overig werk

Meander, een korte geschiedenis

november 2001

Regelmatig maak ik een ronde langs de winkels om in de gaten te houden wat daar zoal aan spelletjes verkocht werd. Niet het spel met de balletjes dus, waar ik nu mijn zevende jaar mee in ga, maar gelukkig ook niets wat er op lijkt. De paniekberichten uit de kennissenkring blijken weer eens op niets te hebben berust. Ja, er zijn spellen met geultjes, spellen met balletjes, maar mijn spel is anders en nieuw. Voor zover een spel nieuw kan zijn. Wat haat ik ze inmiddels, de gesprekken met vrienden en kennissen, hun troostende woorden en hun goedbedoelde adviezen.“Joh, goed idee, moet je op de markt brengen”. Ja, goed idee. Ik speel het niet meer met andere mensen, wat ronduit verstandig is. Te lang heb ik het bezoek gedwongen met mij aan tafel te gaan zitten en minstens drie potjes te spelen. Toen bekenden bij binnenkomst uit zichzelf gingen melden dat ze het ja! al gespeeld hadden, toen had ik moeten stoppen met aandringen. Al wist ik dat zij wisten mij er geweldig plezier mee te doen, maak vooral ruim baan voor de goedheid van anderen, nee, het was over.

Mijn idee was oud nieuws geworden, en de thuismarkt was verzadigd. Tijd om de boel te begraven. Inmiddels ging het al om veel meer dan het behoud van mijn sociale leven. Het is zelfbehoud geworden. Dat spel moet weg. Dat doe ik, maar het is alsof ik mijzelf in een doos stop. Het gaat niet. Ergens in de kamer moet het te zien blijven. Maar als het aanwezig is gaat het ook niet. Op de kleinste aanmerking op spelregels en de uitvoering reageer ik als gestoken, het is mij onmogelijk geworden mij te verplaatsen in iemand die mijn uitvinding voor het eerst ziet. Na tientallen reizen naar het einde van de nacht ben ik het verschil tussen het idee en de uitvoering vergeten. Ik ben het zelf geworden, wat daar op tafel ligt. Wie mij kent, begrijpt het spel. En wie het dan nog niet snapt moet maar beter opletten. Het is de hoogste tijd. Wil het idee afscheid nemen? Asjeblieft, sodemieter op. Het spel met de balletjes verdwijnt onder de bank in de woonkamer, dan naar de slaapkamer, en dan naar de hoogste plank van de kast in de slaapkamer. Wat blijft is het rondstruinen in speelgoed-winkels en de steeds terugkerende associatie die ik daarbij krijg. Ik zie de schappen tot de nok gevuld met spellen die het wel tot hier hebben gehaald, en loop op hetzelfde moment door Amsterdam, achter een bakfiets met een piano, bijna twintig jaar geleden. Ik zoek een kamer, maar kan die niet vinden. Ik kijk omhoog, zie de lichtjes branden, en realiseer mij dat in al die huizen mensen wonen. Hoe kan dat? Hoe hebben zij ooit dat huis gevonden? Diezelfde mengeling van woede, van berusting in de doffe pech en van verwondering, vind ik terug bij het zien van de schappen in de speelgoedwinkel. Hoe zijn die spelletjes daar ooit gekomen? Hoe kan dat? Waaraan hebben die mensen dat verdiend?

Godzijdank, er zijn ook goeie dagen. Dat is wat ik denk, en ik zie dat mijn vrouw op dit moment hetzelfde denkt. Zo ziet ze me niet iedere dag de kamer binnenlopen, er zal iets bijzonders aan de hand zijn. Dat klopt. Zojuist ben ik zojuist teruggekeerd van mijn eerste ontmoeting met de marketeers en ingenieurs van het Uitvinderscentrum. En dan te bedenken dat ik alleen maar kwam voor technisch advies. Maar ik stapte de lift uit en ze rukten het uit mijn handen. Zo mooi vonden ze het. Nog nooit zoiets gezien. Waarom ben ik hier niet eerder naar toe gegaan? Een  een anonieme dertiger stapte met een rugzak vol aluminium de lift in, drie minuten later zit er boven een uitvinder aan tafel. Met een onzichtbare vetlederen medaille op de borst, waarop in grote zwarte letters ‘ Dit Is Een Uitvinder” is geperst. Met verrassend gemak heb ik afscheid genomen van de man in de lift, van het gekwelde genie dat ik tot voor drie minuten kort was, mijn vorige ik. Maar nu weet ik waar de fout zat. Niet bij die anderen. Bij mijzelf. Verkeerde instelling. Een zak hooi die er zelf niet meer in gelooft en dan verwacht dat anderen dat wel zullen doen. Nee, zo zit het leven niet in elkaar. In een magisch moment ben ik getransformeerd tot een ander, tot iemand die altijd al in mij zat, en nu, eindelijk, de moed heeft om zich buiten te vertonen. En wat was er nu eigenlijk helemaal voor nodig? Een kantoor met grote ramen en uitzicht over het IJ. Het geloof van de overheid in uitvinders, waar dit deskundige gezelschap het bewijs van is. Dat was alles. Ik hoefde alleen maar te bellen, al die tijd, en zie nu vijf paar ogen gericht op een labyrinth van geultjes waar balletjes zachtjes tikkend tergend langzaam plik plok naar de overkant rollen.

