|
||
![]() |
23-27 PIET ONTMOET ANTON, ZIJN ZOON. ONTREDDERING. |
![]() |
![]() |
23 EXT. VELD, ACHTER HUIS PIET. DAG Piet loopt over zijn land. Hij weet niet wat te doen. Hij ziet het grote huis. De bergen. Piet gaat zitten, kijkt en laat zijn gedachten stromen. Piet kijkt van ruime afstand naar het huisje van Annabeth. Annabeth, de roodharige uit het cafe, is bezig buiten de was op te hangen. 27 EXT. HUISJE ANNABETH. DAG Het huisje van Annabeth, op het land van Piet. Piet zit buiten op een stoel, aangeslagen. Hij wil een goed gesprek. Annabeth staat en geeft - ook daarmee aan- dat de tijd van goede gesprekken voorbij is.
Piet kijkt Annabeth schuldbewust aan.
Piet zwijgt, en weet dat Annabeth gelijk heeft.
Piet heeft Annabeth weinig te verwijten, en doet dat ook niet. Piet gaat.
Piet aarzelt even.
Piet loopt van het huisje weg. Annabeth kijkt hem na. printversie |
![]() |
![]() |
||