|
||
![]() |
Toneel |
![]() |
![]() |
Brakke Zondag: korte memoires van een VN-medewerkster AUGURKEN VOOR STERVENDEN Mijn naam is Marianne Boelen, ik heb echt bestaan,
en dit is mijn verhaal, ooit opgetekend door Justus van Oel. In 1968 werkte ik
voor de FAO, de Food and Agricultural Organisation van de Verenigde Naties. Ik
was direct na de oorlog voor de Verenigde Naties gaan werken, in New York, omdat
ik iets voor de wereld wilde doen. Zo kwam ik, in 1968, terecht in Biafra, een
opstandige christelijke provincie van het merendeels islamitische Nigeria. De
Nigeriaanse centrale regering had besloten de opstandige christelijke Ibo's uit
te hongeren, en zo tot onvoorwaardelijke overgave te dwingen. De bolle buikjes
van Ibo-kinderen verschenen wereldwijd op TV, en overal in de wereld werd
voedsel ingezameld voor de stervende Ibo's. In 1968 bevond ik mij daarom, namens
de VN, op een vliegveld in Biafra, en wachtte op vliegtuigen vol voedsel die
zouden aankomen uit de Verenigde Staten. Ik dacht aan de witte brood-droppings,
tijdens de hongerwinter in Nederland, die ik ook had meegemaakt. Mijn
aanwezigheid hier maakte werkelijk verschil, voelde ik, ik zag de verlossende
vliegtuigen ons vliegveldje naderen, en zelden in mijn leven voelde ik meer
opluchting en blijdschap. De uitgehongerde Afrikanen om mij heen richtten hun
blik naar de hemel, hun doffe ogen opeens wijd open en vol verwachting. De
vliegtuigen landden. Soldaten van het Ibo-leger hielden de opdringende menigte
wanhopigen met harde hand op afstand. Dat moest. Uit de laadruimen kletterende
grote, hoekige pallets op het stoffige zand van de landingsbaan. Uitladen moest
snel, want het was daar niet veilig. Ik rende er naar toe. Toen ik zag wat er op
de pallets stond, storte mijn wereld in. Blikken met augurken. Blikken met
afgekeurde, overjarige, Amerikaanse augurken. De VN had voor hongerige
Afrikanen, op de rand van de dood, dertig ton gratis gekregen water met de smaak
van maagzuur laten overkomen. Ik
heb tot mijn dood voor de FAO gewerkt. En het is misschien gek om te zeggen,
maar juist daarom.
U kent mij al, van Biafra, mijn naam is Marianne.
In Ethopië was hongersnood. De toenmalige heerser, keizer Haile Selassie, leek
daar niet van te willen weten. Na lang touwtrekken was voor mij een afspraak
geregeld met de keizer. Ik mocht naar zijn paleis komen. Dat was een groot
paleis. De ontvangstruimte van de keizer was alleen te bereiken via een lange
imponerende hal. Aan weerszijden van het tapijt lagen leeuwen. Echte leeuwen,
met zware kettingen geketend aan zuilen. Zolang je op het tapijt bleef lopen,
konden de leeuwen niet bij je. Net niet. Het was de langste gang waar ik ooit
doorheen ben gelopen. Aan het eind van de gang zwaaiden enorme koperen deuren
voor ons open. De keizer bespaarde ons met een simpel handgebaar het
onderwerpingsritueel, en opende zelf het gesprek. In vrijwel accentloos Frans.
Ik was de enige in de delegatie die dat sprak, en zo was het aan mij om de
keizer voorzichtig te vertellen dat op ditzelfde moment in het Noorden
honderdduizenden mensen aan de rand van de hongerdood stonden. "Maar madame, wat
is het probleem?", sprak de Keizer, "Dat hebben we hier iedere vier jaar, al
zolang ons land bestaat". En de keizer bracht het gesprek op ditjes en datjes,
de toestand in Europa, en kunst en cultuur. We hebben dat jaar in Ethiopië niet
veel kunnen doen. Later wel. Want Zijne Koninklijke Hoogheid Keizer Haile
Selassie I, Erfzoon uit het zaad van Koning Salomo, de Alles Overwinnende Leeuw
van de stam van Juda, Koning der Koningen, Heer der Heren, Vader der Afrikanen
uit het allergeliefdste Ethiopië, het moederland van de zonen en dochters in
diaspora’, deze Haile Selassie had het een aangename ontmoeting gevonden. En het
is misschien gek om te zeggen, maar dat was het ook. print-vriendelijke versie |
![]() |
![]() |
||