“ Ben je industrieel ontwerper?”  De vrouw in het gezelschap vraagt mij of ik industrieel ontwerper ben. Wilt u die vraag nog een keer stellen? Dat zijn de teksten die we willen horen. Ik kijk naar mijn vetlederen medaille en lees ‘Dit Is Een Selfmade Designer”. Wat een prachtige dag! Ik dacht dat hij nooit zou meer zou komen. Ik had alleen durven bellen omdat de zaak toch al  reddeloos was. Als troostprijs, dat ook de overheid er van zou weten. Meer niet. En nu dit.

 “Jij was toch vroeger ook bij het cabaret van Erik van Muiswinkel? Ik heb jullie vroeger nog gezien. Dat met die moord”.  Wat een schitterende dag. Alle lijnen komen samen. Wat een ongelofelijke dag. Het is verjaardag aller verjaardagen, ik vier het begin van de rest van mijn leven, hier, vandaag, nu! Na een lange tocht door de woestijn ben ik aangekomen waar ik thuishoor, en dat is hier, tussen mensen met visie en ondernemerskracht, dezelfde mensen die op raadselachtige wijze de voorgaande zes jaar systematisch ben misgelopen. Nee, nu eerlijk zijn. Voor den dag met de waarheid. Ja. Het was mijn eigen schuld. Ja. Ik ben deze mensen met visie en ondernemers-kracht zo lang misgelopen juist vanwege mijn eigen gebrek aan visie en ondernemerskracht. Nee, het was niet verstandig om zolang aan het handje van Thomas te blijven lopen. Maar ik heb het er zelf naar gemaakt, dat komt ervan als je nog steeds een vader zoekt, want zo is het wel. Dan neem je niet de beste, maar de eerste beetje leuke vader die je kan krijgen. En dat mogen we Thomas niet verwijten. Kijk naar jezelf, doe het, op een dag als vandaag kan je het je veroorloven. In de weerspiegeling van de ruit zie ik mijzelf geprojecteerd worden over de pont die het IJ oversteekt. Zo zie ik er uit als ik verliefd ben. Vandaag ben ik verliefd op mij zelf, het beeld is volmaakt. Een schip dat naar een overkant vaart en mijzelf, als een gelukzalige doorzichtige geestverschijning, daarover heen. De nieuwe wereld. Ondertussen plaats ik op tactische wijze teksten waarmee ik van gezond realisme getuig. Mensen kunnen enorm schrikken van gedrevenheid, weet ik, je moet vóór alles de schijn vermijden dat het een persoonlijke zaak is. Of het nu een toneeltekst betreft, een scenario, een spelletje of een wip na een feestje, maak het zo snel mogelijk tot een zaak, koppel de daad of het ding van je zelf los, genereer een stukje positieve uitstraling op basis van gezond zelfvertrouwen, vermijdt monologen, zwijg zonder de angst dat er nu niets meer gezegd zal worden, en verdomd, dan willen ze opeens wél met je praten. Vooral mijn wijsheid ontroert me. Dus dat hebben die zes jaar worstelen nog wel opgeleverd, en dat is, achteraf, toch meer dan ik dacht. Ik vertel met een werkelijk meesterlijk rust in mijn stem dat ik niet verwacht er onmetelijk rijk van te worden, ik verzeker de staf van het Uitvinderscentrum dat ik niet aanneem dat het spel nu morgen in de winkel zal liggen, en dat als zij hun best doen dat voor mij al voldoende is. Er hoeft geen succes te worden beloofd. De feitelijke mededeling die ik daarmee doe is dat ik niet huilend aan de lijn zal hangen, geen onverwachte huisbezoeken zal afleggen, en geen lysol door de brievenbus van het Uitvinderscentrum zal gooien. Het komt over. En binnen nog geen vier maanden heb ik een afspraak met Jumbo. Dat is snel, weet ik inmiddels. Ze zitten in het centrum van Amsterdam. Ook dat nog. Nee, goed blijven denken. Niet zelf gaan. Geen hond huren en dan zelf willen blaffen. Mijn doctorandus is daar veel beter in. Voor het eerst in mijn leven heb ik een eigen doctorandus.

