gezonken dan wel
zoekgemaakt. BASSIANO: ANTONIO: De laatste lading maakt dat goed,
misschien, Het wordt voor mij een eigen geldje, op zijn
hoogst, ga nu naar Portia, win haar hart, zolang de
toekomst niet meer goud, maar, zo God wil, wel zilver
is. SCENE
16 BASSIANO,
PORTIA BASSIANO: (tot
Portia) had ik er beter aan gedaan erbij
te zeggen: minder dan nihil. Maar
zie: ik heb mezelf verpand aan een goede
vriend, en die weer aan zijn ergste vijand,
alleen om mij aan middelen te
helpen. Als er een wil is, de weg is nu vrij.
PORTIA: Wie de liefde met geld denkt te kopen,
of liefde pas durft te bekennen met de steun van
centen in de rug, kan honderdduizend pijlen richten op het geluk,
maar ze verdwijnen spoorloos in de leegte.
BASSANIO (terwijl hij
wegloopt, probeert hij sonnet op te lepelen):
SCENE 17 PORTIA, JESSICA JESSICA: En? Wat kwam Bassiano zeggen, zijn hoofd zag
rood. PORTIA: Bassiano's bekentenis was als gebruikelijk
aandoenlijk, hij biechtte mij zijn liefde op, alsof ik dat niet
wist maar ook de centenkwestie met zijn
ex. Wat hem tot dan toe had weerhouden, geen
wantrouwen, het tegendeel: de vrees mij te verleiden,
ongewild, tot een krediet. Een lening, die de liefde zou
belasten. JESSICA: PORTIA: Maar helaas niet al te slim, hij heeft zwaar
geleend, en je raad nooit van wie: van Rafi, van jouw
vader. En de borg is de opbrengst van een dubieus
transport, dan wel een pond vlees uit Antonio's
been. JESSICA: dat hij Antonio belastert, zo dubieus is hij zelf
wel, en ook zo dom te denken dat een ander dat zou
geloven, maar nee, hij zal bij geldgebrek niet snijden in
een been. PORTIA: Antonio staat borg voor Bassiano, met zijn
vlees. JESSICA: Antonio die schat, hij is van goedheid gek
geworden! PORTIA: het wellicht uitgelokt, het schandelijke
handelen van jouw vader is alweer een wig
tussen jou en jouw verwekker, des te
eerder zal jij daardoor bij Antonio
belanden, hij lokt jouw vader uit zijn tent, om daar zijn
voordeel mee te doen. JESSICA: Dat is niet waar, dat misstaat Antonio totaal.
PORTIA: zijn been beschikbaar stelt als borg,
waanzin!, tenzij er alles mee te winnen
valt?
SCENE 18 JESSICA, ANTONIO + RAFI JESSICA: (tot
Antonio) Vergeet niet met wie je speelt: mijn
vader, je kunt nog beter naar het strand
toegaan en van de vloed verlangen dat hij eb
wordt. RAFI: JESSICA: opdragen stil te staan en niet te
wuiven wanneer het noodweer om hun toppen
loeit. RAFI: JESSICA: Je kunt het zwaarste, het ergste beter
doen dan iets te verwachten van - zijn dode
hart, zijn jodenhart, zijn platgetrapte
arabierenziel, genade heeft hij nooit ervaren, laat staan dat hij
het geven zal. RAFI: Eh!, William, wat wil je toch, wees helder, dode
held! ANTONIO: (tot
Jessica) Jouw vader speelt een spel, hij wil respect, geen
geld, hij wil wat onbetaalbaar is: de aanblik van een
man die hem om genade smeekt, en als moet, ik zal het
doen, mijn ego mag groot zijn, mijn vlees zal harder
schreeuwen. RAFI SLIJPT ZIJN MES
SCENE 19 PORTIA/SHAKESPEARE,
RAFI SHAKESPEARE: Laat ieder weten dat ik alles heb
gedaan om jouw te matigen in jouw harde eis,
mij rest geen andere conclusie
dan dat kwade wil de redelijkheid
verplettert. RAFI: Antonio's laatste hoop? Dat ben ik
niet, u hebt alles in de hand, ergens vaart een
schip, nog eentje, komt dat aan: hij kan
betalen, en nog op tijd, als u het beste voor de mensheid
wilt, en wel speciaal Antonio, die vooral natuurlijk,
schrijf dat laatste schip veilig de haven
binnen. Of is het al te laat? SHAKESPEARE: Heb jij een hart of niet? Hangt jouw goedheid af van mij, of gunstig weer
bij de Azoren? RAFI: Geef mij op tijd mijn geld en ik ben
machteloos. SHAKESPEARE: geregeld, en bij deze. De laatste hoop is jouw
genade, het noodlot is het noodlot, maar jij hebt wél een
keus. RAFI: Laat die hoop maar varen, ook die zinkt
vanzelf. SHAKESPEARE: Shylock, de mensen denken, en ik denk
het, dat jij al dat vertoon van
harteloosheid maar speelt tot het er echt op aankomt.
