Toneel

De Arabier van Amsterdam, DNA 2007
20-12-2007

DE ARABIER VAN AMSTERDAM

 

Bewerking Justus van Oel, voor De Nieuw Amsterdam, met dramaturgische- en inhoudelijke bijdragen van Caspar Nieuwenhuis. Bronnen: Komrij's vertaling van de ' De Koopman van Venetië', 'De stad, het vuil en de dood', W.R. Fassbinder, essay van Robert Fisk, 'De Jood van Malta', Marlowe, 'Shylock, woekeraar', M. van Amerongen. Regie: Aram Adriaanse, met: Sabri Saad el Hamus, Hein van der Heijden, Raymi Sambo, Peggy-Jane de Schepper, Mirjam Stolwijk

 

 

De Deense schrijfster Karen Blixen ( Out of Africa) in gesprek met haar Somalische bediende Farah: "Wat!", zei hij. "Stond die jood niet op zijn recht?" "Wat kon hij anders doen?", vroeg ik. "Dat pond vlees mocht hij hebben, onder voorwaarde dat daarbij geen druppel bloed zou vloeien". "Memsahib,", zei Farah, " Hij had een mes moeten hanteren dat in het vuur was verhit. Dan was de operatie bloedeloos verlopen" ( geciteerd door Martin van Amerongen, in 'Shylock, woekeraar')

 

 

Shakespeare, de ogenschijnlijke antisemiet, had geen verstand van joden. Hij kende de soort slechts bij overlevering, als ingezetene van een natie die de joden reeds in 1290 had verdreven ( Martin van Amerongen, in 'Shylock, woekeraar')

 

 


 

PROLOOG

 

RAFI IN DUET MET SHAKESPEARE:

Venetie, handelsstad. Een paar eeuwen geleden.

Shylock, een door Shakespeare verzonnen jood,

leent veel geld aan koopman Antonio. Deze

Antonio wil als slim en integer christen

geen cent aan rente betalen, okay, zegt

Shylock, best, maar dan wil ík als borg en boete

een vers pond vlees, dat ik uit jouw lijf mag snijden,

indien ik mijn geld van jou niet tijdig terug ontvang.

 

Enfin, Antonio kan niet betalen, Shylock eist zijn vlees,

want een contract is een contract. Dan wordt Shylock aangepakt,

door Shakespeare feitelijk, met dubieuze juridische trucs.

 

Precies een pond moet Shylock snijden, precies!,

niet meer, maar ook geen milligram minder. Hoezo?

Shylock mag toch korting geven, mínder nemen?

Idioot. Er heeft nooit één Venetiaan bestaan die geen korting

wilde krijgen. En dan dat bloed! Shylock mag wel snijden,

Antonio heeft getekend bij zijn volle verstand,

maar het contract spreekt niet van bloed.

Dus, zegt sluwe rechter Shakespeare, bij bloedverlies

verliest Shylock alles wat hij heeft. Shylock geeft op,

en gaat failliet. Een jóód was Shylock, Shakespeare maakt hem ook

tot idioot. Hoezo bloedverlies? Een gloeiend mes maakt schone wonden,

met het snijden schroeit de hitte alle aders dicht,

er vloeit geen druppel bloed, dat Shylock daar destijds

toch niet is opgekomen, Shakespeare misgunt zijn

Joodse zondebok ook elke vorm van intellect.

Als een dom blind schaap loopt Shylock

in de val. Hij moet helemaal kapot. Waarom? 

 

Ik vroeg mij dat al af, in Bagdad, in de jaren tachtig,

ik studeerde Engels, in het Irak van de jonge Saddam.

Wij waren daar gebleven, mijn vader wilde dat,

hoewel wij joden waren. Ik ben een Joodse arabier,

Arabische Jood. Gewoon niet over praten, stilletjes bestaan,

niet slaan of schreeuwen als je werd getreiterd of beledigd,

incasseren. En dat deden we ook op ander gebied,

it's a deal, onze trots in ruil voor jouw contanten.

 

Mijn professor Engels in Irak was een man van het regime,

hij had mij herkend als Jood, op Shylock moest ik afstuderen,

als ik de eindstreep al mocht halen dan met maximale pijn,

door het stof, excuses maken namens een verzonnen Jood,

mijzelf bespugen, en mijn volk, voor grijnzende studenten.

 

RAFI:

Rafi is de naam, shoarmahandelaar te Amsterdam,

en ieder die het wil kan mij leren kennen. Aangenaam.

 

SCENE 1 ( IS BIJ HET SPELEN VERKNIPT EN IN BROKKEN TERECHT GEKOMEN IN HET GEHEEL, GA VOOR HET OVERZICHT VERDER MET SCENE 2)

 

PORTIA:
Is Antonio geen mens? Gevoed door hetzelfde voedsel, opengereten door dezelfde wapenen, onderworpen aan dezelfde kwalen, genezen door dezelfde middelen, verwarmd en verkild door één en dezelfde winter en zomer, een mens als jij? 

 

PORTIA ZIET RAFI DIE EEN STUK VLEES VAN ONGEVEER EEN POND BAKT.

 

PORTIA:

Wat bak je?

 

RAFI:
U wist wat ik van plan was, mevrouw de mensenvriend,

en bij Allah, Jahweh of God mag weten wie,

ik had gezworen te nemen wat er staat in mijn contract. 

 

PORTIA:

Wat bak je?

 

RAFI:
Varkensvlees.

 

PORTIA:

Varkensvlees?

 

RAFI:

Ik noem het varkensvlees en zal het voeren

aan het arrogante varken waaruit ik het,

volgens alle afspraken en regels,

vakbekwaam gesneden heb, geen druppel

bloed is er gevloeid, wat tranen hier en daar, meer niet.

 

PORTIA BESEFT DAT RAFI MENSENVLEES BAKT.

 

PORTIA:

Ben je nu tevreden, idioot? Heb je wat je wilt? En hoe voelt dat? Goed?

 

PORTIA TROOST ANTONIO, DIE VOOR ZICH UITSTAART IN VERBIJSTERING.

 

RAFI:
Ik studeerde Engels, in Bagdad in de jaren tachtig,

wij waren daar gebleven, mijn vader wilde dat,

en dat wij joden waren, of eigenlijk, geweest,

we wilden het liever niet weten, dat werd

ons stilzwijgend vergund, kwestie van relaties,

en niet slaan of schreeuwen als je werd bespuugd of of klappen kreeg,

incasseren, en dat deden we ook op ander gebied,

it's a deal, mijn trots in ruil voor jouw contanten,

wij waren goed genoeg voor Saddam en zijn barbaren,

zolang wij zwegen en met zaken zakken vulden,

in dat Bagdad ontmoette ik Shylock, Venetiaanse Jood die door

William Shakespeare,vertegenwoordiger van het beschaafde Westen,

aan stukken wordt gescheurd, met elke zin aan hem gewijd

wordt Shylock verder afgeschreven,

en naar het lijkt met veel genoegen,

mijn professor in Irak was een man van het regime,

hij had mij herkend als Jood, op Shylock moest ik afstuderen,

als ik de eindstreep al mocht halen dan met maximale pijn,

door het stof, excuses maken namens een verzonnen Jood,

mijzelf bespugen, en mijn volk, voor grijnzende studenten.

Antonio, hij tekende: geen geld, dan een pond vlees.

Ik ben niet Shakepeare's Shylock, sorry, Rafi is de naam,

dat is hoe ik me voel, tevreden niet, maar het voldoet.

 

PORTIA:

Ik wilde voor Antonio betalen,

de complete schuld, ter plekke afgelost,

met riante rente, het dubbele desnoods. 

wat ik ook wilde, jij hebt geweigerd,

was de straf voor mij bedoeld?

 

RAFI:
Hoezo, mevrouw?

 

PORTIA:

Jij kijkt me op een dag iets te doordringend aan, je pakt mijn heupen vast, met prinselijke blik keur jij mijn lijf, moet ik dan uit respekt me voor jouw voeten werpen, naakt en hijgend, nee, dat heb ik niet gedaan. Is mijn straf daarvoor dat ik Antonio niet redden mocht?

 


 

RAFI: (citeert zijn eerdere versierpoging:)

"Laat mijn huidskleur u niet doen schrikken,

het is het omberen insigne van de zon

die mij gewiegd heeft in haar lichte gloed".

 

PORTIA:

Altijd die gekrenkte trots, dat denken voor een ander.

Ik let niet op kleur, besmeur mij niet met je eigen vooroordeel.

 

RAFI:
"Breng mij de blankste jongen uit het Noorden,

waar Phoebus vuur de pegels maar half smelt,

(Phoebus, zo noemt William de zon)

dan halen wij, om u, ons lichaam open..."

 

PORTIA:

Jij bent ziek, totaal ziek....

 

RAFI:
"Dan halen wij om u ons lichaam open

zodat u ziet wiens bloed het roodste is.

Geloof me, dame, heel wat helden hebben

gesidderd voor dit aangezicht - ik zweer u:

geen jonge vrouw van aanzien in mijn rijk

zou het versmaden.." 

 

PORTIA:

Een wolf ben jij, een nietsontziende menseneter.

 

RAFI:

Haat is menselijk, precies zo menselijk als liefde.

 

JESSICA KOMT OP

 

RAFI:

Mijn dochter, stiekem aan de haal gegaan

met een wanbetaler, een hypocriete dief,

je mag hem hebben, schat, hij heeft betaald.

 

JESSICA:

Hij is geweldig, pa, hij liet dit toe

omdat hij werkelijk rechtschapen is,

zijn pijn zou nu de jouwe moeten zijn,

hij toonde mij de ware aard

van een verraderlijke vader, door haat verrot,

die liefde kent noch waardigheid, alleen zijn trots,

zo zachtaardig is Antonio voor mij dat

ik de hemel hier op aarde al beleef,

smeek hem om genade, verleent hij het,

zal ik u wellicht nog "vader" noemen, ooit.

 

RAFI:

Een contract is een contract, het vonnis is voltrokken,

en ik weet: jij zult jouw vader niet vergeten, nooit,

genoemd of ongenoemd, ik zal in jou bestaan.

 

BASSIANO:

Vervloekt jij, misselijke hond, wie spreekt

van recht, zolang jouw soort nog leeft? Door jou

ga ik nog twijfelen aan mijn verstand,

om met de Hindoes te beweren dat

de ziel van beesten na hun dood verhuist

naar mensenlichamen, jouw hondse geest

bewoonde eens een wolf, voor mensenmoord

gehangen; rechtstreeks van de galg vloog toen

zijn snode ziel, naar jou: terwijl jij nog

in de buik zat van je goddeloze moer,

werd jij een wolvenzoon -  met een genadeloze neus

voor bloed van zwakkeren, onmens, monster!

 

RAFI:
Men kan beter onrecht ondergaan, dan zelf de dader zijn,

wie zijn leed aanvaard verspreid daarmee beschaving.

Toch? Toch? Dat is toch waar, niet waar?

Ik heb u bespaard dat u mij onrecht deed,

door mij als dader te ontpoppen, een offer

mijnerzijds, koester uw wonden,

bewijs van uw onschuld, u zit goed,

ik heb afgemaakt wat eeuwen eerder is begonnen,

vergeef het me, maar iemand moest het doen.

 

SHAKESPEARE ( dubbel PORTIA):

Contract is een contract, hij wilde niets horen,

hij eiste wat in het contract stond, contract

contract contract contract. Laat maar gaan,

ik loop hem niet meer na, ik smeekte tevergeefs,

hij heeft zijn vlees. Eeuwen ellende

over uw hoofden uitgestort, al het oude vuil,

het is uit de hand gelopen, deze rancuneuze hond

had beet, ik kon het bot niet uit zijn kaken rukken,

wij leven in tijden, blijkbaar, waar geen genade meer geldt. 

Voel u niet schuldig, mij moest hij hebben, mij.

Hij waant zich winnaar nu, maar staat met lege handen,

onsterfelijk was Shylock, maar uitsluitend als verliezer,

nu staat hij buiten het bestaan, maar vindt ook daar geen vrede.

 

EEN LACH VAN RAFI: HIJ GELOOFT ER NIETS VAN


 

SCENE 2, FLASHBACK, TERUG NAAR HET BEGIN

 

RAFI, ANTONIO, BASSIANO

 

ANTONIO DOET ZIJN VERBAND AF, STAAT OP UIT ZIJN ROLSTOEL,

DIOET EEN BROEK AAN, IS WEER 'HEEL'.

 

BASSIANO: (tot Antonio)

Het is gemakkelijk verdiend, maar is het kosher?

 

ANTONIO:
Hasj, ze hebben mij verzekerd: hasj, geen cocaïne.

Hasj is in orde, toch, in coffeeshops

is het te koop, dan moet het hier ook kunnen kómen.

Drie transporten zijn op zee, je koopt je in,

en komt het aan, dan krijg je dubbel uitgekeerd.

