 |
VOOR JAN BOERSTOEL
maart 1999
In maart 1999 uitgesproken in Het Nieuw de la Mar, bij de uitreiking van een oeuvre-prijs aan Jan Boerstoel, namens het Amsterdams Kleinkunstfestival.
HET ZWIJGENDE VERBAND
Aan Friet van Piet valt niets meer te polijsten, de kern geraakt, en alles is gezegd, vorm en vent, het valt volkomen samen, Friet van Piet, echt, beter kan het niet, op de grens van iets en niets wordt hier ritmisch en op rijm gerefereerd aan mensen en aan eten, twee fenomenen die zoals wij weten, onlosmakelijk verbonden zijn aan ons bestaan op aarde, onbetwistbaar waardevol en waar.
Zo spreken van de grote dingen, in afgemeten mensentaal, het is niet iedereen gegeven.
Friet van Piet, eet smakelijk, wie het een zegt denkt het ander, iets, wat dan ook, blijft ongenoemd, maar wordt geraakt en opgeroepen. Hoe doet de dichter dat?
De dichter vind het zwijgende verband, tussen tekst en mens en wereld, hij vindt niets uit, hij vindt terug, hij deelt ons mee wat wij al deelden, wat half bewust in slaap gesust of door de tijd was weggewassen.
Zijn tekst is als een touw van taal, een lange keten lettergrepen, die mensen met zichzelf verbindt, en aan elkaar, en aan de wereld, en desgewenst aan Friet van Piet, dat in zijn bescheiden vorm licht werpt op een groter wonder: het lag klaar, en werd gevonden en hechtte zich in alle hoofden. De droom van Shakespeare, Hooft en Vondel, terloops te vondeling gelegd een kreet gespijkerd op een kraam en geschonken aan de wereld, door de dichter Piet… van Friet. Een schrijver is geen letterknecht, al zwoegt hij eenzaam op zijn zolder en staat zijn naam niet in de folder, een schrijver is geen letterknecht: hij laat de woorden voor zich werken, om ongemerkt, op afstand, anoniem te heersen over geesten.
Een schrijver kan gedachten lezen, sterker nog, hij leest ze van tevoren, in wat hij heeft weggelaten. Een schrijver schept een lokkend gat, voelt nu al wat de lezer later zoekt en toevoegt, niet tussen alle stenen zit cement, maar het huis, het word herkend, en als zelfgemaakt ervaren, door lezers en door luisteraars. Een schrijver gunt de zangers en de zaal dat kort genot ook God te zijn.
Het riekt naar hoogmoed en bedrog, het wijst de weg naar duistere praktijken, die inderdaad zijn uitgevoerd.
Maar ook veel weemoed en verlangen, tranen, die op opnieuw gestort, als lange parelsnoeren hangen boven duizend stille stoelen.
Het woord, de baksteen van de taal, die in theaters van dit land door een meesterhand geslepen ging glanzen als een diamant.
Mijn ongenoemde onderwerp, de schrijver die hier werd omschreven, u kent zijn naam, lang zal hij leven.
printversie
|
 |