RAFI: SHAKESPEARE: Straks, gelooft men in het algemeen, zal je je
mildheid, je mededogen tonen, zonderlinger dan deze
zonderlinge schijnwreedheid. RAFI: SHAKESPEARE: Werkelijk? RAFI: (vals) Het stimuleren van de hoop, voor het dramatisch
verloop ook niet zo slecht, ik vertraag mijn ondergang, heel even, maar ik wil
dat been. SHAKESPEARE: Nu eis je weliswaar je boete
nog, een pond van 't vlees van die arme
ondernemer, maar straks zal je niet enkel daarvan
afzien, nee - bovendien, door liefde en medeleven
gegrepen hem zijn schuld deels ook
kwijtschelden. Gelet - van mens tot mens - op de
verliezen die hem sinds kort al zó getroffen
hebben, daar is geen koopmansvorst tegen
bestand, zo'n tegenslag ontlokt zelfs nog een
vonk van piëteit aan inborsten van
ijzer en harten ruig als steen, aan stugge
Turken, Tartaren, die nooit omgaan met
begrippen als naastenliefde en lankmoedigheid.
RAFI: kadavervlees dan mijn zuurverdiende
centen? Of zeg- het is mijn temperament. Zo goed?
Stel dat mijn huis geplaagd werd door een
rat, en het behaagt mij tienduizend te
spenderen aan het beste rattengif? Heb ik dat recht?
Je hebt ze met de pest aan
varkenskoppen, ook zijn er die bij doedelziekmuzak
hun pis niet kunnen
inhouden. SHAKESPEARE: Doedelziekmuzak?
RAFI: Ja, in winkelcentra.
Doedelziekmuzak. Waar wij niet tegen kunnen, of juist
wel hangt af van aandoeningen sterker dan wijzelf.
Zo kan en wil ik mijn waarom niet
zeggen, behalve dan de diepe weerzin en
de haat, als kanker in mijn
binnenste, die ik Antonio toedraag, ook
al word ik er niet wijzer van. Zo eindelijk
goed? SHAKESPEARE: Nee, harteloze man, dat is geen
antwoord waarmee jouw wreed gedrag wordt
goedgepraat! RAFI: Zeshonderdduizend doden goedgepraat,
"Irak verdient democratie", plezier
ermee! Als dat voor jou verantwoord is, dat
massagraf met tonnen rottend vlees, gun mij dan mijn
pondje. SHAKESPEARE: Doodt iedereen wat hij niet bemint?
RAFI: En was daarna je handen in eeuwige
onschuld, wat er ook van komt, de boze wolf heeft het
gedaan.
SCENE 20 PORTIA, JESSICA, RAFI, ANTONIO,
BASSIANO PORTIA: (tot Jessica) dat Antonio een schip met rijke
lading heeft zien stranden in de netten van de
Nederlandse wet, zijn derde nederlaag op rij, en een hele
dure. RAFI OP JESSICA: dat wijf maakt mensen alles wijs, maar ik
weet dat die goede Antonio, die goudeerlijke
Antonio... RAFI: (tot Jessica) Jij bent van god verlaten, zeg ik
je, mijn eigen vlees en bloed in
opstand! In elk riool vindt je iets beters dan die rat, die
bankroetier, die geldverkwister de nauwelijks zijn neus nog durft te laten
zien, wat stapte die bedelaar altijd parmantig rond in
onze straat, hij waande zich de eigenaar, de prins der
middenstand, straks is hij brodeloos, zijn winkel
weg, en komt mijn dochter, het vogeltje dat was
gevlogen, nederig smeken om een plekje in het oude nest.