 

RAFI:

Salam. Is mijn dochter hier?

 

BASSIANO:

Nee, buurman...

 

ANTONIO:
Ook goeiemorgen. Alles goed, buurman?

 

RAFI:
Huisbaas. De brief nog niet gelezen?

 

ANTONIO:
Buurman, toch? En welke brief?

 

RAFI:

Ik heb dit blok gekocht. Over een jaar verlopen alle huurcontracten. Er zal dan een aanpassing plaatsvinden van de huur. Dat u het weet, heren.

 

ANTONIO:
Die huur is, dunkt me, nu al hoog genoeg.

 

RAFI:
Winst is een zegen, als je haar niet steelt.

 

BASSIANO:
Zelf heb je jarenlang geklaagd over de lasten hier.

 

 

RAFI:

Maar niet meer nu ik ze zelf ga incasseren.

Dat zult u als collega-ondernemers toch begrijpen.

 

ANTONIO:

De duivel zelf beroept zich op de schrift,

och wat kan een gemene ziel mooi klinken.

 

RAFI:

Buurman Antonio, hoe menigmaal

hebt u mij waar ik zelf bij was gehoond,

gelachen om mijn lange uren boven de frituur,

ik haalde daar mijn schouders over op

en duldde het, omdat ik op mijn zaken let,

dus mijn dochter is niet hier?

 

ANTONIO:
Nee niet, zoals je ziet.

 

RAFI WERPT ANTONIO EEN ONDERZOEKENDE BLIK TOE.

 

BASSIANO:

Rafi, vriend, waar komt dat geld vandaan, waarmee je

toch nog onverwacht van fallaffel naar het vastgoed bent geklommen?

 

RAFI:

Ik heb straks drie solide huurders, en voor de juiste prijs,

maakt u zich vooral geen zorgen, niet over mij, althans.

 

RAFI AF

 

(Uit: Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood)

 

SCENE 3

 

BASSIANO EN ANTONIO

 

BASSANIO

Klopt het dat hij een lul heeft zo lang en zo dik als een fles?

 

ANTONIO (lachend)

Daar zou ik je geen definitief uitsluitsel over kunnen geven. Ik heb hem maar één keer gezien, toen hij stond te pissen. Want…ook arabieren moeten pissen. En wat ik toen zag was niet zo erg indrukwekkend, denk ik.

 

BASSANIO

Denk ik.

ANTONIO

Maar…het is bekend dat er met lullen wonderen gebeuren.

 

(Einde citaat Fassbinder)

 

BASSIANO: (tot Antonio)
Hoe komt die prutser aan dat geld? Arabiertje bluft, hij heeft het niet.

Zoveel wordt er niet verdiend in de oosterse frituur,

of met kamertjes tot aan de nok gevuld met verse illegalen,

of met partijtjes namaak-Nikes voor op de markt. Bluf.

 

ANTONIO:
Wie weet. Misschien heeft hij mijn trucje afgekeken.

 

BASSIANO:
Als hij echt de huisbaas is, en hij komt met wurgcontract?

 

ANTONIO:

Wij zijn het leven, het geld van deze straat, wij!

wurgt hij ons en onze zaken, dan hangt de man ook zelf,

gelul, hij kan niet zonder ons, ik ga voor huurverláging.

 

BASSIANO IS VOOR NU GERUSTGESTELD.

 

ANTONIO:

Anyway, drie transporten dus op zee, op dit moment.

Wordt het onderschept, dan heb je pech,

maar met drie paarden in de race maak ik me geen zorgen.

In drie containers komt straks mijn pensioen aan land.


 

BASSIANO:
Je dromen rijden op de golven. Al je galjoenen varen

daar met statig zeil als rijke burgers van de oceaan en

kijken trots paraderend neer op de bescheiden koopmansschuitjes

die beleefd en onderdanig knikken als ze voorbijzwieren op hun geweven vleugels. 

 

ANTONIO:
De eerste keer heeft deze jongen trouwens twee uit drie gescoord.

 

BASSIANO:

Geloof me, ik had met zo'n expeditie op zee, behalve hoop,

ook al mijn mooie gedachten meegestuurd. De hele dag had ik,

om maar te weten waar de wind zat, gras zitten plukken,

snuffelend in kaarten naar havens, pieren, ankerplaatsen,

alles wat er slecht uitzag voor mijn expeditie

had me subiet met somberheid vervuld, ik blies niet eens meer in mijn soep,

zo bang was ik voor wind geworden. Voor hoeveel zit je erin?

 

ANTONIO:

Vijftigduizend.. wat kijk je somber.


 

SCENE 4

 

BASSIANO EN PORTIA

 

BASSIANO:

Zal ik je met een zomerdag vergelijken?

Veel zachter en veel zonniger ben jij.. eh..

 

PORTIA KIJKT BASSIANO AAN, DIE KAN NIET VERDER,

 

DE ENGELSE VERSIE WEET BASSIANO NOG WEL, DENKT HIJ

 

BASSIANO:

Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and… eh..

 

BASSIANO GEEFT HET OP, GAAT VERDER MET ZIJN EIGEN WOORDEN.

 

BASSIANO:

De schoonheid, wordt die niet per ons verkocht?

En maakt die haar die er het meest van draagt

niet- een mirakel der natuur, het lichtst?

 

PORTIA:

..more temperate!

 

BASSIANO KIJKT VRAGEND.

 

PORTIA:

Thou art more lovely and more temperate....

 

AHA! BASSIANO KAN VERDER, DENKT HIJ.

 

BASSIANO:

Thou art more lovely and more temperate.

Rough winds do shake the darling buds of May
And… eh..

 

PORTIA: (korte metten

De sier is het verraderlijke strand

van een gemene zee, de blanke sluier over

een negerin, om kort te gaan,

de schijnwaarheid waarin een sluwe tijd

zelfs de verstandigsten weet te verstrikken.

 

 

 

BASSIANO: (gaat dan maar mee met Portia)

Ja, wat het oog ziet is bedriegelijk,

wat laat de wereld zich door schijn misleiden.

Rough winds do shake the darling buds of May
And summer's lease hath all too short a date… eh..

 

PORTIA AF

 


 

SCENE 5

 

ANTONIO EN BASSIANO

 

BASSIANO:

t Is je niet onbekend, Antonio, hoe ik mijn middelen

heb uitgeput door in een grootsere stijl te leven

dan mijn bescheiden kapitaal mij toestond.

 

ANTONIO:

Je bent vooral te gul geweest voor je ex,

daarop ben je leeggelopen. Zo luxe leef jij niet.

 

BASSIANO:
Ik wil van mijn schulden af, de bank geeft geen gehoor.

ik hunker naar een verse start, éven zonder zorgen.

 

ANTONIO:

Met een dame mij bekend. Portia, nietwaar?

 

BASSIANO:
Ik zeg niks, het moet nog groeien.

 

 


 

SCENE 6

 

PORTIA EN BASSIANO

 

BASSANIO: (mompelend, repeteert)

Te snel weer moet de tijd van zomer wijken;

De wind striemt soms de bloesems al in mei.

Het hemeloog kan soms verblindend zijn,

En dikwijls is zijn schijn van korte duur..

 

BASSIANO ZIET PORTIA

 

BASSIANO: ( tot Portia)
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm’d,
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course untrimm’d;

Dus!: te snel weer moet de tijd van zomer wijken..

 

PORTIA (tot Bassiano):

Ah, tienmaal sneller vliegen Venus' duiven

om nieuwe liefdesbanden aan te knopen

dan ze een al gemaakte knoop hernieuwen.

Zo gaat dat. Wie staat ooit van tafel op

en is zo gulzig als toen hij ging zitten?

Waar is het paard dat met hetzelfde vuur

dezelfde motoriek een weg terugdraaft

die hij al eens een keer heeft afgelegd?

Het jagen prikkelt meer dan het bezit.

 

BASSIANO

In de liefde zie ik zielsverwanten die

gezamenlijk optrekken, alles delen,

wier ziel één juk van ware liefde torst,

samen in volmaakte harmonie van geest.

 

PORTIA:

Zijn dat de dure lessen die je ex je heeft geleerd?

 

BASSIANO:

Het begon met passie, kloppend bloed

Zo zeilt de boot de thuisbaai uit, de wimpel

in top, en hij keert weer, de spanten aangevreten

het zeil aan flarden, naakt, één ribbenkast,

hem plukte en plunderde de wind, die hoer!

 

PORTIA:

Zwijgen past je: een man die alles waagt

doet dat alleen omdat hij winst verwacht

een gouden geest doet voor aards slijk geen knieval.

Zij was de moeite waard.

 

BASSIANO:
Ik eet mijn woorden op,

zij liet me roekoekoeën tot het zweet

me uitbrak, liefdeseden zweren tot

het stof van mijn verhemelte omlaag viel,

na alle pijn die ene troost: dat ik ware schoonheid herken.

 

PORTIA: (ironisch)

Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate.

 


 

SCENE 7

 

ANTONIO EN BASSIANO

 

ANTONIO: ( tot Bassiano)

Jawel, met collega Portia, geef toe.

 

BASSIANO:
Jaja..

 

ANTONIO:

In stad en land weerklinkt haar naam, want elke wind

voert, van de verste kusten vermaarde minnaars aan.

De prins, de advocaat, de kunstenaar, 's nachts staren

ze naar het plafond, en zien haar beeltenis, "Oh Portia",

haar zonnig haar golft om haar slapen als een gulden vlies.

en ze is verdomd succesvol. Loaded, en lekker bovendien.

 

BASSIANO:
Ja, ja, Portia.... ik moet eerst de grootste gaten dichten,

een stapel blauwe brieven weg zien werken,

als ik niet vlot betaal dan volgt er een beslag,

ik wil niet voor haar staan als man met gaten in zijn handen,

gekruisigd door zijn ex en de belastingdienst,

mijn zorgen zijn mij aan te zien, een vrouw voelt

zoiets aan, mij remt het ook, ik vindt geen goede woorden,

ik heb mijn mooie prooi in het vizier, maar als ik schieten wil,

dan denk ik: ik verdien haar niet, niet zo,

eerst weer bodem in mijn financieel bestaan,

ik ben mij mijzelf nu niet, ik hoopte dat jij helpen kon, helaas.

 

ANTONIO:
Ga naar de bron, laat Rafi jou helpen, die nieuwe rijke,

die heeft zat en wil het laten blijken. Leen het geld, van hem.

 

BASSIANO:

Dan zit ik dubbel aan hem vast. Buurman, huisbaas

én mijn huisbankier. Hoe vecht ik tegen huurverhoging,

als hij in mijn zakken kijken kan, door hemzelf zojuist gevuld?  

 

ANTONIO:

Ja, jij zit dan dubbel aan hem vast, maar hij dus ook aan jou.

Als hij de huur verhoogt, ga jij failliet,

kan hij zijn lening ook gerust vergeten, dan snijdt hij in zijn eigen vlees!,

Maak jouw probleem het zijne, samen blijf je drijven,

of samen zink je naar de bodem. Maar wie wil dat?

 

BASSIANO: ( gelooft er niets van)

En dát vertel ik hem, en hij geeft mij mijn vijftig mille,

onze sociaal vaardige en sympathieke arabier? 

 

ANTONIO:
Wees niet bang, ik regel het, én ik ben de borg,

vriend, alleen al door het delen van jouw zorgen

voel ik me rijk, het geld is bijzaak, zie het zó,

ik zal hem met plezier bespelen, die boze kleine man

met blijkbaar teveel geld, en wat wil hij daarmee kopen?

Aanzien, status, macht. Beschouw je niet

als schuldenaar, maar als betaalde onderdaan, aangeschaft

voor vijftig mille, door de sultan van de straat.

 

BASSIANO:
Maar heeft die Arabier echt geld?

 

ANTONIO:
Ook dat onderzoek is boeiend, toch?

Dit was onze straat. Toen arriveerde Rafi, een

Irakese Arabier, hij startte een shoarmatent,

wat op zijn zachtst gezegd niet strookt met het karakter van de buurt,

falaffel en frituur trekt niet klanten aan met diepe interesse

in serieuze zaken. Eerst eens graven naar zijn geld,

als er meer vuil is zal dat volgen. En Rafi ligt eruit.

 

(Uit: Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood)

 

BASSANIO:

Vlooien! Allemaal kleine zwarte vlooien. De stad zucht onder de vlooien. Zij kreunt en siddert. De vlooien worden tot een plaag. Net zolang tot plaag tot de stad van de vlooien heeft leren genieten.

 

( einde citaat)

 


 

SCENE 8

 

JESSICA EN PORTIA

 

PORTIA:

Geloof me, Jessica, aan mannen geen gebrek,

meer dan genoeg, nog eerder: veel te veel.

 

JESSICA:
Je ziet het vaker: zij die in teveel zwelgen

zijn al net zo ongelukkig als zij die omkomen door gebrek.

Nee, je treft het niet als je door een van de twee wordt getroffen:

de overdaad krijgt eerder grijze haren, maar kalmpjes-aan leeft langer.