 “ Nou wij doen dat altijd zo, we leggen een spel duidelijk zichtbaar op deze grote tafel, en dan zien we vanzelf of onze mederwerkers er mee gaan spelen. Of het appeal heeft. En helaas, nee..”

Degene die deze woorden tot mij spreekt ziet er uit als een amanuensis van een scholen-gemeenschap in de provincie. Hij is hoofd nieuwe spelletjes bij een grote firma op dat gebied, gevestigd in een vertrouwenwekkend kantoor op een Amsterdamse gracht. Op de gevel van het pand staan oude letters in gebogen smeedijzer. Bovenin, onder de balken van het dak, zie je als vanzelf een directiekamertje voor je, waar een kalende man met een sigaar over een kasboek zit geleund. Met een aandoenlijk gebrek aan haast schrijft hij cijfers in tabellen. Tussen de middag eet de directeur beneden een broodje en maakt een wandelingetje over de wallen. De dames achter de ramen zien aan zijn gezicht dat meneer de directeur weer een greep in de kleine kas heeft gedaan, einde van de maand!, en lachen hem warm toe. Zo’n bedrijf dus. Ik had er onmiddellijk vertrouwen in. Niet zo’n spiegelwand met systeemplafonds die vanaf de ringweg bereikbaar staat te zijn, maar alleen bereikbaar is voor mensen die gezeten in een automobiel vanaf diezelfde ringweg komen. Nee, sfeer en geschiedenis. In dit kantoor achter de bomen aan de gracht is ooit een spelletjesmagnaat groot geworden is met de export van ganzenbord naar onze overzeese gebiedsdelen. IT Plaza en Teringstein ligt hier eeuwen vandaan. Hier werken gezellige mannen en vrouwen die ‘s avonds met hun gezin de spelletjes doen die uitvinders hier per fiets hebben afgeleverd.

Gebracht heb ik het spel daar niet zelf, dat had de Uitvindercentrale voor mij gedaan. Tegen betaling van een fixed fee had ik mijn noodlot aan hen over kunnen doen. Ik zie het pand aan de gracht voor het eerst, en hoewel ik de uitslag inmiddels al weet, de fantasie dat het goed zou komen draai ik alsnog af. Voor mijn ogen stapt de directeur naar buiten, in zijn mond een restje gemalen bruinbrood met boterhamworst, klaar voor de lunchwip. Zijn stappen versterven in de verte, want het is merkwaardig stil op de gracht, hoogzomer. Een mooi slotbeeld. Dit was het dan. Tot hier was ik gekomen, en in mijn afwezigheid is intussen over mij beslist. Nu kwam ik het spel weer ophalen, zelf. De Uitvinderscentrale had het eventueel wel voor me willen doen,  maar geroutineerd als ik inmiddels ben in stervensbegeleiding van gedachtengoed wil ik het zelf doen. Overlijdensberichten uit de tweede hand hebben minder overtuigingskracht en laten ruimte voor hoop, het laatste waar ik nog behoefte aan heb. Ik moet zo lang mogelijk zien binnen te blijven, zonder boos te worden. Het enige wat hier nog voor mij te halen valt is kennis van zaken. Ik wil ze horen, alle redenen die ten grondslag liggen aan de afwijzing, tot en met de laatste spelfout in de begeleidende brief. Wat heeft de Uitvinderscentrale gezegd, wanneer en in welke volgorde. De amanuensis probeert het juist zo kort mogelijk te houden. Begrijp ik, die heeft al genoeg gekken over de vloer.