JESSICA (tot
Rafi): Verspil niet wat de wereld aan je gaf; JESSICA HAALT ANTONIO. JESSICA: ( tot
Antonio): Mijn lief, vertel me dat mijn vader
liegt, hij bluft maar over schulden en de netten van de
wet, een vaag verhaal, is het onwaar,
Antonio, zeg het hem in zijn gezicht en wij zijn
weg, Portia, probeer als ik je vragen
mag mijn hete geest te blussen met wat
druppels rust, jouw koelheid, hoop ik, zal me behoeden voor
ongeremde woede. PORTIA: RAFI: PORTIA: Genade heeft niets uit te staan met
dwang, zij daalt als zachte regen uit de
hemel neer op de korst der aarde. Dubbel
is haar zegen: wie haar schenkt en wie haar
krijgt, gezegend, zij. Genade is het
machtigst in de machtigsten. RAFI: geen kroon, geen troon, een contractje, een
tegoedbon van één pond, geen sprake hier van adel die tot
iets verplicht. PORTIA: Genade siert wie 't hoogste
zetelt in majesteit en praal meer dan een
kroon. De scepter is het beeld van aardse
macht, het zinnebeeld van waar gezag - het
maakt de koningen geducht en ontzagwekkend.
RAFI: Ik heb minder kennis van het hogere, en nog lastiger lopen met een aangesneden been.
PORTIA: Genade is het zinnebeeld van God, en
goddelijk wordt pas het aards bestier wanneer
genade gerechtigheid doorhuivert. Jij,
Rafi, vraagt om recht, jawel, maar bedenk
dit: wanneer het recht zijn loop heeft blijft geen ziel
behouden: elk van ons bidt om
genade, en ons gebed leert ons om
anderen genade te verlenen. RAFI: Geld, geloof, dochter,
toekomst, alles weg, geen genade, en het ergste: van Shylock
werd verwacht dat hij zijn beulen nog zou
dánken, voor het redden van zijn verdorven Joodse ziel.
Als jij eens niet ging bidden om genade, maar
gewoon om geld, "lieve God, doe ons een gouden regen",
opgelost!
PORTIA HAALT BASSIANO. PORTIA: Wat is dit voor waanzin, of is de waarheid gek
geworden? ANTONIO: De feiten zijn er, en er is een
wurgcontract. RAFI: (tot Jessica) ANTONIO: (tot
Jessica) Neem in je oordeel mee: ik deed
het voor het goede doel, voor Bassiano, die ik zie als
broer. BASSIANO: Mijn schulden zijn verdwenen door een genereuze
lening, door hem bij jouw vader aangegaan, als
borg had Antonio drie ladingen op zee, dan wel zijn
eigen vlees, een pond. PORTIA: Kannibalen, smokkelaars, barbaren, waar ben ik
beland? RAFI: maar 't is best wel te doen met een stuk in je
kraag, iets drinken, goede vriend? Op een zeer geslaagd
contract! PORTIA: Wie of wat heeft jullie zo gemaakt, zeg
niet: de maatschappij of de geschiedenis, jij zoekt een
boete, lijkt het wel, Antonio, een bizarre
straf voor wat je zelf ook ziet als stinkend
zaakje, en je verminker, totaal geschift, waant
zich de wrekende gerechtigheid, spreek hem
tegen, op zijn minst, neem de waanzin serieus.
ANTONIO: RAFI: JESSICA: zijn vlees toch zeker niet nemen, waar is dat goed
voor? RAFI: Als aas voor de vissen, nou goed? Als ik er niets
mee kan voederen dan voeder ik er mijn wraak wel
mee. Hij heeft me voor paal gezet en mij een halve ton
gekost - als hij me niet mijn winsten verwijt,
lacht hij om mijn verliezen, hij heeft mijn
afkomst bespot, mijn handel dwarsgezeten, mijn dochter afgepakt,
mijn goede naam bezoedeld, en waarom? Ik ben een
jood.... ( citaat: weet Caspar, uit
inleiding bij Komrijversie) PORTIA: Jij bent geen jood, jij bent een mens onder de
mensen, je bent geen jood, joden bestaan niet, je hebt gewoon last van
hallucinaties, van waanvoorstellingen, meer niet, een prima te
behandelen vorm van achtervolgingswaanzin. Niemand wil je kwaad doen, jongetje,
de mensen willen niet liever dan aardig voor je
zijn, we leven hier in een land waar vrede heerst,
Hitler is dood, hoe kan je je hem herinneren, jij
was toen nog niet geboren, Saddam is dood, jij hebt die klootzak overleefd,
hier is het veilig, nu is alles goed, zo goed als
jij het hebben wilt, wat kan een mens nog meer verlangen?
RAFI: Ik ben een jood. Heeft een jood geen ogen, eh?