 

PORTIA:
Het verstand kan wel wetten bedenken voor het hart,

maar een verhit gemoed springt over de kille regel heen.

Zo'n haas is de dolle jeugd die over de netten heenwipt

van de goede raad, die kreupele baas.

 

JESSICA:

Maar wat was er mis met bijvoorbeeld de Prins,

die bijnaam is van mij, die wat dikke blonde man?

 

PORTIA:

Het spaarvarken, mijn bijnaam, hij sprak over niets anders dan zijn geld,

en achtte het een groot pluspunt is zijn toch al niet geringe arsenaal van talenten

dat hij het zelf beleggen kon.

 

JESSICA:

Ik ben een beetje bang dat mevrouw zijn moeder

in zijn jonge jaren te zuinig met het zakgeld was.

Dan hebben we de hoogbegaafde advocaat, of heeft die afgehaakt?

 

PORTIA:

Die kijkt aan één stuk door zuur, alsof hij zeggen wil:

als je me niet wilt hebben, je weet niet wat je mist..

hij hoort zonder een spier te vertrekken de dolzinnigste verhalen aan.

Als hij oud wordt, dan wordt hij nog eens de Wenende Filosoof,

ben ik bang, als hij nu al, in zijn jeugd, zó'n bord heeft voor zijn kop.

 

JESSICA:
Dan hebben we de kunstenaar. Zet die jongen zoden aan de dijk?

 

PORTIA:

Dat spreekt voor zichzelf, jawel, vul rustig in, ik luister.

JESSICA:

Ik vel geen oordeel in de liefde, jij bent ouder,

een ervaren vrouw, ik vertrouw mij zelf nog niet

in zaken van het hart, jij zei mee eens:

denk met je gevoel, en voel met je verstand,

en je zult vinden wat je zoekt. Jij leek gelukkig

met je kunstenaar. Een wat aparte man, dat wel.

 

PORTIA:

Kom kom, je mocht hem niet, ik las het in je ogen.

 

JESSICA:

Hij was van binnen donker, en na de middag dronken.

Heel gruwelijk in de morgen als hij nuchter was, en nog veel gruwelijker

tegen de avond als hij zich heeft volgegoten.

 

PORTIA:
Heb ik zoveel over hem geklaagd?

 

JESSICA:

Ik had met je te doen. Als hij op zijn best was,

was hij nog altijd iets minder dan een mens, en als hij op zijn slechtst was,

het is gewoon te erg, ach schat, het was je niet vergund,

en daarna meldde zich mijn vader, met armzalige avances

Portia, nogmaals, ik schaam me diep daarover.

 

PORTIA:
Ach, liefde is blind en wie verliefd is, 

schiet ongerichte pijlen, ziet missers niet,

wie zelf zo is geraakt, waant zich totaal

trefzeker. Ik vergeef het hem, geen punt.

 

JESSICA:

Doe je dat voor mij? Want hij verdient het niet,

hij koestert zijn wrok, voedt nog dagelijks zijn woede

met verwijten over blanke wijven, die voelen zich

te goed voor hem, mijn vader kan vergeten noch vergeven.

 

PORTIA:

Uiteindelijk wint het verstand.

 

JESSICA:

Je kunt nog beter op het strand

de vloed staan smeken dat hij eb wordt

Je kunt nog beter aan de aan de wolf wijsmaken

dat hij geen schaap laat blaten om haar lam.

PORTIA:

Zo hopeloos kán het niet zijn, een moeilijk mens, meer niet.

 

JESSICA:

Je kunt nog beter alle bergcypressen

opdragen stil te staan en niet te wuiven

wanneer het noodweer om hun toppen loeit.

Je kan het zwaarste, het ergste beter doen

dan iets verwachten van - het is erg om te zeggen-

zijn boze kille hart. Maar genoeg over mijn vader.

 

PORTIA:

Ja, inderdaad. Gun jezelf wat adem,

ik pleit voor luchtigheid, over naar hartstochtelijke zaken.

 

JESSICA:
Dan zeg ik: Bassiano.

 

PORTIA:

Heeft zich kandidaat gesteld. Goed onderzoek. Bravo!

 

JESSICA:

Zonnig, geen drinker, kan stralen, klinkt al beter.

 

PORTIA:

Alleen waar leegte is, komt licht.

 

JESSICA: (positief bedoeld)

En niet zo gewichtig als die prins.

 

PORTIA:

Hoe minder er aan boord is, des te sneller vaart het schip,

hoog boven het water, elegant, maar door gebrek aan lading.

 

JESSICA:

Bassiano is charmant, maar daarom nog niet dom,

zijn zachtheid is geen zwaktebod, hij is zonder angst zichzelf.

 

PORTIA:
Maar over jou. Ik zeg: Antonio.

 

JESSICA:

Antonio? Zeg mijn pa daarover niets. Rafi

zou geen nacht meer slapen, uit angst

dat ik geschaakt zou worden, met medeneming

van een erfenis van goud, geld en beton...

JESSICA:

...Dat ik niet in zijn dienst falaffel wens te bakken,

was een aanslag op zijn waardigheid,

dat ik geen jodin meer wilde zijn, maar mens onder de mensen,

dat sloeg een krater in zijn ziel. Ik heb de stam verraden.

 

PORTIA:

Pardon, ben jij een jodin? Jij was toch arabisch?

 

JESSICA:

Arabieren zijn verkrijgbaar in meer smaken,

ook als Katholiek of Maroniet, in Libanon,

Men levert ons in Grieks- of Syrisch orthodox,

zoals Tariq Aziz, de dienaar van Saddam,

en soms zijn we ook joods, de Sefardiem,

en om jouw verwarring verder te volmaken,

geen Arabier woont in Arabië, op de Saudi's na,

raar, niet iedereen die Engels spreekt heet Engelsman,

niet al wat vliegt wordt vlieg genoemd, of vogel,

maar wie Arabisch spreekt is Arabier, dus ook de Joden daar.

 

PORTIA:

Goh. Joh. Nou. Maar Antonio?

 

JESSICA:

Antonio is iets voor ooit, een droom, een troost,

beeld van wat het worden kan, vergeet het,  

maar hoe het verder moet met jou,

ik weet het wel. Wat is er mis met Bassiano?

 

PORTIA:
Niets. Jawel, hij is een twijfelaar. Zacht,

maar ook, hoe zal ik het zeggen, lapzwansachtig,

"Shall I compare thee to a eh eh…summer's day?
Thou art more lovely and eh eh… more temperate" 

Hij ziet in mij zijn hemel, maar zoekt juist grond om op te staan,

zijn blik zoekt houvast in mijn ogen, pas door mij ziet hij zichzelf.

 

JESSICA:

Verlegenheid. Hij wacht op zijn moment.

 

PORTIA:
De tijd zal het bewijzen.

 

JESSICA:
Nee, Bassiano zelf.


 

SCENE 9

 

RAFI EN ANTONIO (JESSICA)

 

ANTONIO ( tot Rafi):

Collega, huisbaas, buurman, vriend,

de winkel zelf is wat de waarde van elk winkelpand bepaalt,

onze klanten, onze kassa's vullen straks jouw zakken,

als huisjesmelker melk je klanten van een ander, toch?

hoe meer klanten dus hoe beter, en daarin gaan wij investeren. Wij.

 

RAFI:
Wij?

 

ANTONIO:
Leen mij vijftigduizend, voor restyling, reclame, marketing,

ik zet dit straatje nog nadrukkelijker op de kaart,

en na drie maanden alles terug, de volle som.

 

RAFI:
Plus rente.

 

ANTONIO:

Zo doen wij dat hier niet, als concullega's.

 

RAFI:

Winst is een zegen, als je haar niet steelt.

 

ANTONIO:

We zullen zien. Heb jij een halve ton?

 

RAFI:
Antonio, jij komt bij mij en zegt:

Buurman, ik wil jouw centen, dat zeg jij,

jij, die mijn handeltje te min vond voor jouw straat,

met een blik als naar een hond die jouw winkelpui bepist,

hebben honden geld? Heeft wat eet uit vuilnisbakken

een halve ton in huis? Eh? Of moet

ik, staart tussen mijn benen, jou

je handen likken, je pootjes geven,

en dankbaar mededelen: nagetrapt of niet,

als dank voor alle roddelpraat en slecht gekozen moppen,

hier, alstublieft meneer, geen vragen en geen rente? 


 

ANTONIO:

Hoe moet ik jou dan noemen? Een vriend?

Als je dat geld wilt lenen, leen het ons dan níet

alsof we vrienden zijn. Dit zijn duidelijke zaken:

ik sta voor de toekomst van de straat, jij niet?

Verkoop die panden aan de maffia, mij best,

leen je geld voor bloedhondentarief aan witwasondernemers,

en als ze niet betalen, laat de Joego's op ze los.

Of wij gaan samen verder, dat hoeft niet hand in hand,

maar zie wat ons verbindt, en profiteer ervan. 

 

RAFI:

Wou ik niet vrienden zijn? En u genegen?

Wou ik uw smaad, uw spotten niet vergeten?

Wou ik niet helpen, zonder maar een duit

te rekenen aan rente? U luistert niet, het was toch goed bedoeld?

 

ANTONIO:
Jawel, jawel. Dus geen rente?

 

RAFI:

Eerst: wat is de borg?

 

ANTONIO:

Vertrouwen.

 

RAFI:
Vertrouwen, maar waarin?

 

ANTONIO:
In mijn zakelijk instinct, dat deze straat getild heeft naar het huidige niveau.

 

RAFI:

Waarom is het er nu niet, dat geld, en wel drie maanden later?

 

ANTONIO:
Dat zijn mijn zaken, en ze lopen goed, geloof me.

 

RAFI:

Ik wens u een behouden vaart, zolang het vaart vaart alles wel,

en ziet u welvaart aan de horizon, mijn vriend, ik zie die ook.

 

ANTONIO:

Waar doel je op?

 

RAFI:
De zee geeft boter bij de vis, tenzij de vis gevangen wordt,

Ik luister graag naar roddelpraat, Antonio,

zolang het geld zich vlijtig voortplant, noem het huur of rente,

premie voor gelopen risico, ik stel jou geen vragen, it's a deal.

 

ANTONIO:

Dus geen rente?

 

RAFI:

Heb ik dat gezegd?

 

ANTONIO:

Geen rente, een oprechte vriendendienst, zeer menselijk.

 

RAFI:
Wenselijk, voor wie?

 

ANTONIO:

Nee, menselijk, en als dat woord je niet bevalt:

het getuigt van veel gezond verstand, dit is gezamenlijk belang.

 

(Uit/naar: Marlowe, De jood van Malta)

 

RAFI

Wilt u vreemdelingen belasten met uw tol?

Rente niet betaald, is rente niet ontvangen,

de bank zou het me geven, en zelfs graag,

Wel de lusten van het lenen, niet de lasten, die draag ík.

 

ANTONIO

Hebben vreemdelingen zich niet bij ons verrijkt?

Dan moeten zij, net zoals wij, tol betalen.

 

RAFI

Hoe? In gelijke mate?

 

ANTONIO

Nee arabier, als heidenen. Want het is omdat wij jullie hatelijk bestaan dat vervloekt is in het oog van de hemel hebben geduld; dat deze tol, deze beproeving, over ons is gedaald.

 

(einde citaat Marlowe)

 

JESSICA KOMT VOORBIJ LOPEN. ANTONIO STAART HAAR NA.

 

JESSICA KNIPOOGT NAAR ANTONIO. RAFI ZIET DAT EN BESEFT WAT ER AAN DE HAND IS.

SCENE 10

 

RAFI, ANTONIO, BASSIANO

 

RAFI: (tot Antonio)
Dus dit is het contract: heb ik het bedrag

niet binnen de gestelde tijd terug,

en de rente schenk ik u, uit vriendschap snijd ik mij

gevoelig in het eigen vlees, maar als u te laat

betaalt, dus als het kwartaal verstreken is,

betaalt u passend boete: een vol pond van uw blanke vlees,

het komt er vast niet van, maar met mijn mes

verlos ik u van al uw schulden, dat kost een pond,

te nemen van een lichaamsdeel, dat ik nog zal bepalen.

 

ANTONIO MOET LACHEN, KAN DIT NIET SERIEUS NEMEN.

 

ANTONIO VOELT AAN ZIJN BROEK, 'WEEGT' ZIJN PENIS

 

ANTONIO:

Nee, die is minder dan een pond, godzijdank

ben ik niet te zwaar geschapen, een onverwacht geluk.

 

BASSIANO LACHT MEE.

 

RAFI:
Mijnheer, de klant is koning, dat is waar, maar

als vakman in het vlees raad ik u aan: een been.

 

ANTONIO:

Heel goed. Snij uit mijn been, mijn linker liefst,

anders wordt het moord, en betaal ik ongepast.

