Toneel

Brakke Zondag: korte memoires van een VN-medewerkster
1-11-2007

AUGURKEN VOOR STERVENDEN

 

Mijn naam is Marianne Boelen, ik heb echt bestaan, en dit is mijn verhaal, ooit opgetekend door Justus van Oel. In 1968 werkte ik voor de FAO, de Food and Agricultural Organisation van de Verenigde Naties. Ik was direct na de oorlog voor de Verenigde Naties gaan werken, in New York, omdat ik iets voor de wereld wilde doen. Zo kwam ik, in 1968, terecht in Biafra, een opstandige christelijke provincie van het merendeels islamitische Nigeria. De Nigeriaanse centrale regering had besloten de opstandige christelijke Ibo's uit te hongeren, en zo tot onvoorwaardelijke overgave te dwingen. De bolle buikjes van Ibo-kinderen verschenen wereldwijd op TV, en overal in de wereld werd voedsel ingezameld voor de stervende Ibo's. In 1968 bevond ik mij daarom, namens de VN, op een vliegveld in Biafra, en wachtte op vliegtuigen vol voedsel die zouden aankomen uit de Verenigde Staten. Ik dacht aan de witte brood-droppings, tijdens de hongerwinter in Nederland, die ik ook had meegemaakt. Mijn aanwezigheid hier maakte werkelijk verschil, voelde ik, ik zag de verlossende vliegtuigen ons vliegveldje naderen, en zelden in mijn leven voelde ik meer opluchting en blijdschap. De uitgehongerde Afrikanen om mij heen richtten hun blik naar de hemel, hun doffe ogen opeens wijd open en vol verwachting. De vliegtuigen landden. Soldaten van het Ibo-leger hielden de opdringende menigte wanhopigen met harde hand op afstand. Dat moest. Uit de laadruimen kletterende grote, hoekige pallets op het stoffige zand van de landingsbaan. Uitladen moest snel, want het was daar niet veilig. Ik rende er naar toe. Toen ik zag wat er op de pallets stond, storte mijn wereld in. Blikken met augurken. Blikken met afgekeurde, overjarige, Amerikaanse augurken. De VN had voor hongerige Afrikanen, op de rand van de dood, dertig ton gratis gekregen water met de smaak van maagzuur laten overkomen.  Ik heb tot mijn dood voor de FAO gewerkt. En het is misschien gek om te zeggen, maar juist daarom.   


DE KEIZER EN DE HONGERSNOOD

 

 

U kent mij al, van Biafra, mijn naam is Marianne. In Ethopië was hongersnood. De toenmalige heerser, keizer Haile Selassie, leek daar niet van te willen weten. Na lang touwtrekken was voor mij een afspraak geregeld met de keizer. Ik mocht naar zijn paleis komen. Dat was een groot paleis. De ontvangstruimte van de keizer was alleen te bereiken via een lange imponerende hal. Aan weerszijden van het tapijt lagen leeuwen. Echte leeuwen, met zware kettingen geketend aan zuilen. Zolang je op het tapijt bleef lopen, konden de leeuwen niet bij je. Net niet. Het was de langste gang waar ik ooit doorheen ben gelopen. Aan het eind van de gang zwaaiden enorme koperen deuren voor ons open. De keizer bespaarde ons met een simpel handgebaar het onderwerpingsritueel, en opende zelf het gesprek. In vrijwel accentloos Frans. Ik was de enige in de delegatie die dat sprak, en zo was het aan mij om de keizer voorzichtig te vertellen dat op ditzelfde moment in het Noorden honderdduizenden mensen aan de rand van de hongerdood stonden. "Maar madame, wat is het probleem?", sprak de Keizer, "Dat hebben we hier iedere vier jaar, al zolang ons land bestaat". En de keizer bracht het gesprek op ditjes en datjes, de toestand in Europa, en kunst en cultuur. We hebben dat jaar in Ethiopië niet veel kunnen doen. Later wel. Want Zijne Koninklijke Hoogheid Keizer Haile Selassie I, Erfzoon uit het zaad van Koning Salomo, de Alles Overwinnende Leeuw van de stam van Juda, Koning der Koningen, Heer der Heren, Vader der Afrikanen uit het allergeliefdste Ethiopië, het moederland van de zonen en dochters in diaspora’, deze Haile Selassie had het een aangename ontmoeting gevonden. En het is misschien gek om te zeggen, maar dat was het ook. 

 

 

print-vriendelijke
versie