Heeft een jood geen ledematen, geen gestel, geen
zintuigen, hartstochten, genegenheden? Gevoed door hetzelfde
voedsel, opengereten door dezelfde wapenen, onderworpen aan
dezelfde kwalen, genezen door dezelfde middelen,
verwarmd en verkild door één en dezelfde winter en
zomer als de christen? Bloeden wij niet als je ons steekt? Lachen we niet
als we worden gekieteld? Kreperen we niet als we worden vergiftigd?
En zouden wij geen wraak nemen als ons onrecht
wordt aangedaan - als we wat de rest betreft op jullie lijken,
willen we ook hierin niet achterblijven. Als een jood een christen iets berokkent, hoe
reageert hij in zijn christelijke zachtmoedigheid dan? Door wraak! Als een
christen een jood iets berokkent, hoe zal hij zijn zachtmoedigheid naar
christelijk voorbeeld dan tonen, eh? Door wraak! PORTIA: tegen de eeuwige antisemiet, doe mij een plezier en verzin eens iets anders!
RAFI: Heeft een arabier geen ledematen, geen gestel,
geen zintuigen, hartstochten, genegenheden? Gevoed door hetzelfde
voedsel, opengereten door dezelfde wapenen, onderworpen aan
dezelfde kwalen, genezen door dezelfde middelen,
verwarmd en verkild door één en dezelfde winter en
zomer als de christen? Bloeden wij niet als je ons steekt? Lachen we niet
als we worden gekieteld? Kreperen we niet als we worden vergiftigd?
En zouden wij geen wraak nemen als ons onrecht
wordt aangedaan - als we wat de rest betreft op jullie lijken,
willen we ook hierin niet achterblijven. Als een arabier een christen iets berokkent, hoe
reageert hij in zijn christelijke zachtmoedigheid dan? Door wraak! Als een
christen een arabier iets berokkent, hoe zal hij zijn zachtmoedigheid naar
christelijk voorbeeld dan tonen, eh? Door wraak! RAFI ZET ANTONIO HET MES OP DE KEEL, EEN
GIJZELING. BASSIANO: Kop op, Antonio, verlies de moed nog
niet, die arabier krijgt eerst mijn vlees, bloed,
botten, alles voor jij een druppel bloed voor mij verliest.
RAFI ZET EEN GASVLAM AAN. RAFI: Bloed? Hoef ik niet. Ik ken mijn
contract. PORTIA: Ik probeer je te begrijpen, Rafi, je trauma's en
je pijn, die jij niet voelen kan, vermoed ik
dan, trap jij een ander op zijn hart, pas dan voel jij
het jouwe. ANTONIO: al prijsgegeven aan de dood. Valt
niet de zwakste vrucht het eerst? Laat het ook
mij zo gaan, Bassiano: leef
verder, schrijf mijn grafschrift. Meer verlang ik niet van
je.
RAFI: zijn gezondheid ook wellicht, maar Antonio zal
leven, ik ben Shylock niet, mij maak je niet tot
moordenaar, je hart mag je houden, gesteld al dat je het hebt, geen
punt. ( citaten Portia naar: weet
Caspar, uit inleiding bij Komrijversie) PORTIA: Terwijl wij de bewegingsloosheid van de totale
windstilte, de decadentie en verveling ondergaan, is jouw joods-zijn de
bevrijding van de alledaagsheid. RAFI: JESSICA: zo scherp al je haat en doortraptheid.
PORTIA: (tot allen) Jouw leven heeft betekenis, zoveel meer dan dat
van ons. De banaliteit van zijn daden is maar schijn. Aan
de buitenkant is hij een snackbarexploitant, maar van binnen een nomade, een
rusteloze jood. RAFI: christen, niet als moslim, niet als jood, voor
vijftigduizend in de oceaan verdwenen euro's heb ik een lapje
vlees gekocht. Dat is mijn noodlot, hier en nu, ik heb het te
aanvaarden. PORTIA: Ook al ben je ingeburgerd, het is jou gegeven
achter deze werkelijkheid de diepere werkelijkheid van de ballingschap te
zien. De lijdensweg van jouw volk verleent jouw leven
een belang en schoonheid, die anderen niet gegeven is. Jij
ontleent aan je afkomst momenten van grandeur en roem,
die het gelijkmatig verloop van je braaf en
vlijtig bestaan je niet oplevert. RAFI: winst is een zegen, mits je haar niet
steelt. maar wie mijn winst komt stelen is blijkbaar wél
gezegend. PORTIA: Jij blijft de eeuwige vervolgde, zonder
onderdrukking te ondergaan. In alle rust weet jij van een buitengewoon noodlot
te genieten. GEEN GESPRKE MET RAFI
MOGELIJK. PORTIA GEEFT HET OP, LIJKT HET.