 

BASSIANO BESLUIT HET TOCH SERIEUS TE NEMEN.

 

BASSIANO:

Nee, zo'n contract teken je niet voor mij,

dan blijf ik liever om het geld verlegen.

 

RAFI:

Het is voor jou, een vriendendienst? Wat lief!

Antonio, jij stiekemerd, jij bent de borg,

hij heeft geen poot om op te staan, zijn zaakje draait verlies,

maar jij helpt hem weer op de been, jij vertrouwt

jouw vriend, komt met het volle pond, chapeau!

 

RAFI KNIJPT IN HET LINKERBEEN VAN ANTONIO

 

ANTONIO:

Beste eeuwig boze buurman, jij stelt jezelf hiermee voorgoed

buiten de beschaving, een oprechte kennismaking waar

het toch een keer van komen moest. Ondanks alles: aangenaam.

 

RAFI WEIGERT DE HAND VAN ANTONIO.

 

RAFI AF.


 

SCENE 11

 

ANTONIO, BASSIANO, RAFI, JESSICA

 

BASSANIO:

Dat been! Dat been!

 

ANTONIO:

Nee, geen probleem. Hij lult maar wat.

 

BASSIANO:

Die vent is gek, maar niet gevaarlijk,

maar dat been, ik wist opeens: dat been heeft een geschiedenis.

 

ANTONIO:
Ja, ik ben er mee geboren, als je dat bedoelt.

 

BASSIANO

Shylock is niet dood, hij leeft, het is ongelofelijk.

 

RAFI:

Wie, pardon?

 

BASSIANO:
Shylock! Shylock! Shylock! Shylock! (roept Rafi)

 

RAFI OP.

 

RAFI:
Heeft u mij geroepen, meester? Heeft u de jood in mij herkend?

 

BASSIANO:
Nee, maar wel een zeer bekend verhaal, jij kent het ook.   

 

RAFI:
En ik ben joods!

 

BASSIANO:
Nee, jij bent arabier. Kom op.

 

RAFI:

Jessica! Jessica! Versje doen! Nu!

 

JESSICA VERSCHIJNT. ALS EEN KLEIN MEISJE OP EEN FEEST VOOR VOLWASSENEN ZING-ZEGT ZE EEN BEKENDE TEKST.

 

JESSICA:

Arabieren zijn verkrijgbaar in meer smaken,

als Libanese Katholiek of Maroniet,

ook levert men ons arabieren soms

in Grieks- of Syrisch orthodox,

zoals Tariq Aziz, de dienaar van Saddam,

en soms zijn we ook joods, de Sefardiem,

en soms zijn we ook joods, de Sefardiem!

 

JESSICA MAAKT EEN KODDIG BUIGINKJE EN GAAT.

 

RAFI:

Dank je, schat

 

JESSICA AF

 

ANTONIO:

Goh. Joh. 

 

BASSIANO:
Nou. Jee. Ben je dan ook twee keer besneden?

 

ANTONIO:
Dat doet wel zeer, de tweede keer, dan nemen ze de achterhuid.

 

BASSANIO EN ANTONIO LACHEN

 

BASSIANO:

Wat moeten we nou tegen je zeggen? 'shaloom', of 'salam'?

 

ANTONIO:

'Inshallah' of 'inshaloom'?

 

RAFI DOET VRIENDELIJK OF HIJ HET LEUK VINDT.

 

ANTONIO VOELT ZICH AANGEMOEDIGD.

 

ANTONIO: (tot Bassiano)
De joden en de arabieren, ze hebben allebei iets tegen varkens,

dat is algemeen bekend, maar weet jij ook waarom?

 

BASSIANO:

Nee.


 

ANTONIO:

Eten wij apen? Natuurlijk niet, daar stammen wij van af.

Dus waarom eten zij geen varkens?

 

BASSIANO SNAPT HEM EN LACHT

 

ANTONIO: (tot Rafi)

Het is maar een mop, he?

Hou me ten goede, ik heb niets tegen wie dan ook,

ik keur mensen niet op kleur of op hun voorgeslacht.

 

RAFI:
Dan heeft u zich knap behoedt voor een naargeestige gewoonte.

 

BASSIANO:

Rafi, serieus, dat been, dat meen je toch niet,

jij weet wie Shylock was, schepping van Shakespeare,

hij zag af van de contanten, hij stond op zijn pondje vlees,

maar bleef toen lelijk zitten met de brokken,

verpletterd door het recht, gefileerd tot op het bot,

je maakt jezelf kapot, pas op, zo zal het gaan,

 

( citaat uit: Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood)

 

RAFI:

Vlooien! Allemaal kleine zwarte vlooien. De stad zucht onder de vlooien.

Zij kreunt en siddert. De vlooien worden tot een plaag.

Net zolang tot de stad van de vlooien heeft leren genieten.

Die Shylock, hij beviel me niet, in Bagdad al,

een eeuwige verliezer, zeker niet mijn type.

 

ANTONIO:
Irrelevant, beste boze buurman, ik betaal op tijd,

al in een maand of twee, een ruime maand

voor de termijn verstrijkt, komt de zilvervloot

naar Amsterdam, het geld is zeker.

 

BASSIANO: (tot Rafi)

Vergeet je boete, wij betalen, of jij dat jammer vindt of niet,

wij bewaken jouw eer, waar jíj blijkbaar niet aan hecht,

en die mislukte grap van jou, kan iedereen gebeuren.

 

RAFI:
Een grap? Heb ik een grap gemaakt? Wanneer?


 

ANTONIO:
Jouw geld zal liefde laten bloeien, al koester jij de haat,

zorgen verdwijnen dankzij jou, als bij toverslag,

jij doet goed en ziet niet om, en dat zal je lonen,

jouw ziel zal daglicht zien, de zon jouw hart ontdooien,

jij wilt geen vlees, jij wilt respect. Terecht. Je hebt het onze.

Of zet jij het mes, in iemand die zijn vrienden helpt,

die kan vergeten en vergeven, dat zojuist zelfs heeft gedaan?

 

ANTONIO SPREIDT ZIJN ARMEN.

 

RAFI:
Zou ik het doen of niet? Denk na!

Zelf ben je hard als steen en denkt

dus dat iedereen zo is. Achter jouw woorden

galmt de angst, jawel! Maar zeg nu zelf:

wat heb ik, als hij in gebreke blijft,

er aan als ik de boete incasseer?

Een pondje mensenvlees, een handjevol,

is geen handel toch, zelfs niet in de shoarmabranche!

Dat ik hem deze vriendendienst bewijs

is om bij hem in de gunst te komen - als

hij ja zegt, goed, en zegt hij nee, adieu.

 

ANTONIO:
Ik zeg ja, hoe dan ook leer jij een les:

je krijgt je geld, en leert weer te vertrouwen,

zoniet, zal onze rechtsstaat, waar jij in onderdook,

jou gaarne leren waar de grenzen liggen, tussen goed en kwaad..

 

RAFI:

Doe mij het geld, betalen is de basis van beschaving.

 

ANTONIO:

Ik ben akkoord.

 

BASSIANO:
Toch maar rente doen, en zonder been?  

 

RAFI:
Welnee, ik ben tevreden met mijn vlees,

al was het maar door er grootmoedig

straks van af te kunnen zien, en geld?,

ik red me wel, de nieuwe huur maakt alles goed,

die gaat van jou naar mij, dus schenk ik je de rente.

Ja of nee, gratis geld, en wat kan je gebeuren?

 

ANTONIO KNIKT NAAR BASSIANO

 

BASSIANO:

Okay, akkoord! Shalam! Saloom! (lacht)

 

ER WORDEN HANDEN GESCHUD.

 

RAFI AF.

 

BASSIANO:

De huur gaat nu nog meer omhoog, dat was een dure deal.

Godverdomme. Had je dat niet door? De lul.

 

 (Uit: Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood)

 

ANTONIO:

Hij zuigt ons uit, de jood. Hij drinkt ons bloed en maakt dat we ongelijk hebben, omdat hij jood is en wij de schuld dragen. Ik pieker en pieker en tart mijn zenuwen; en eigenlijk sterf ik duizend doden. ’s Nachts word ik wakker en zie hem voor me: de dood, en het is alsof mijn keel wordt dichtgeknepen. Dat zijn beelden, zegt mijn verstand, voorwereldse mythen uit de tijd van onze voorvaderen. En links in mijn lichaam voel ik steken. Het hart, vraag ik me af, of de galblaas? En schuld heeft de jood, omdat die ons schuldig maakt, want hij is hier. Was hij maar gebleven waar hij vandaan kwam. Of hadden ze hem maar vergast, dan zou ik nu beter kunnen slapen. Ze hebben hem vergeten te vergassen. Dat is geen grap, zeggen mijn gedachten. En ik wrijf in mijn handen als ik me voorstel hoe hij geen adem meer kan krijgen in de gaskamer. En weer wrijf ik in mijn handen en wrijf en kreun, ’t is maar goed dat niemand weet dat ik Repelsteeltje heet. Hij is iedereen altijd een stap voor, en zo blijft er voor de anderen niet meer dan een aalmoes over. Jij hebt je tijd gehad, fluistert een stem in mij, en voor de honderdste keer grijp ik naar mijn hart en vervloek het systeem dat mij ziek maakt, dat mij pijnigt waar het maar kan. En kun je met onroerend goed in je koffers vluchten? Ze lokken je terug met sirenenzangen, je percelen grond en je huizen, terug, om je te kwellen en te pijnigen. En iemand anders lacht in zijn vuistje en heeft je al opgekocht nog eer je zelf ook maar aan verkopen had gedacht. En hij heeft de banken achter zich staan en de machtigen in deze stad. En aan de ene kant geef je het op, om je aan de andere kant des te fanatieker vast te klampen aan het bezit dat je zo’n angst inboezemt. De doctoren liegen tegen je, ze spelen allemaal onder één hoedje, ze houden je net zo lang in leven tot je genoeg hebt geleden en een stelletje goden bij het zien van je leed genoeg hebben geonaneerd. Ze haten je, en toch hebben ze je nodig voor hun perverse lusten, die goden, die alleen maar heksen en feeën zijn uit de nachtmerries van kinderen, uitgevonden om ons voor te bereiden op dit leven dat ons doodt. De jood verstaat zijn vak; angst schijnt hij niet te kennen, de dood deert hem niet, hij die geen leven leeft.

 

ANTONIO LOOPT NAAR JESSICA. ZE KUSSEN. RAFI ZIET DAT.

 

 

SCENE 12

 

RAFI, BASSIANO

 

RAFI GEEFT BASSIANO HET GELD.

 

RAFI:

Een halve ton contant

 

BASSIANO:

Voor drie maanden.

 

RAFI:

Voor drie maanden, en Antonio staat er borg voor.

Maar heeft Antonio straks geld, weet jij dat zeker?

 

BASSIANO:
Hij zegt dat hij het heeft. Dat geloof jij ook.

 

RAFI:

Hij heeft het wel maar hij heeft niet hier:

één container is op weg naar Rotterdam, en andere naar Den Helder,

verder hoorde ik iets gonzen over een zeiljacht naar Zeeland,

en het dobbert nog veilig rond, schijnt het.

Maar grenzen zijn schepnetten,

smokkelaars maar mensen, je hebt landratten en waterratten,

schippers en rippers, en dan heb je nog het risico van storm

en stranding en ander nautisch onvermogen.

 

BASSIANO:
Als dat waar was, wat jij zegt, dan nam jij niet het risico,

je maakt Antonio verdacht, maar wat verberg je zelf?

 

RAFI:

Ach, of het slecht is wat hij doet, jouw vriend Antonio?

Ik zit net als hij in zaken, of het goed was of een vloek, dat hangt van de afloop af.

 

BASSIANO:

Dat gaat wel goed.

 


 

SCENE 13

 

ANTONIO, RAFI, JESSICA

 

ANTONIO: (tot Rafi, Jessica kijkt van een afstand toe)

Buurman, dank voor de contanten. De afspraak staat,

wat mij betreft, als borg is er een portie van mijn been,

het is ziek, maar als jij er blij van wordt, mij best.

Of heb je je bedacht, in een aanval van beschaving?

 

RAFI (half tot Jessica):
Welk oordeel zou ik vrezen, en van wie?

Doe ik verkeerd? Uw welvaart dankt u aan slaven.

U laat ze - als uw ezels, honden, paarden -

het liederlijkste laagste werk opknappen

omdat u ze gekocht hebt, op de wereldmarkt,

met uw economisch potentieel, uw fijne vrije handel.

Maar zijn ze vrij om met uw dochters te trouwen?

Waarom gezweet, gezwoegd? Waarom hun bed

niet net zo zacht als dat van u, waarom

hun tong niet met hetzelfde maal gestreeld?

 

ANTONIO:

Zij kozen voor ons, niet andersom, ze wilden het zelf,

en elke keus heeft consequenties, zo zit dat, simpel zat.