“ Ja we hebben het wel een keertje gespeeld, maar eh ja in het begin weet je dus niet wat je moet leggen dan doe je maar wat, en pas aan het eind word het aardig..”.  Ik hoor wat de amanuensis zegt, maar begrijp het niet. Dat kan onmogelijk waar zijn, ik heb er honderden partijtjes opzitten, het begin is óók spannend. Niet zo adembenemend als het eindspel kan zijn, maar spannend zat. De amanuensis houdt voet bij stuk, en de gustibus non est disputandum, nota bene. Hij verzekert mij dat de anderen er ook zo over dachten. Op de grote tafel zie ik de spelletjes die de medewerkers tijdens hun middagbammetje blijkbaar wél spelen, zoals het Aegon Grote Verzekeringsspel, Het Gouden Gids Triviant en Keurslagers Drie-Op-Een-Rij. Ook in de kasten langs de muur van de kamer liggen uitsluitend lang en breed bekende spellen, waar een als nieuw element de naam van een sponsor aan verbonden is. Hier heeft een aanstormend talent in de spellenbiz inderdaad niets te zoeken, troostte ik mijzelf. Maar zo makkelijk was dat niet, om mijzelf te troosten. Ik moets mezelf corrigeren. Ik moest hard  zijn. Dat juist deze middelmatige denkers een gouden kans als mijn spel overboord kieperden, dat maakte het alleen maar ten hemel schreiender. Van wie verloor ik hier? Van een hele hoop niksigheid. Hoezo game over? No fucking game to begin with! “Ik heb het ook met mijn vrouw gespeeld en die vond het ook”. Je moest het eens met mijn vrouw komen spelen, zei ik gedachten tegen de amanuensis, dan hoor je nog veel ergere dingen. Het spel met de ballen was stervende. Nog even en de stekker kon er uit. De Uitvindercentrale begon al te spreken van laatste kansen, en dit pand aan de gracht was mijn voorlaatste kans geweest. Her en der in het land zaten nog wel knutselfabriekjes en eenmanszaken, maar daar hoefde de Uitvinderscentrale niet langs te gaan, had ik gezegd. We gaan alleen voor de grote jongens, de dood of de gladiolen. De aan mij toegewezen doctorandus had die opmerking aanvankelijk grootmoedig weggewuifd. Dat zouden we nog wel zien, zei hij, we moesten het nemen zoals het kwam. En bovendien, eerst de grote jongens maar eens afwachten. Hij had er een goed gevoel over. Dat werd wel minder, viel mij op. Ook hem was de kennismaking met de speelgoedsector blijkbaar tegengevallen. Kennismaking, inderdaad. Nee, geen ervaring. Zijn optimisme aan het begin, dat mij voor weken een goed humeur had bezorgd, was eigenlijk een vergissing geweest. Dat wist ik toen niet, mijn doctorandus besefte al na korte tijd dat zijn enthousiasme bij de eerste ontmoeting gedeeltelijk op een gebrek aan ervaring berustte. Hij had het KeurslagersTriviant-gehalte van de industrie onderschat, ook hij, en vreesde mij teveel te hebben voorgespiegeld. De gedeelde vreugde van het begin was na een tijdje alleen nog mijn vreugde, zodra de kans tot terugkrabbelen zich aanbood greep de doctoranus die met beide handen aan. De aanhef en begroetingen in brieven ging, in kleine stapjes maar onmiskenbaar, de richting op van  standaardcorrespondentie. De formele kou van de afwijzingsbrief werd al voorbereid.

Ik had dat allemaal niet direct in de gaten, de hoop hield mij stevig in haar greep en optimisme maakt een mens er niet gevoeliger op - depressie al evenmin, en uitsluitend halverwege berg en dal ben je even bij je verstand. Het zal dus op dat punt in de afdaling zijn geweest, halverwege,  de koorts was weer gezakt maar de kerker nog buiten beeld, dat tot me doordrong hoe de doctarandus zich schriftelijk en telefonisch koeler begin op te stellen. En dat daar zeker ook een reden voor zou zijn.


Drie maanden later kwam er post van de enige overgebleven grote jongen, uit Duitsland.

“Dear Mr. Doctorandus,  thank you for the well prepared and researched material submitted for the new game”.

Zo, dat is nog eens eer van je werk. Twee dagen video opnemen en monteren, maar direct resultaat. Nog mooier was geweest als degene was bedankt die het daadwerkelijk gedaan had.  “Unfortunately we have found….” 

In de tijd die het kost om een lidwoord te lezen zet ik voor mezelf een stoel klaar, zeg dat het beter is om nu even te gaan zitten, haal diep adem, kijk de man in de stoel aan met een empathische blik, en lees hem de volgende regels van de brief voor.

“ It is not very much of a challenge..”

 Zeven jaar van mijn leven zweven in een diepe stilte weg.

Een dag later lees ik de brief nog eens, zie dat hij uit meerdere zinnen bestaat waar witte stukjes tussen zitten, en het lukt me de woorden de woorden in de goede volgordetot mij te nemen. Ik blijf haken aan die ene zin. “It is not very much of a challenge”. Dat was, in andere woorden weliswaar, hetzelfde wat de speeltjesmeneer van de Wallengracht had gezegd. In een flits besef ik wat er gebeurd moest zijn. Het enige wat er gebeurd kán zijn. Ik stap op mijn fiets, race naar mijn kantoor, ruk een la open. Het is waar. De verkeerde spelregels zijn meegestuurd. Twee keer.  Niet gezien. En mijn eigen schuld. Ik voel een blok lood in mijn maag landen. Het komt uit mijn hoofd en valt na een krampachtige tocht door het darmkanaal dampend tussen mijn benen. Wat geen verstandig iemand in jaren voor elkaar had gekregen heeft mijn eigen stompzinnigheid voor me gedaan. Als je een genie bent is falen strafbaar. Maar niet als je een domme boerenlul bent.

printversie