PORTIA: RAFI: Antonio, wie wil dat niet? Doet goed voorbeeld
hier ook volgen? ANTONIO: (tot Bassiano) Fortuna is dit keer
voorkomender dan doorgaans het geval is: laat zij
niet een wrak meestal zijn rijkdom
overleven, zodat hij, uitgemergeld en
hologig, getuige van zijn arme dag is?
Zo'n straf, zo'n martelgang blijft mij
bespaard. RAFI: Scherp is het ook, ik snij recht, geen
rafelranden. PORTIA: Het contract kent je geen bloed toe, nog geen
spat, Neem dus je boete, neem je pondje
vlees, maar als je bij het snijden zelfs maar
de geringste druppel van zijn bloed
vergiet, we weten je te vinden, vriend, dan ga jij
betalen, je hebt ons gevangen in jouw
maffiapraktijken, maar daar hoort een erecode bij: die van de
maffia. RAFI: met het snijden schroeit het alle aders
dicht, geen druppel bloed, dat Shylock daar
destijds toch niet is opgekomen, ik denk dat hij
niet van Shakespeare mocht. Waarom niet?
Waarom? PORTIA: dat kan je zelf bedenken, vraag niet naar de
bekende weg, maar wat wil jij hiermee bereiken, waarin schuilt
de wijze les? RAFI WARMT HET MES IN DE
VLAM RAFI: (zingt) Die gedanken sind frei, kein mensch kan sie
raten, sie fliegen vorbei, wie nächtlichen
schatten, kein Mensch kan sie wissen, kein Jäger
erschissen, es bleibet dabei: die gedanken sind
frei. PORTIA: Je hebt het recht op vrije meningsuiting, hoe
grondig ik het ook met jou oneens ben, ik verdedig tot
mijn laatste snik jouw recht om te mogen zeggen wat ik
verafschuw. RAFI APPLAUDISEERT, TERGEND
LANGZAAM RAFI: Ik wil mijn vlees, bloed hoef ik niet, dat mag je
houden, en je goedkope geleende praatjes ook,
mevrouw. PORTIA: RAFI: (tot Antonio) PORTIA: Maar snij niet meer of minder dan exact
een pond. Wanneer je minder neemt, of
meer, dan net dat pond, al is het maar zo
weinig dat het een milligram of zelfs een
fractie daarvan te licht wordt of te zwaar,
nee, als de weegschaal maar één nietig haartje
doorslaat, dan bindt niet meer die afspraak ons de handen op
de rug, dan zijn er geen regels meer, dan ben je beest
tussen de beesten. RAFI: (tot publiek) Ik neem straks minder dan een pond, ik geef hem
korting, beter teveel gegeven, dan teveel geincasseerd,
ik kies voor de underdog, en biedt hem korting
aan, er heeft nooit één Venetiaan bestaan die geen
korting wilde krijgen, alweer, dat Shylock daar
destijds toch niet is opgekomen, en uitgerekend een
gerechtshof trof dat niets van slimme handel wist, en dat in een
hándelsstad. Dat het complot niet deugt, okay, maar zelfs de
plot is ronduit onbeholpen. Bezuinig rustig op het
aas, Shylock zal wel bijten, zelfs intellect wordt hem
misgund..... RAFI: ...neemt u mij kwalijk, dat ik Antonio's verlies
verminder? ik schonk hem al het geld, en doe een onsje van de
boete af, hoe dom moet je zijn om zo'n genadig aanbod te
verwerpen, hoe vooringenomen, en vergeet het niet: hij
tekende. RAFI LACHT OM ZICHZELF. RAFI: PORTIA/SHAKESPEARE: Mijn doelwit was niet Shylock,
maar... RAFI: Ah, de verrassende getuige, ditmaal William
zelf als ik mij niet vergis, of is het Portia,
briljant vermomd, ai ai ai, nu moet ik op gaan passen.