 

RAFI:

Zij wilden zelf, precies, en zo antwoord ik u:

het pond dat ik van u aan vlees verlang,

komt er geen geld, ik mag het hebben.

Ben jij van plan om woord te houden, ook in nood,

als je gaat krijsen bij het zien slijpen van mijn mes?

 

RAFI SLIJPT ZIJN MES.

 

ANTONIO SCHUDT ZIJN HOOFD: GROOTSPAAK VAN RAFI!

 

MAAR ALS RAFI STOER WIL DOEN, MOET DAT MAAR. PRIMA.

 

ANTONIO AF.

 

EEN SCHADUW VERSCHIJNT: SHAKESPEARE


 

SCENE 14

 

PORTIA/SHAKESPEARE, RAFI

 

SHAKESPEARE:

Bewapend met hun bogen hopen ze het geluk te schieten uit de lucht,

en mist zo'n man na afloop een verdwaalde pijl,

hij schiet precies zo'n pijl, dat is dan plan B, dezelfde kant uit,

let dan beter op waarheen die vloog, en denkt:

wie dubbel durft te verliezen, pas die verdient de volle winst.

maar meestal is hij beide pijlen kwijt.

 

RAFI:

Wees welkom, meester, ShaormaShylock

wacht rustig op zijn ondergang, zonder angst,

vil me maar, William, in fraaie verzen, lachen voor de mensen,

én ze leren er van, zie ook de Holocaust: alles mag.

 

SHAKESPEARE:

Jouw ironie bevalt me niet.

 

RAFI:

Ben ik al failliet? Is mijn dochter al ontmaagd?

Ligt mijn kop al op het hakblok, liggen alle doorgestoken kaarten

keurig klaar?

 

SHAKESPEARE:

Ja, en jij raakt alles kwijt.

 

RAFI:

Uw liefde hoef ik niet, maar op zijn minst uw mededogen,

ik sta al op het hellend vlak, mijn voeten zoeken houvast,

en uw plan loopt weer gesmeerd.

 

SHAKESPEARE:

Omdat je daarvoor kiest.

 

RAFI:

Ik staar rillend in de diepte, één zetje en ik zoef

de skischans af, en zonder ski's, daar wordt wel voor gezorgd.


 

SHAKESPEARE:
Mijn zaak is zuiver. Met jóu heb ik te maken,

een keiharde tegenstander,

een onmens die geen enkel grein erbarmen,

geen enkele medelijden kent. Shylock,

je weet dat ik, jouw meester, alles heb gedaan

om jou te matigen in jouw absurde eis.

Maar nu jij koppig volhoudt, geef ik Antonio

het wapen van de lijdzaamheid, de onderwerping,

hij ligt op zijn rug, vier poezelige pootjes in de lucht,

een christelijk lam tegen de Oosterse slager,

je bent er ingetrapt, in je gekwetste razernij,

al je publiek verspeeld, een eerloze verliezer.

 

RAFI:
Als Jezus tegen de Joden, dat doet ook Antonio,

een redelijke redder van de mensheid, Ghandi

meets Mandela, Antonio doet niets,

onschuldig lam, dat passief agressief de anderen verlamt, 

"Ik, Antonio, ben de Messias, laat maar zien hoe slecht je bent,

je kruisigt niet mij, maar in feite jezelf,

want ik heb niks gedaan, ik lekker niet".

En ondertussen in het duister mijn kat knijpen,

Een ouwe truc. Excuseer, dat kennen we nu wel.

 

SHAKESPEARE:
Al is het pleit voor de rechtbank zo corrupt,

mits door een fraaie tong gepresenteerd

blijft al de kwalijkheid ervan verborgen.

 

RAFI:
Pardon? Shylock verloor behalve aardse zaken,

zijn dochter en zijn zelfrespect ook onder dwang

zijn Joodse ziel, bekeren moest hij zich.

Waarom? Waarom is het nooit genoeg? 

 

SHAKESPEARE:

Ja, wat het oog ziet is bedriegelijk,

wat laat de wereld zich door schijn misleiden,

Mijn woord staat boven de partijen, ik beschrijf

een wereld waarin ieder volk, elke clan, elke tijd,

genadeloos zijn eigen Joden kiest, al naar gelang de mode.

 

RAFI:
Ik wil mijn recht! En ik zal ervoor vechten!

 

SHAKESPEARE:

Ach ja. Hoe menig lafaard wiens standvastigheid

als van een trap van zand is plakt zich toch

de baard aan van een held of oorlogsgod

al stroomt er melk in plaats van bloed door hem?

 

RAFI:
Dus ik ben laf? Ik kán niet vechten? Moment van twijfel,

ingelast door mij. Shylock twijfelt nooit, waarom?

hij draaft mechanisch door, recht in de zwaarden

van de wrekende gerechtigheid, of wat daarvoor doorgaat,

in een Venetiaans paleis met een lekker wijf vermomd

als wijze rechtsgeleerde, daag me niet uit,

ik ga het doen, ik slijp alvast mijn messen,

regel jij de rest, drie maal ramp is scheepsrecht,

en we zullen zien wie hier publiek verspeelt.


 

SCENE 15

 

JESSICA, ANTONIO + PORTIA, BASSIANO+ RAFI

 

ANTONIO ( tot Jessica):
Ik kan mijn somberheid maar niet verklaren,

natuurlijk zit dat jou nu dwars, mij ook,

maar hoe ik er aan kwam, hoe ik het kreeg,

wat de substantie ervan is, de oorsprong,

ik weet het niet, ach, de melancholie stompt mij zo af

dat ik mezelf bijna niet meer herken

 

JESSICA:

Maar dan ben je verliefd, en hebt het niet herkend, ach gos..

 

JESSICA DECLAMEERT GEDICHT VOOR ANTONIO

 

JESSICA:

From fairest creatures we desire increase

 

 

 

JESSICA:

That thereby beauty's rose might never die

 

 

 

 

JESSICA:

But, as the riper should by time decease,

 

 

 

JESSICA:

His tender heir might bear his memory.

ANTONIO:

Nee, hier moet je stoppen.

 

 

PORTIA LUISTER NAAR EEN GEDICHT DOOR BASSIANO.

 

 

BASSIANO:
Het mooiste moet aan schoonheid leven geven eh..

 

PORTIA: (kent het sonnet,laat dat blijken) That thereby beauty's rose might never die

BASSIANO:

Opdat de schoonste bloem, eh.. de roos, niet sterft

 

PORTIA: (volgende klus voor Bassiano)

But, as the riper should by time decease

 

BASSIANO: (blij en snel)

Maar door de tijd eh.. verteerd, voor ons blijft leven.

 

 

PORTIA:

Omdat een tere loot haar schoonheid erft,

 

PORTIA:

Zes min. Maar vooral dóórgaan, dag! (af)

 

 


 

JESSICA:

Dus niet verliefd, welnu, dan ben je somber

omdat je geen plezier hebt. Lach dan, dans

en spring en zeg: ik heb plezier omdat ik

-dat kan net zo goed- niet somber ben.

De natuur brengt rare gasten voort,

die loopt voortdurende met pretoogjes,

of hij als papagaai een doedelzak hoort,

en die heeft weer zo'n tronie van azijn,

dat er geen hoek wil krullen om zijn lippen,

je ziet er niet goed uit Antonio,

je trekt je teveel aan van je omgeving,

door dat getob mis je het ware leven,

mijn god, jij bent veranderd, joh.

 

ANTONIO:

Het leven houd ik alleen voor wat het is, Jessica,

een schouwtoneel. Elk speelt daarin zijn rol, en die van mij is somber.

 

JESSICA:
Dan wil ik de nar zijn, laat mij rimpels krijgen van

het lachen. Liever heb ik dat de wijn

mijn lever gloeien laat dan dat van klagen

een dodelijk gekreun mijn hart verkilt.

Waarom zou iemand die zijn bloed voelt bonzen

zich voordoen als zijn eigen marmeren opa?

Klaarwakker slapen? Zich ze miezerige

geelzucht kniezen? Eh? Antonio,

-ik hou van je en zeg je dit uit liefde-

er is een zeker slag met een gezicht

vaalbleek en dichtgeslibt als stilstaand water,

dat zich opzettelijk in zwijgen hult,

om zich een air te geven van verstand,

diepzinnigheid en grote waardigheid.

Hee, hengel niet met je melancholie

als aas naar zo'n dwaze reputatie,

vertel me eerlijk wie de dame is,

ja, Antonio, de dame, waar je zo op hoopt,

dat ze jou als zulthoofd rond doet lopen.

 

ANTONIO GLIMLACHT NAAR JESSICA


 

ANTONIO:

Nee, er is geen dame, er zijn de zaken,

een verdwenen zeecontainer na een storm,

of gevallen in handen van helaas de verkeerden,

nooit in de haven aangekomen, naar god

het geld dat ik daarin gestoken heb.

 

RAFI OP

 

RAFI: (tot beiden)

Er broeit iets hier, iets wat mij er niet

rustiger op maakt, ik walg ervan,

vannacht heb ik van zakken geld gedroomd,

gezonken met een schip, in de bocht bij Biscaye,

de romp gevuld met wilde watergolven,

de kiel naar boven, een zerk in zee,

vochtig graf voor jongensdromen,

een rib uit het lijf, een blok uit het been.

 

JESSICA:

Wat is hier aan de hand, of moet ik er naar raden?

 

RAFI:
Jessica, naar huis, dit zijn je vaders zaken,

wij zijn een team, sinds kort, Antonio heeft mij gekozen,

wie mij uitkiest krijgt precies wat hij verdient,

en Jessica, daar hoor jij beslist niet bij.

 

JESSICA:

Ik wil mij verbeteren, vader, u soms niet?

Ik ken mijzelf. Een meisje van buiten,

dat niet heeft gestudeerd, ervaring mist,

dat blij dat ze nog steeds niet te oud is

om te leren, blijer dat ze zich

voor leren niet te dom weet en, tenslotte,

het allerblijst dat zij haar goede wil

haar vorm kan toevertrouwen aan zijn vorming,

aan Antonio, een heer, stijlvol, onderlegd.

 

RAFI:
Jouw heer is een hoer, hij geeft zijn vlees voor geld,

en wat ben jij dan, in zijn bed? Nog minder dan een hoer.

 

RAFI SLEURT JESSICA WEG.

 

 

JESSICA: (gilt)

Pity the world, or else this glutton be,

Verspil niet wat de wereld aan je gaf;
To eat the world's due, by the grave and thee.

Verstop het niet in jou en in je graf.

 

BASSIANO EN ANTONIO ONDERDRUKKEN HUN WOEDE.

 

ANTONIO: ( tot Bassiano)

'Wie mij uitkiest krijgt precies wat hij verdient'

Bassiano, vriend, het spijt me. Ik durfde

het aan Fortuna om de tuin te leiden

en een ongezonde eigendunk te hebben

zonder het stempel van verdienste - niemand

moet zo onvermetel zijn onverdiend te pronken.

 

BASSIANO:

Jij verdient het allerbeste, vriend,

dubbel het geld dat je vergaarde met jaren

gezwoeg en geouwehoer met klagerige klanten,

en by the way, het ging jou niet om geld,

maar om verworven vrijheid, weg die winkel,

een paar zorgeloze jaren met jouw Jessica,

maar eerder nog dan aan jezelf of haar

heb jij aan mij gedacht, en Portia,

nooit vergeet ik wat je deed voor mij

 

ANTONIO:

Problemen. Eén zeecontainer onderschept.

 

BASSIANO:
Kut!

 

ANTONIO:

Het zeiljacht gezonken dan wel zoekgemaakt.

 

BASSIANO:
Met heel veel peren!

 

ANTONIO:

De laatste lading maakt dat goed, misschien,

Het wordt voor mij een eigen geldje, op zijn hoogst,

ga nu naar Portia, win haar hart, zolang de toekomst

niet meer goud, maar, zo God wil, wel zilver is.

 

 

SCENE 16

 

BASSIANO, PORTIA

 

BASSIANO: (tot Portia)
Toen ik jou zei dat mijn bezit nihil was

had ik er beter aan gedaan erbij

te zeggen: minder dan nihil. Maar zie:

ik heb mezelf verpand aan een goede vriend,

en die weer aan zijn ergste vijand,

alleen om mij aan middelen te helpen.

Als er een wil is, de weg is nu vrij.

 

PORTIA:

Wie de liefde met geld denkt te kopen,

of liefde pas durft te bekennen met de steun van centen in de rug,

kan honderdduizend pijlen richten op het geluk,

maar ze verdwijnen spoorloos in de leegte.

 

BASSANIO (terwijl hij wegloopt, probeert hij sonnet op te lepelen):
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow'st
Nor shall Death brag thou wande'rst in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st:


 

SCENE 17

 

PORTIA, JESSICA

 

JESSICA:

En? Wat kwam Bassiano zeggen, zijn hoofd zag rood.

