Poezie

GELD IS WAT IS UITGESTELD
augustus 1999

DE ROEM VAN DE RECEPTIE.
Voor Frans Pasman, bij zijn afscheid van de Beijer-groep. Tekst Justus van Oel. Uitgesproken door Tetske van Ossewaarde, op 23 september 1999.

De eerste letter van receptie,
is naar zijn idee een ‘d’,
er zijn er die een ‘er’ ervaren,
dat aanvaardt hij weliswaar,
maar in doortastend demasqué
schrijft híj receptie met een ‘d’,
de ‘d’ van dwang en dode wijn,
die daar zo dapper wordt gedronken.
Dit is receptie met een ‘d’.
Zijn laatste daad als directeur,
zijn laatste wil als dwingeland
is in het openbaar ontkomen
aan de doem van een deceptie.
Recepties worden ónterecht geroemd.

Voor de deur staan tien chauffeurs
te wachten op hun baas, en speuren
kauwend op een peuk naar krassen
bij de ander. Nog leuker is een deuk.

Binnen is er dode wijn, en te weinig eten,
Een toespraak en een gastenboek,
De ouwe hap hangt rond de tap
In de zijzaal strijkt een strijkje.

‘Wie is dat daar’ ‘Ik weet het niet’
‘Je werkt hier toch al twintig jaar’
‘Nee, geen idee’ Een goochelaar
vermaakt de rij. Dapper lacht de pensionaris.

Zichzelf verzilverd op kantoor,
braaf de boodschap uitgedragen,
voor elke dag een fijn bedrag,
maar steeds vaker toch gedacht:
mijn bank bewaart verloren tijd,
mijn leven, opgepot voor later,
als mijn dagen zijn geteld,
dagen die per maand, per jaar
telkens trager gaan verstrijken.
Mijzelf verzilverd tot bezit,
ik ben er voor gestorven,
langzaam, lang niet helemaal,
maar voor wat ik heb verworven
is steeds ook iets verdwenen
één cel per cent, wat zou het zijn?
Hoeveel seconden kost een ton?

Op tafel kisten wijn,
op de gok gekochte boeken.
dikke pillen voor in bed,
placeboos voor de penopauze.
Hij zou ze dán zelfs nog niet lezen.

Het wachten duurt, een file pakken
worstelt in gelid met drank en hap.
Een man loopt morsend langs de rij,
want een baas hoort haast te hebben.

Zijn vrije hand, die zonder glas,
graait naar de pensionaris, en dat
het jammer is maar druk, een ander
keertje weer en kerel veel geluk.

De volgende, vierdelig grijs, zoekt
stotterend het motto dat hij thuis
had opgezocht. De jubilaris luistert
niet, hij hoort het zuchten van zijn ziel.

Geld is wat is uitgesteld. Bevroren verlangen,
verdrongen dromen vertaald in getallen,
geld is ingehouden adem, lucht bewaard voor later,
en ieder hoopt zichzelf ooit terug te kopen.
Maar wie dán leeft, is niet dezelfde die tóen zorgde.
wie dacht aan morgen en een gouden oude dag,
bereikt de eindstreep als een ander. Verzilverd,
maar ook grijzer. Bevrijd, maar ook getekend door de tijd.

Tenue de ville, het goede doel, een weeshuis
deze keer, en heren die hun kroost zelf zelden zien
stoppen enveloppen in een bus. Alweer een klus geklaard.
Deze maand de zevende. Men voelt zich overlevende.

De pensionaris oogt relekst, is feitelijk vertrokken.
Zijn vrouw springt bij met extra tekst. Een wolk
van grijze pakken, streepjes blauw, en nergens zon.
Verplichte kost. Een mistig slot van wat zo feestelijk begon.

Hij weet nog wie hij is geweest, hoewel veel geest
op weg naar hier geworden is tot stof. Een anonymus
zingt zijn lof, en weer een ánder pakt zijn hand.
Die rij streelt toch zijn ijdelheid. Is hij wel zo anders?

Hij smeet zijn ketens weg, maar kan hij ze vergeten? Ze
waren door hemzelf gesmeed, een zware last,
maar bron van trots. Hoe voelt het om geen berg te zijn?
Een losse rots, nog even sterk maar minder hoog.
Na jaren van de top gerold. Het vallen was gewichtloos,
een verademing. De landing in de leegte even vreemd.
Het harnas zit nog in de huid, de nek voelt naakt,
zo zonder das. Hoe wérkt dat ook alweer, zo’n fiets?
Herken je nog je eigen stem, als de woorden
niet meer dwingen? Leert een generaal nog zingen?

Hij gaat zeker niet te vroeg, hij heeft genoeg,
van iedereen. Dat is óók een compliment,
-voor wie hem kent-, maar ondenkbaar op recepties.
Dáár zegt men wat hoort, en hoort wat men al weet.

De garderobe wordt bemenst door ranke stewardessen,
De eerste whisky’s klokken nu al uit de flessen,
al had de pensionaris die pas op het eind gepland.
Er is een leuk casino, buiten, in de partytent.

Partir dat is mourir un peu, en zeker op recepties,
met un martyr qui doit sourir, maar alle onzin beu is,
Dat wat waar en echt is hoort allang te zijn gezegd,
kent u hem goed, kent u hem slecht? Hoe dan ook: adieu voldoet.


printversie