PORTIA/SHAKESPEARE: Mijn doelwit was niet Shylock, maar de macht van
kapitaal. Edelmetaal uit Amerika spoelde destijds als water uit de zee onze levens
binnen, de prijzen zwollen op, het geld werd spotgoedkoop,
de rente werd al snel geteld in tientallen
procenten: woeker, die de handel verwoestte en honger
bracht, Shylock was een jóódse woekeraar, want die waren
er, geen gezochte combinatie, maar inflatie is de
kern van mijn verhaal: hoe kapitaal vernietigt wat het
voedt. RAFI:
Inflatie? Wordt dat woord genoemd? Waar
wordt gespuugd op geld, waar wordt geld
vernederd? Geld is de wrekende gerechtigheid, geld is
goed, geld is goddelijk voor jou, mits het gratis
is. PORTIA/SHAKESPEARE: Noem mij een schoft, als jij dat wilt, jij gaat er
over.
RAFI: Hij schrijft over Mozes, joods, ook weleens van
gehoord? Mozes, zegt Menatho, was geen man van god,
maar een soort vakbondsleider, gekozen door
onreine mijnarbeiders, slaven van de
Farao. Deze Osariph, pas láter omgedoopt tot Mozes,
ontkent de Goden van Egypte,
provoceert zijn gastland door het slachten van heilige
dieren, smeedt complotten en begint een
schrikbewind, Egypte zucht onder honger en
oorlog, de waarheid is: de zeven plagen waren er maar één:
de Joden! Tot dat roversvolk tenslotte wordt
verdreven, en een exclusieve schurkenstaat
begint in en rond Jeruzalem, aldus Manetho, collega van u, derde
eeuw. SHAKESPEARE: Een welbewust vervalsing van de Bijbel, walgelijk.
RAFI: Het antisemitische startkapitaal waarvan jij rente
trekt! Zo'n Shylock gaat er in als koek, William, en dat
wist je. nee, waarschijnlijk heb je nooit een jood
gesproken, die waren Engeland al eeuwen eerder
uitgezuiverd,
nee, je deed het niet uit haat, was dat maar
waar, dan toon je eerlijk je gezicht, zoals ik het
mijne, nee, je vertrapte mij gedachteloos, de
macht van de gewoonte, jouw 'kunst' komt uit een
beerput, volgescheten door de rest, hoezo schepper?
BASSIANO: ( weet weer eens iets)
Rafi heeft een punt, iets dat wij te weinig willen
zien, RAFI: (onderbreekt) Putjes-schepper! BASSIANO: William wist wellicht van economische
perikelen, maar was daarnaast beslist gevoelig was voor de
stem des volks. RAFI: En by the way, had Shakespeare tieten? PORTIA, BETRAPT, LEGT HAAR VERMOMMING AF.
PORTIA: (slaat terug) Die exclusieve
schurkenstaat, in en om Jeruzalem, dat schreef toch die
Egyptenaar bestaat zo'n staat wellicht ook werkelijk?
Op dit moment? Er gaan harnekkige
geruchten. ANTONIO: Niet provoceren alsjeblieft. PORTIA: Ik spreek hier Rafi aan als
Arabier, hij heeft dat eerder
aangegeven, in een vrij uitgebreide
monoloog, hou mij ten goede graag, ik doe dit alles voor de
goede zaak, iedere medaille heeft twee
kanten. RAFI: Ja, kop en munt, maar allebei is goed.
En wie niet tijdig munt kan tonen, die krijgt op
zijn kop. PORTIA: Het lijden van de Palestijnen, Arabieren, net als
jij wat wil jij dat ik daarvan vind, ja, een serieuze
vraag, hoe doen wij het in jouw ogen ooit
goed? RAFI: RAFI VERMAAKT ZICH
KOSTELIJK. RAFI: (tot Antonio) ANTONIO: ( in zijn machteloosheid laf)
Dat is aan jou om te
bepalen. RAFI: ANTONIO: RAFI: ANTONIO SCHRIKT, WORDT NOG
BANGER. PORTIA: Antonio, anti-joods? Okay. Zie dat dan wel in
perspectief, asjeblieft, het kan nog zoveel erger. Het bontst in dit opzicht
maken het Iran, Syrië, en de Palestijnse gebieden. Over Iran en zijn rabiate anti-joodse leiders hoef
ik weinig te zeggen. BASSIANO: (weet ook iets, wil de angel er
uithalen) Even heel iets anders, of nee, ook niét, Iran!
Iraanse Ayatollahs hebben in hun niet te volgen
wijsheid sekseverandering in Iran gelegaliseerd,
geloof het of geloof het niet, maar wie zich daar om wil
laten bouwen krijgt van de staat een gratis doos, en mag verder
als vrouw. BASSIANO ZET VOORZICHTIG EEN LACHJE
IN. RAFI LACHT MEE, BASSIANO IS BLIJ.