 

PORTIA:

Bassiano's bekentenis was als gebruikelijk aandoenlijk,

hij biechtte mij zijn liefde op, alsof ik dat niet wist 

maar ook de centenkwestie met zijn ex.

Wat hem tot dan toe had weerhouden, geen wantrouwen,

het tegendeel: de vrees mij te verleiden, ongewild,

tot een krediet. Een lening, die de liefde zou belasten.

 

JESSICA:
Eerlijk is hij wel, uiteindelijk, en lief.

 

PORTIA:

Maar helaas niet al te slim, hij heeft zwaar geleend,

en je raad nooit van wie: van Rafi, van jouw vader.

En de borg is de opbrengst van een dubieus transport,

dan wel een pond vlees uit Antonio's been.

 

JESSICA:
Dat is niet waar, dat vraagt zelfs mijn vader niet,

dat hij Antonio belastert, zo dubieus is hij zelf wel,

en ook zo dom te denken dat een ander dat zou geloven,

maar nee, hij zal bij geldgebrek niet snijden in een been.

 

PORTIA:
Dat kwam jouw pa persoonlijk melden, met een grijns vol leedvermaak,

Antonio staat borg voor Bassiano, met zijn vlees.

 

JESSICA:

Antonio die schat, hij is van goedheid gek geworden!

 

PORTIA:
Of hij waagt welbewust een gok, hij heeft

het wellicht uitgelokt, het schandelijke handelen

van jouw vader is alweer een wig

tussen jou en jouw verwekker, des te eerder

zal jij daardoor bij Antonio belanden,

hij lokt jouw vader uit zijn tent, om daar zijn voordeel mee te doen.

 

 

JESSICA:

Dat is niet waar, dat misstaat Antonio totaal.

 

PORTIA:
Maar hoe valt anders te begrijpen dat een man

zijn been beschikbaar stelt als borg, waanzin!,

tenzij er alles mee te winnen valt?

 


 

SCENE 18

 

JESSICA, ANTONIO + RAFI

 

JESSICA: (tot Antonio)

Vergeet niet met wie je speelt: mijn vader,

je kunt nog beter naar het strand toegaan

en van de vloed verlangen dat hij eb wordt.

 

RAFI:
Jaja, die kennen we nou wel. ( citaat passeert ten tweede male!)

 

JESSICA:
Je kunt nog beter alle bergcypressen

opdragen stil te staan en niet te wuiven

wanneer het noodweer om hun toppen loeit.

 

RAFI:
Nee, duidelijk, ik hou me aan mijn rol, beloofd!

 

JESSICA:

Je kunt het zwaarste, het ergste beter doen

dan iets te verwachten van - zijn dode hart,

zijn jodenhart, zijn platgetrapte arabierenziel,

genade heeft hij nooit ervaren, laat staan dat hij het geven zal.

 

RAFI:
Geen genade geven? It's a deal. Of is het dat nu niet?

Eh!, William, wat wil je toch, wees helder, dode held!

 

ANTONIO: (tot Jessica)

Jouw vader speelt een spel, hij wil respect, geen geld,

hij wil wat onbetaalbaar is: de aanblik van een man

die hem om genade smeekt, en als moet, ik zal het doen,

mijn ego mag groot zijn, mijn vlees zal harder schreeuwen.

 

RAFI SLIJPT ZIJN MES


 

SCENE 19

 

PORTIA/SHAKESPEARE, RAFI

 

SHAKESPEARE:

Laat ieder weten dat ik alles heb gedaan

om jouw te matigen in jouw harde eis,

mij rest geen andere conclusie dan

dat kwade wil de redelijkheid verplettert.

 

RAFI:

Antonio's laatste hoop? Dat ben ik niet,

u hebt alles in de hand, ergens vaart een schip,

nog eentje, komt dat aan: hij kan betalen,

en nog op tijd, als u het beste voor de mensheid wilt,

en wel speciaal Antonio, die vooral natuurlijk,

schrijf dat laatste schip veilig de haven binnen.

Of is het al te laat?

 

SHAKESPEARE:

Heb jij een hart of niet?

Hangt jouw goedheid af van mij, of gunstig weer bij de Azoren?

 

RAFI:

Geef mij op tijd mijn geld en ik ben machteloos.

 

SHAKESPEARE:
Het laatste schip ligt op de bodem van de oceaan,

geregeld, en bij deze. De laatste hoop is jouw genade,

het noodlot is het noodlot, maar jij hebt wél een keus.

 

RAFI:

Laat die hoop maar varen, ook die zinkt vanzelf.

 

SHAKESPEARE:

Shylock, de mensen denken, en ik denk het,

dat jij al dat vertoon van harteloosheid

maar speelt tot het er echt op aankomt.

 

RAFI:
Al doende heb ik veel geleerd, of mogen wij dat niet ?

 

SHAKESPEARE:

Straks, gelooft men in het algemeen, zal je je mildheid,

je mededogen tonen, zonderlinger dan deze zonderlinge schijnwreedheid.

 

RAFI:
Ik zal erover denken.

 

SHAKESPEARE:

Werkelijk?

 

RAFI: (vals)

Het stimuleren van de hoop, voor het dramatisch verloop ook niet zo slecht,

ik vertraag mijn ondergang, heel even, maar ik wil dat been.

 

SHAKESPEARE:

Nu eis je weliswaar je boete nog,

een pond van 't vlees van die arme ondernemer,

maar straks zal je niet enkel daarvan afzien,

nee - bovendien, door liefde en medeleven

gegrepen hem zijn schuld deels ook kwijtschelden.

Gelet - van mens tot mens - op de verliezen

die hem sinds kort al zó getroffen hebben,

daar is geen koopmansvorst tegen bestand,

zo'n tegenslag ontlokt zelfs nog een vonk

van piëteit aan inborsten van ijzer

en harten ruig als steen, aan stugge Turken,

Tartaren, die nooit omgaan met begrippen

als naastenliefde en lankmoedigheid.

 

RAFI:
Jij vraagt me: waarom liever zo-en-zoveel

kadavervlees dan mijn zuurverdiende centen?
waarom zou ik dat willen? Weet ik veel.

Of zeg- het is mijn temperament. Zo goed?

Stel dat mijn huis geplaagd werd door een rat,

en het behaagt mij tienduizend te spenderen

aan het beste rattengif? Heb ik dat recht?

Je hebt ze met de pest aan varkenskoppen,

ook zijn er die bij doedelziekmuzak

hun pis niet kunnen inhouden.

 

SHAKESPEARE:

Doedelziekmuzak?


 

RAFI:

Ja, in winkelcentra. Doedelziekmuzak.

Waar wij niet tegen kunnen, of juist wel

hangt af van aandoeningen sterker dan wijzelf.

Zo kan en wil ik mijn waarom niet zeggen,

behalve dan de diepe weerzin en

de haat, als kanker in mijn binnenste,

die ik Antonio toedraag, ook al

word ik er niet wijzer van. Zo eindelijk goed?

 

SHAKESPEARE:

Nee, harteloze man, dat is geen antwoord

waarmee jouw wreed gedrag wordt goedgepraat!

 

RAFI:

Zeshonderdduizend doden goedgepraat,

"Irak verdient democratie", plezier ermee!

Als dat voor jou verantwoord is, dat massagraf

met tonnen rottend vlees, gun mij dan mijn pondje.

 

SHAKESPEARE:

Doodt iedereen wat hij niet bemint?

 

RAFI:
Geef mij Antonio, en roof zijn laatste lading.

En was daarna je handen in eeuwige onschuld,

wat er ook van komt, de boze wolf heeft het gedaan.

 


 

SCENE 20

 

PORTIA, JESSICA, RAFI, ANTONIO, BASSIANO

 

PORTIA: (tot Jessica)
Niemand, meisje, spreekt het eigenlijk nog tegen

dat Antonio een schip met rijke lading

heeft zien stranden in de netten van de Nederlandse wet,

zijn derde nederlaag op rij, en een hele dure.

 

RAFI OP

 

JESSICA:
Dat ouwe mens gerucht, die valse babbeltante,

dat wijf maakt mensen alles wijs, maar ik weet

dat die goede Antonio, die goudeerlijke Antonio...

 

RAFI: (tot Jessica)

Jij bent van god verlaten, zeg ik je,

mijn eigen vlees en bloed in opstand!

In elk riool vindt je iets beters dan die rat, die bankroetier, die geldverkwister

de nauwelijks zijn neus nog durft te laten zien, 

wat stapte die bedelaar altijd parmantig rond in onze straat,

hij waande zich de eigenaar, de prins der middenstand,

straks is hij brodeloos, zijn winkel weg,

en komt mijn dochter, het vogeltje dat was gevlogen,

nederig smeken om een plekje in het oude nest.

 

JESSICA (tot Rafi):

Verspil niet wat de wereld aan je gaf;
Verstop het niet in jou en in je graf.

JESSICA HAALT ANTONIO.

JESSICA: ( tot Antonio):

Mijn lief, vertel me dat mijn vader liegt,

hij bluft maar over schulden en de netten van de wet,

een vaag verhaal, is het onwaar, Antonio,

zeg het hem in zijn gezicht en wij zijn weg,

Portia, probeer als ik je vragen mag

mijn hete geest te blussen met wat druppels

rust, jouw koelheid, hoop ik, zal me behoeden voor ongeremde woede.

 

PORTIA:
Wat waar is of wat niet, jouw vader moet genade laten gelden.

 

RAFI:
Dat zou ik móeten? En wat moet hij? Betalen toch?

 

PORTIA:

Genade heeft niets uit te staan met dwang,

zij daalt als zachte regen uit de hemel

neer op de korst der aarde. Dubbel is

haar zegen: wie haar schenkt en wie haar krijgt,

gezegend, zij. Genade is het machtigst

in de machtigsten.

 

RAFI:
Dank voor het compliment, maar mijn macht is tijdelijk,

geen kroon, geen troon, een contractje, een tegoedbon

van één pond, geen sprake hier van adel die tot iets verplicht.

 

PORTIA:

Genade siert wie 't hoogste zetelt

in majesteit en praal meer dan een kroon.

De scepter is het beeld van aardse macht,

het zinnebeeld van waar gezag - het maakt

de koningen geducht en ontzagwekkend.

 

RAFI:

Ik heb minder kennis van het hogere,
maar 't is lastig leven met een gat in je hand,

en nog lastiger lopen met een aangesneden been.

 

PORTIA:

Genade is het zinnebeeld van God, en goddelijk

wordt pas het aards bestier wanneer genade

gerechtigheid doorhuivert. Jij, Rafi,

vraagt om recht, jawel, maar bedenk dit:

wanneer het recht zijn loop heeft blijft geen ziel

behouden: elk van ons bidt om genade,

en ons gebed leert ons om anderen

genade te verlenen.

 

RAFI:
Behalve aan Shylock dan.

Geld, geloof, dochter, toekomst,

alles weg, geen genade, en het ergste: van Shylock

werd verwacht dat hij zijn beulen nog zou dánken,

voor het redden van zijn verdorven Joodse ziel.

Als jij eens niet ging bidden om genade, maar gewoon om geld,

"lieve God, doe ons een gouden regen", opgelost!  

PORTIA HAALT BASSIANO.

 

PORTIA:

Wat is dit voor waanzin, of is de waarheid gek geworden?

 

ANTONIO:

De feiten zijn er, en er is een wurgcontract.

 

RAFI: (tot Jessica)
Ze hebben al zijn drugs gepakt, hoe pijnlijk kan het zijn.

 

ANTONIO: (tot Jessica)

Neem in je oordeel mee: ik deed het

voor het goede doel, voor Bassiano, die ik zie als broer.

 

BASSIANO:

Mijn schulden zijn verdwenen door een genereuze lening,

door hem bij jouw vader aangegaan, als borg

had Antonio drie ladingen op zee, dan wel zijn eigen vlees, een pond.

 

PORTIA:

Kannibalen, smokkelaars, barbaren, waar ben ik beland?

 

RAFI:
't Lijkt lastig leven met een stuk uit je been,

maar 't is best wel te doen met een stuk in je kraag,

iets drinken, goede vriend? Op een zeer geslaagd contract! 

 

PORTIA:

Wie of wat heeft jullie zo gemaakt, zeg niet:

de maatschappij of de geschiedenis, jij zoekt een boete,

lijkt het wel, Antonio, een bizarre straf

voor wat je zelf ook ziet als stinkend zaakje,

en je verminker, totaal geschift, waant zich

de wrekende gerechtigheid, spreek hem tegen,

op zijn minst, neem de waanzin serieus.

 

ANTONIO:
Ik heb getekend, in mijn overmoed, en aanvaard mijn straf.

 

RAFI:
Die goede Antonio, die goudeerlijke Antonio.

 

 

 

JESSICA:
Maar je zult als hij te laat is met betalen

zijn vlees toch zeker niet nemen, waar is dat goed voor?

 

RAFI:

Als aas voor de vissen, nou goed? Als ik er niets

mee kan voederen dan voeder ik er mijn wraak wel mee.

Hij heeft me voor paal gezet en mij een halve ton gekost -

als hij me niet mijn winsten verwijt,

lacht hij om mijn verliezen, hij heeft mijn afkomst bespot,

mijn handel dwarsgezeten, mijn dochter afgepakt,

mijn goede naam bezoedeld, en waarom? Ik ben een jood....

 

( citaat: weet Caspar, uit inleiding bij Komrijversie)

 

PORTIA:

Jij bent geen jood, jij bent een mens onder de mensen, je bent geen jood,

joden bestaan niet, je hebt gewoon last van hallucinaties,

van waanvoorstellingen, meer niet, een prima te behandelen vorm van achtervolgingswaanzin. Niemand wil je kwaad doen, jongetje,

de mensen willen niet liever dan aardig voor je zijn,

we leven hier in een land waar vrede heerst,

Hitler is dood, hoe kan je je hem herinneren, jij was toen nog niet geboren,

Saddam is dood, jij hebt die klootzak overleefd,

hier is het veilig, nu is alles goed, zo goed als jij het hebben wilt,

wat kan een mens nog meer verlangen?

 

RAFI:

Ik ben een jood. Heeft een jood geen ogen, eh?

Heeft een jood geen ledematen, geen gestel, geen zintuigen,

hartstochten, genegenheden? Gevoed door hetzelfde voedsel,

opengereten door dezelfde wapenen, onderworpen aan dezelfde kwalen,

genezen door dezelfde middelen,

verwarmd en verkild door één en dezelfde winter en zomer als de christen?

Bloeden wij niet als je ons steekt? Lachen we niet als we worden gekieteld?

Kreperen we niet als we worden vergiftigd?

En zouden wij geen wraak nemen als ons onrecht wordt aangedaan -

als we wat de rest betreft op jullie lijken, willen we ook hierin niet achterblijven.

Als een jood een christen iets berokkent, hoe reageert hij in zijn christelijke zachtmoedigheid dan? Door wraak! Als een christen een jood iets berokkent, hoe zal hij zijn zachtmoedigheid naar christelijk voorbeeld dan tonen, eh? Door wraak!

 

PORTIA:
Wij tegen zij, de joden met hun doden

tegen de eeuwige antisemiet,

doe mij een plezier en verzin eens iets anders!

 

RAFI:
Ik ben een arabier. Heeft een arabier geen ogen, eh?

Heeft een arabier geen ledematen, geen gestel, geen zintuigen,

hartstochten, genegenheden? Gevoed door hetzelfde voedsel,

opengereten door dezelfde wapenen, onderworpen aan dezelfde kwalen,

genezen door dezelfde middelen,

verwarmd en verkild door één en dezelfde winter en zomer als de christen?

Bloeden wij niet als je ons steekt? Lachen we niet als we worden gekieteld?

Kreperen we niet als we worden vergiftigd?

En zouden wij geen wraak nemen als ons onrecht wordt aangedaan -

als we wat de rest betreft op jullie lijken, willen we ook hierin niet achterblijven.

Als een arabier een christen iets berokkent, hoe reageert hij in zijn christelijke zachtmoedigheid dan? Door wraak! Als een christen een arabier iets berokkent, hoe zal hij zijn zachtmoedigheid naar christelijk voorbeeld dan tonen, eh? Door wraak!

 

RAFI ZET ANTONIO HET MES OP DE KEEL, EEN GIJZELING.

 

BASSIANO:

Kop op, Antonio, verlies de moed nog niet,

die arabier krijgt eerst mijn vlees, bloed, botten, alles

voor jij een druppel bloed voor mij verliest.

 

RAFI ZET EEN GASVLAM AAN.

 

RAFI:

Bloed? Hoef ik niet. Ik ken mijn contract.

 

PORTIA:

Ik probeer je te begrijpen, Rafi, je trauma's en je pijn,

die jij niet voelen kan, vermoed ik dan,

trap jij een ander op zijn hart, pas dan voel jij het jouwe.

 

ANTONIO:
Ik ben het aangestoken schaap der kudde,

al prijsgegeven aan de dood. Valt niet

de zwakste vrucht het eerst? Laat het ook mij

zo gaan, Bassiano: leef verder,

schrijf mijn grafschrift. Meer verlang ik niet van je.


 

RAFI:
Uit zijn been!, uit zijn been!, zijn voorzet zal er onder lijden,

zijn gezondheid ook wellicht, maar Antonio zal leven,

ik ben Shylock niet, mij maak je niet tot moordenaar, je hart

mag je houden, gesteld al dat je het hebt, geen punt.

 

( citaten Portia naar: weet Caspar, uit inleiding bij Komrijversie)

 

PORTIA:

Terwijl wij de bewegingsloosheid van de totale windstilte, de decadentie en verveling ondergaan, is jouw joods-zijn de bevrijding van de alledaagsheid.

 

RAFI:
Nee, mijn arabisch zijn. Plaag jij je longen maar met dat geblaat.

 

JESSICA:
Zelf de beulsbijl is niet half

zo scherp al je haat en doortraptheid.

 

PORTIA: (tot allen)

Jouw leven heeft betekenis, zoveel meer dan dat van ons.

De banaliteit van zijn daden is maar schijn. Aan de buitenkant is hij een snackbarexploitant, maar van binnen een nomade, een rusteloze jood.

 

RAFI:
Heb je oren? Heb je hersens? Ik sta in mijn recht. Niet als

christen, niet als moslim, niet als jood, voor vijftigduizend

in de oceaan verdwenen euro's heb ik een lapje vlees gekocht.

Dat is mijn noodlot, hier en nu, ik heb het te aanvaarden. 

 

PORTIA:

Ook al ben je ingeburgerd, het is jou gegeven achter deze werkelijkheid

de diepere werkelijkheid van de ballingschap te zien.

De lijdensweg van jouw volk verleent jouw leven een belang

en schoonheid, die anderen niet gegeven is. Jij ontleent aan je

afkomst momenten van grandeur en roem,

die het gelijkmatig verloop van je braaf en vlijtig bestaan je niet oplevert.

 

RAFI:
Heb ik niet gewerkt? Zestien uur per dag boven de frituur,

winst is een zegen, mits je haar niet steelt.

maar wie mijn winst komt stelen is blijkbaar wél gezegend.

 

PORTIA:

Jij blijft de eeuwige vervolgde, zonder onderdrukking te ondergaan.

In alle rust weet jij van een buitengewoon noodlot te genieten.

 

GEEN GESPRKE MET RAFI MOGELIJK.

 

PORTIA GEEFT HET OP, LIJKT HET.

 

PORTIA:
Het contract spreekt van vlees, dat moet worden geleverd, een pond.

 

RAFI:
Wat jij zei klonk heel verstandig, een vrouw die altijd eerlijk is,

Antonio, wie wil dat niet? Doet goed voorbeeld hier ook volgen?

 

ANTONIO: (tot Bassiano)
Treur niet, nu ik voor jou wordt opgeofferd,

Fortuna is dit keer voorkomender

dan doorgaans het geval is: laat zij niet

een wrak meestal zijn rijkdom overleven,

zodat hij, uitgemergeld en hologig,

getuige van zijn arme dag is?

Zo'n straf, zo'n martelgang blijft mij bespaard.

 

RAFI:
Geen dood, want geen infectie, ik ontsmet het mes.

Scherp is het ook, ik snij recht, geen rafelranden.

 

PORTIA:
Je vergat iets, in je vurige verlangen naar je wraak.

Het contract kent je geen bloed toe, nog geen spat,

Neem dus je boete, neem je pondje vlees,

maar als je bij het snijden zelfs maar de

geringste druppel van zijn bloed vergiet,

we weten je te vinden, vriend, dan ga jij betalen,

je hebt ons gevangen in jouw maffiapraktijken,

maar daar hoort een erecode bij: die van de maffia.

 

RAFI:
Een gloeiend mes maakt schone wonden,

met het snijden schroeit het alle aders dicht,

geen druppel bloed, dat Shylock daar destijds

toch niet is opgekomen, ik denk dat hij

niet van Shakespeare mocht. Waarom niet? Waarom?

 

PORTIA:
Omdat Barbertje moest hangen? Ja, dat zal het zijn,

dat kan je zelf bedenken, vraag niet naar de bekende weg,

maar wat wil jij hiermee bereiken, waarin schuilt de wijze les?

 

RAFI WARMT HET MES IN DE VLAM

 

RAFI: (zingt)

Die gedanken sind frei, kein mensch kan sie raten,

sie fliegen vorbei, wie nächtlichen schatten,

kein Mensch kan sie wissen, kein Jäger erschissen,

es bleibet dabei: die gedanken sind frei.

 

PORTIA:

Je hebt het recht op vrije meningsuiting, hoe grondig

ik het ook met jou oneens ben, ik verdedig tot mijn laatste snik

jouw recht om te mogen zeggen wat ik verafschuw.

 

RAFI APPLAUDISEERT, TERGEND LANGZAAM

 

RAFI:

Ik wil mijn vlees, bloed hoef ik niet, dat mag je houden,

en je goedkope geleende praatjes ook, mevrouw.

 

PORTIA:
Afspraak is afspraak. Snij nu het vlees eruit.

 

RAFI: (tot Antonio)
Antonio, je doet het niet voor mij, je doet het voor je vrienden.

 

PORTIA:

Maar snij niet meer of minder dan exact

een pond. Wanneer je minder neemt, of meer,

dan net dat pond, al is het maar zo weinig

dat het een milligram of zelfs een fractie

daarvan te licht wordt of te zwaar, nee,

als de weegschaal maar één nietig haartje doorslaat,

dan bindt niet meer die afspraak ons de handen op de rug,

dan zijn er geen regels meer, dan ben je beest tussen de beesten.

 

RAFI: (tot publiek)

Ik neem straks minder dan een pond, ik geef hem korting,

beter teveel gegeven, dan teveel geincasseerd,

ik kies voor de underdog, en biedt hem korting aan,

er heeft nooit één Venetiaan bestaan die geen korting

wilde krijgen, alweer, dat Shylock daar destijds

toch niet is opgekomen, en uitgerekend een gerechtshof trof

dat niets van slimme handel wist, en dat in een hándelsstad.

Dat het complot niet deugt, okay, maar zelfs de plot

is ronduit onbeholpen. Bezuinig rustig op het aas,

Shylock zal wel bijten, zelfs intellect wordt hem misgund..... 

RAFI:

...neemt u mij kwalijk, dat ik Antonio's verlies verminder?

ik schonk hem al het geld, en doe een onsje van de boete af,

hoe dom moet je zijn om zo'n genadig aanbod te verwerpen,

hoe vooringenomen, en vergeet het niet: hij tekende.

 

RAFI LACHT OM ZICHZELF.

 

RAFI:
Mag het een onsje minder zijn?, Antonio, niet klagen!

 

PORTIA/SHAKESPEARE:

Mijn doelwit was niet Shylock, maar...

 

RAFI:

Ah, de verrassende getuige, ditmaal William zelf

als ik mij niet vergis, of is het Portia, briljant

vermomd, ai ai ai, nu moet ik op gaan passen.

 

PORTIA/SHAKESPEARE:

Mijn doelwit was niet Shylock, maar de macht van kapitaal.

Edelmetaal uit Amerika spoelde 

destijds als water uit de zee onze levens binnen,

de prijzen zwollen op, het geld werd spotgoedkoop,

de rente werd al snel geteld in tientallen procenten:

woeker, die de handel verwoestte en honger bracht,

Shylock was een jóódse woekeraar, want die waren er,

geen gezochte combinatie, maar inflatie is de kern

van mijn verhaal: hoe kapitaal vernietigt wat het voedt.

 

RAFI:

Inflatie? Wordt dat woord genoemd? Waar wordt

gespuugd op geld, waar wordt geld vernederd?

Geld is de wrekende gerechtigheid, geld is goed,

geld is goddelijk voor jou, mits het gratis is. 

 

PORTIA/SHAKESPEARE:

Noem mij een schoft, als jij dat wilt, jij gaat er over.


 

RAFI:
Meester, kent u Manetho, een collega, een Egyptenaar?

Hij schrijft over Mozes, joods, ook weleens van gehoord?

Mozes, zegt Menatho, was geen man van god,

maar een soort vakbondsleider, gekozen door

onreine mijnarbeiders, slaven van de Farao.

Deze Osariph, pas láter omgedoopt tot Mozes,

ontkent de Goden van Egypte, provoceert

zijn gastland door het slachten van heilige dieren,

smeedt complotten en begint een schrikbewind,

Egypte zucht onder honger en oorlog,

de waarheid is: de zeven plagen waren er maar één: de Joden!

Tot dat roversvolk tenslotte wordt verdreven,

en een exclusieve schurkenstaat begint

in en rond Jeruzalem,

aldus Manetho, collega van u, derde eeuw.

 

SHAKESPEARE:

Een welbewust vervalsing van de Bijbel, walgelijk.