RAFI: Ik verbouw niet alleen gratis, ik betaal zelfs
bij, een halve ton voor een simpel
sneetje, wat heb ik te maken met de rare baarden
daar? PORTIA: Dat godsdienstwaanzinnige regime, dat de Holocaust
ontkent maar er wel graag één wil veroorzaken, vormt de
grootste bedreiging voor Israels voortbestaan sinds 1948, het werkt onverbloemd
aan een endlösung. BASSIANO: De Koran verbieden, ook in de moskee, een wild
idee misschien, maar... PORTIA: (onderbreekt) Maar in termen van Jodenhaat is de situatie
minstens even erg bij de Palestijnen. De extreme grofheid van de anti-joodse
hersenspoeling daar overtreft de bangste verwachtingen. De Joden zijn uit op de
vernietiging van de Islam, en moeten daarom zelf vernietigd worden. En al dat
lesmateriaal wordt door Europa zwaar gesubsidieerd, dus ook met jouw en mijn
belastinggeld. Ik weet niet of het waar is allemaal, maar is dat hoe jij de
wereld ziet? Ik probeer je te begrijpen. RAFI: Waarom zou jij dat willen, dat is wat ík niet
begrijp. PORTIA: Maar wat wil je dán horen? Zeg wat je wilt
horen, om ons te accepteren, en jezelf, als
mens! RAFI: Het vochtige geluidje, ruisend als scheurend
sigarettenpapier, van een mes in spieren, dát!
JESSICA: Papa, je bent walgelijk,
walgelijk. BASSIANO: ( de amateurpsycholoog gaat door)
Mensen, als ik iets zeggen mag, en ik weet het
zeker: Rafi meent het niet, dat hoor je aan de humor,
toch? (tot Rafi) Neem dat sneetje van net, (legt uit)
ayatollah's en Iran enzo, best geestig, en taalvaardig ook. Hé, kom op,
nu is het leuk geweest, you made your point.
RAFI: (over zijn mes) En staalvaardig ben ik ook.. staalvaardig, ook wel aardig,
toch? RAFI LACHT, HET LACHEN VERGAAT BASSIANO.
RAFI SNIJDT DE BROEK VAN ANTONIO KAPOT, HET VLEES
KOMT BLOOT BASSIANO: RAFI: ( honend, en totaal niet
bang) Als ik Antonio iets aandoe? Maar als ik hem een
broek aandoe? Of een luier, voor als hij het straks gaat laten
lopen? Dan ook? En wat valt er aan mij af te maken, ik
ben al eeuwen áf, een schrikbeeld gehouwen uit
graniet, niks meer aan doen, en niks meer aan te doen, ook
dat. RAFI LACHT BASSIANO TOE. DIE REAGEERT NIET MEER.
( naar Robert Fisk)
PORTIA: (tot Rafi) Je hebt gelijk. Laat me praten, en geloof dat ik
je gelijk geef. Waarom proberen wij de volkeren van het Midden Oosten op te
delen? Je hebt gelijk. Waarom proberen wij ze in stukjes te hakken, ze anders te
maken, ze te herinneren - voortdurend, op een veerraderlijke, valse, wrede
manier aan hun verdeeldheid aan hun wantrouwen, aan hun vermogen tot wederzijdse
haat? Jij hebt gelijk. Is het slechts ons gebruikelijke racisme? Of zit er iets
donkerders in onze westerse zielen? Jij hebt gelijk. Ben ik de enige die
misselijk wordt van onze neiging om sektarische landkaarten te publiceren? We
zijn intussen allemaal vertrouwd met het nieuwe kleurgecodeerde Irak. Sji'ieten
aan de onderkant, Soennieten in hun centrale driehoek en de Koerden in het
Noorden. Ik weet wat je bedoelt, ik kan het voelen. Of Libanon. Sji'ieten aan de
onderkant, iets naar het Noorden de Druzen, Soennieten in Sidon en in de
kuststrook ten zuiden van Beiroet... PORTIA: ....Soennieten en Christenen in de stad,
Christelijke maronieten verder naar het noorden, Soennieten in Tripoli, meer
Sji'ieten in het oosten. We deden hetzelfde in de Balkan. De Drina vallei in
Bosnië was Moslimgebied, tot de Serven het zuiverden. Sbrenica? Verwijder 'safe
Area' en plak er het beeldmerk Servisch op. Krajina? Servisch, tot de Kroaten
het innamen. Noemden wij ze Kroaten? Of 'Katholieken? BASSIANO: ( weet ook weer eens iets)
En in de godsdienst, wat een
waanideeën, maar steeds zijn er wel kwezels bij te
vinden om ze te zalven met een
bijbelspreuk, een etiket, geplakt op louter
kletskoek. PORTIA: Hou in godsnaam voor één keer je
kop! BASSIANO: (bijna huilend)
Ik doe het voor Antonio. Geen zonde zo stompzinnig
of er zet zich aan de buitenkant iets deugdzaams vast.