 

RAFI:

Het antisemitische startkapitaal waarvan jij rente trekt!

Zo'n Shylock gaat er in als koek, William, en dat wist je.

nee, waarschijnlijk heb je nooit een jood gesproken,

die waren Engeland al eeuwen eerder uitgezuiverd, 

nee, je deed het niet uit haat, was dat maar waar,

dan toon je eerlijk je gezicht, zoals ik het mijne,

nee, je vertrapte mij gedachteloos, de macht

van de gewoonte, jouw 'kunst' komt uit een beerput,

volgescheten door de rest, hoezo schepper?

 

BASSIANO: ( weet weer eens iets)

Rafi heeft een punt, iets dat wij te weinig willen zien,

 

RAFI: (onderbreekt)

Putjes-schepper!

 

BASSIANO:

William wist wellicht van economische perikelen,

maar was daarnaast beslist gevoelig was voor de stem des volks.

 

RAFI:
Omdat ik af en toe een been wil ben ik toch nog geen hond!

En by the way, had Shakespeare tieten?

 

PORTIA, BETRAPT,  LEGT HAAR VERMOMMING AF.

 

PORTIA: (slaat terug)

Die exclusieve schurkenstaat,

in en om Jeruzalem,

dat schreef toch die Egyptenaar

bestaat zo'n staat wellicht ook werkelijk?

Op dit moment? Er gaan harnekkige geruchten.

 

ANTONIO:

Niet provoceren alsjeblieft.

 

PORTIA:

Ik spreek hier Rafi aan als Arabier,

hij heeft dat eerder aangegeven,

in een vrij uitgebreide monoloog,

hou mij ten goede graag, ik doe dit alles voor de goede zaak,

iedere medaille heeft twee kanten.

 

RAFI:

Ja, kop en munt, maar allebei is goed.

En wie niet tijdig munt kan tonen, die krijgt op zijn kop.

 

PORTIA:

Het lijden van de Palestijnen, Arabieren, net als jij

wat wil jij dat ik daarvan vind, ja, een serieuze vraag,

hoe doen wij het in jouw ogen ooit goed?

 

RAFI:
Nooit, maar waarom zou je zoiets willen?

 

RAFI VERMAAKT ZICH KOSTELIJK.

 

RAFI: (tot Antonio)
Ben jij antisemiet?

 

ANTONIO: ( in zijn machteloosheid laf)

Dat is aan jou om te bepalen.

 

RAFI:
Ja, ik denk van wel.

 

ANTONIO:
Precies, jij bent mijn spiegel hier.

 

RAFI:
Nee, dat jij het bént, een hater van semieten.

ANTONIO SCHRIKT, WORDT NOG BANGER.

 

PORTIA:

Antonio, anti-joods? Okay. Zie dat dan wel in perspectief, asjeblieft, het kan nog zoveel erger. Het bontst in dit opzicht maken het Iran, Syrië, en de Palestijnse gebieden.

Over Iran en zijn rabiate anti-joodse leiders hoef ik weinig te zeggen.

 

BASSIANO: (weet ook iets, wil de angel er uithalen)

Even heel iets anders, of nee, ook niét, Iran!

Iraanse Ayatollahs hebben in hun niet te volgen wijsheid

sekseverandering in Iran gelegaliseerd, geloof

het of geloof het niet, maar wie zich daar om wil laten bouwen

krijgt van de staat een gratis doos, en mag verder als vrouw.

 

BASSIANO ZET VOORZICHTIG EEN LACHJE IN.

 

RAFI LACHT MEE, BASSIANO IS BLIJ.

 

RAFI:

Ik verbouw niet alleen gratis, ik betaal zelfs bij,

een halve ton voor een simpel sneetje,

wat heb ik te maken met de rare baarden daar?

 

PORTIA:

Dat godsdienstwaanzinnige regime, dat de Holocaust ontkent

maar er wel graag één wil veroorzaken, vormt de grootste bedreiging voor Israels voortbestaan sinds 1948, het werkt onverbloemd aan een endlösung.

 

BASSIANO:

De Koran verbieden, ook in de moskee, een wild idee

misschien, maar...

 

PORTIA: (onderbreekt)

Maar in termen van Jodenhaat is de situatie minstens even erg bij de Palestijnen. De extreme grofheid van de anti-joodse hersenspoeling daar overtreft de bangste verwachtingen. De Joden zijn uit op de vernietiging van de Islam, en moeten daarom zelf vernietigd worden. En al dat lesmateriaal wordt door Europa zwaar gesubsidieerd, dus ook met jouw en mijn belastinggeld. Ik weet niet of het waar is allemaal, maar is dat hoe jij de wereld ziet? Ik probeer je te begrijpen.

 

RAFI:

Waarom zou jij dat willen, dat is wat ík niet begrijp.

 

PORTIA:

Maar wat wil je dán horen? Zeg wat je wilt horen,

om ons te accepteren, en jezelf, als mens!

RAFI:

Het vochtige geluidje, ruisend als scheurend

sigarettenpapier, van een mes in spieren, dát!

 

JESSICA:

Papa, je bent walgelijk, walgelijk.

 

BASSIANO: ( de amateurpsycholoog gaat door)

Mensen, als ik iets zeggen mag, en ik weet het zeker:

Rafi meent het niet, dat hoor je aan de humor, toch?

(tot Rafi) Neem dat sneetje van net, (legt uit) ayatollah's en Iran enzo,

best geestig, en taalvaardig ook. Hé, kom op,

nu is het leuk geweest, you made your point.

 

RAFI: (over zijn mes)

En staalvaardig ben ik ook..  staalvaardig, ook wel aardig, toch?

 

RAFI LACHT, HET LACHEN VERGAAT BASSIANO.

 

RAFI SNIJDT DE BROEK VAN ANTONIO KAPOT, HET VLEES KOMT BLOOT

 

BASSIANO:
Ik maak jou af als jij Antonio iets aandoet. Ik maak jou af.

 

RAFI: ( honend, en totaal niet bang)

Als ik Antonio iets aandoe? Maar als ik hem een broek aandoe?

Of een luier, voor als hij het straks gaat laten lopen?

Dan ook? En wat valt er aan mij af te maken, ik ben

al eeuwen áf, een schrikbeeld gehouwen uit graniet,

niks meer aan doen, en niks meer aan te doen, ook dat. 

 

RAFI LACHT BASSIANO TOE. DIE REAGEERT NIET MEER.

 

( naar Robert Fisk)

 

PORTIA: (tot Rafi)

Je hebt gelijk. Laat me praten, en geloof dat ik je gelijk geef. Waarom proberen wij de volkeren van het Midden Oosten op te delen? Je hebt gelijk. Waarom proberen wij ze in stukjes te hakken, ze anders te maken, ze te herinneren - voortdurend, op een veerraderlijke, valse, wrede manier aan hun verdeeldheid aan hun wantrouwen, aan hun vermogen tot wederzijdse haat? Jij hebt gelijk. Is het slechts ons gebruikelijke racisme? Of zit er iets donkerders in onze westerse zielen? Jij hebt gelijk. Ben ik de enige die misselijk wordt van onze neiging om sektarische landkaarten te publiceren? We zijn intussen allemaal vertrouwd met het nieuwe kleurgecodeerde Irak. Sji'ieten aan de onderkant, Soennieten in hun centrale driehoek en de Koerden in het Noorden. Ik weet wat je bedoelt, ik kan het voelen. Of Libanon. Sji'ieten aan de onderkant, iets naar het Noorden de Druzen, Soennieten in Sidon en in de kuststrook ten zuiden van Beiroet...

PORTIA:

....Soennieten en Christenen in de stad, Christelijke maronieten verder naar het noorden, Soennieten in Tripoli, meer Sji'ieten in het oosten. We deden hetzelfde in de Balkan. De Drina vallei in Bosnië was Moslimgebied, tot de Serven het zuiverden. Sbrenica? Verwijder 'safe Area' en plak er het beeldmerk Servisch op. Krajina? Servisch, tot de Kroaten het innamen. Noemden wij ze Kroaten? Of 'Katholieken?

 

BASSIANO: ( weet ook weer eens iets)

En in de godsdienst, wat een waanideeën,

maar steeds zijn er wel kwezels bij te vinden

om ze te zalven met een bijbelspreuk,

een etiket, geplakt op louter kletskoek.

 

PORTIA:

Hou in godsnaam voor één keer je kop!

 

BASSIANO: (bijna huilend)

Ik doe het voor Antonio. Geen zonde zo stompzinnig of er zet

zich aan de buitenkant iets deugdzaams vast.

 

BASSIANO KRIJGT VAN EEN PORTIA EEN BEUK.

 

BASSIANO BARST IN HUILEN UIT EN KAN NIET VERDER.

 

( naar Robert Fisk)

 

PORTIA:

Rafi, ik zou een kaart van Amsterdam kunnen tekenen, met daarop Moslim en Niet-Moslim, chinese stipjes in de Nieuwmarktbuurt, een joodse enclave in Amsterdam-Zuid, Hindoestaanse eilandjes in Zuid-Oost, dit alles inclusief een reeks van frontlinies tussen zwarte en witte buurten. Van onze eigen samenlevingen tekenen we niet van dat soort Hitleriaanse kaarten, dat zou onvergefelijk zijn, iets dat 'wij' niet doen in onze dierbare, zorgvuldig bewaakte samenleving. Onze schuld in het grote sectarische landkaartspel is overduidelijk. We willen de ander, 'zij', onze potentiële vijanden, loskoppelen van elkaar, terwijl wij met onze verfijnde multiculturele waarden onaantastbaar zijn. Dus we gaan door met het verdelen en verknippen van landen. We gaan door met het drukken van meer van onze raciale kaarten. Ik vraag mij serieus af of wij van plan zijn burgeroorlogen te blijven bevorderen in het Midden Oosten. Wat denk jij?

 

RAFI:

Weet jij wat ik denk?

 

PORTIA:

Ja, dat wil ik weten. We vallen niet samen, maar we moeten overlappen,

op zijn minst ontmoeten wij elkaar aan een gedeelde grens.

Wij zijn mensen, ergens raken wij elkaar. Dat moet. Wat is jouw analyse?

 

RAFI:
Die is onveranderd, wat had je dan gedacht:een contract is een contract.

 

RAFI HEFT ZIJN MES.

 

SLOTTEKST RAFI

 

RAFI: ( nog dreigend met het mes)

Ze kwamen ons halen. Mannen van de Baath-partij. De buurt

was getuige, midden op de dag,  dat was ook de bedoeling.

Een stoffige kazerne, een muur met verse kogelgaten. "Wil je

een blinddoek?" "Nee", zei ik, "ik wil jullie zien, tot de laatste seconde".

"Jood, jij weigert geen geschenken van een vriend", zei de officier.

Ik kreeg een vieze stoffen lap om mijn kop gebonden,

ik rook in mijn blinde donker het angstzweet

van duizend anonieme anderen, ik hoorde het sloffen van vier, vijf soldaten,

mijn speeksel smaakte naar metaal, ik weet het nog. Doe je ogen dicht Antonio,

doe godverdomme je ogen dicht, als een vriend dat vraagt!

Ik hoorde het heffen van de geweren, het doorladen,

ik piste in mijn broek, ijskoude pis, en toen 'klik'. Alleen maar klik.

Gelach van de soldaten, verder niks. En het werd licht.

 

RAFI LAAT HET MES UIT ZIJN HAND VALLEN.

 

Kijk me aan Antonio. En zie die officier, je heer en

meester, breed lachend, als een vriend. Je walgt van hem,

maar moet hem dankbaar zijn. Rafi is nu jouw vriend, je moet

hem dankbaar zijn. Ik ben niet Shakespeare’s Shylock,

Rafi is de naam. Ik toon jou mijn zachtmoedigheid,

en je zult me erom gaan haten, vriend. Schiet die kogel

door je eigen kop, mijn zegen heb je, zet het mes in jezelf en

smijt je vlees in mijn gezicht. Dan ben je van me af,

maar dat kan je niet. Tot ziens in je dromen, Antonio, ik

zal nog vaak bij je zijn, mijn vriend. Tot ziens. 

 

RAFI KUST ANTONIO EN GAAT.

 

 

JESSICA (parallel met Rafi):

Het mooiste moet aan schoonheid leven geven,
Opdat de schoonste bloem, de roos, niet sterft,
Maar door de tijd verteerd, voor ons blijft leven
Omdat een tere loot haar schoonheid erft.

Maar jou boeit slechts het licht in eigen ogen.
Je brandt daarvoor je eigen brandstof af;
Jij, die je levensbronnen laat verdrogen
En wreed jezelf als ergste vijand straft.

Hoewel je eigenlijk een sieraad bent,
Een lentebode met een nieuw geluid,
Verberg je al je rijkdom als een krent,
Die gierig sparend zijn bezit verbruit.

Verspil niet wat de wereld aan je gaf;

 

print-vriendelijke
versie