BASSIANO KRIJGT VAN EEN PORTIA EEN BEUK.
BASSIANO BARST IN HUILEN UIT EN KAN NIET
VERDER. ( naar Robert
Fisk) PORTIA: Rafi, ik zou een kaart van Amsterdam kunnen
tekenen, met daarop Moslim en Niet-Moslim, chinese stipjes in de
Nieuwmarktbuurt, een joodse enclave in Amsterdam-Zuid, Hindoestaanse eilandjes
in Zuid-Oost, dit alles inclusief een reeks van frontlinies tussen zwarte en
witte buurten. Van onze eigen samenlevingen tekenen we niet van dat soort
Hitleriaanse kaarten, dat zou onvergefelijk zijn, iets dat 'wij' niet doen in
onze dierbare, zorgvuldig bewaakte samenleving. Onze schuld in het grote
sectarische landkaartspel is overduidelijk. We willen de ander, 'zij', onze
potentiële vijanden, loskoppelen van elkaar, terwijl wij met onze verfijnde
multiculturele waarden onaantastbaar zijn. Dus we gaan door met het verdelen en
verknippen van landen. We gaan door met het drukken van meer van onze raciale
kaarten. Ik vraag mij serieus af of wij van plan zijn burgeroorlogen te blijven
bevorderen in het Midden Oosten. Wat denk jij? RAFI: Weet jij wat ik denk? PORTIA: Ja, dat wil ik weten. We vallen niet samen, maar
we moeten overlappen, op zijn minst ontmoeten wij elkaar aan een
gedeelde grens. Wij zijn mensen, ergens raken wij elkaar. Dat
moet. Wat is jouw analyse? RAFI: RAFI HEFT ZIJN MES. SLOTTEKST RAFI RAFI: ( nog dreigend met het mes)
Ze kwamen ons halen. Mannen van de Baath-partij.
De buurt was getuige, midden op de dag, dat was ook de
bedoeling. Een stoffige kazerne, een muur met verse
kogelgaten. "Wil je een blinddoek?" "Nee", zei ik, "ik wil jullie
zien, tot de laatste seconde". "Jood, jij weigert geen geschenken van een
vriend", zei de officier. Ik kreeg een vieze stoffen lap om mijn kop
gebonden, ik rook in mijn blinde donker het angstzweet
van duizend anonieme anderen, ik hoorde het
sloffen van vier, vijf soldaten, mijn speeksel smaakte naar metaal, ik weet het
nog. Doe je ogen dicht Antonio, doe godverdomme je ogen dicht, als een vriend dat
vraagt! Ik hoorde het heffen van de geweren, het
doorladen, ik piste in mijn broek, ijskoude pis, en toen
'klik'. Alleen maar klik. Gelach van de soldaten, verder niks. En het werd
licht. RAFI LAAT HET MES UIT ZIJN HAND VALLEN.
Kijk me aan Antonio. En zie die officier, je heer
en meester, breed lachend, als een vriend. Je walgt
van hem, maar moet hem dankbaar zijn. Rafi is nu jouw
vriend, je moet hem dankbaar zijn. Ik ben niet Shakespeare’s
Shylock, Rafi is de naam. Ik toon jou mijn zachtmoedigheid,
en je zult me erom gaan haten, vriend. Schiet die
kogel door je eigen kop, mijn zegen heb je, zet het mes
in jezelf en smijt je vlees in mijn gezicht. Dan ben je van me
af, maar dat kan je niet. Tot ziens in je dromen,
Antonio, ik zal nog vaak bij je zijn, mijn vriend. Tot
ziens. RAFI KUST ANTONIO EN GAAT. JESSICA (parallel met
Rafi): Het mooiste moet aan schoonheid leven geven, Hoewel je eigenlijk een sieraad bent, Verspil niet wat de wereld aan je gaf; print-vriendelijke versie |
![]() |
||
![]() |
||||