overig werk

Lezing 'Franse School', Culemborg

april 2001

Beste mensen! Het eerste muziekinstrument was de boom. Op een dag ontdekte iemand dat bomen geluid maakten als je er met een stok op sloeg. Vanaf die dag sloegen de mannen van het dorp met stokken op bomen. Tot een van hen ontdekte dat een bepaalde boom, een holle, een luider en mooier geluid maakte. Eén plus één is twee. Zo ontstond de houten drum, een draagbaar stuk boom dat de door de bespeler zelf was uitgehold. En de evolutie ging door. De dierenvellen die de dorpelingen voor van alles en nog wat gebruikten werden altijd eerst schoongemaakt en opgespannen in de zon. Op een dag gaf iemand een tikje tegen zo’n strak vel en hoorde een rommelend geluid. Eureka! Over de holle houten trom werd een vel gespannen, en er ontstond een nog mooier klinkend slaginstrument. Zolang als ik mij herinner heb ik de pest gehad aan historische verklaringen en reconstructies van het bovenstaande type. Ten eerste is er het woord ‘ontdekken’. Hoe kan iemand niét ontdekken dat een boom geluid maakt als je er met een stok op slaat? Toch is de wereld vol van documentaires en kinderboeken, waarin een viool een verkeerd begrepen pijl en boog is en waar op een dag de mensen ontdekken dat je nat wordt van regen en besluiten om berenvellen te gaan dragen. Het is een verklaring die ieder kind van vier zelf kan bedenken, en toch doen geleerden er onbegrijpelijk gewichtig over. Hun tweede tactiek om het onachterhaalbare verleden te verklaren is het juist het geheimzinnig maken van alles. Een zeer goede verklaring voor de vorm van de pyramide is dat het een stapelvorm is die stabiel blijft. Maken we de pyramide te stijl, dan stort hij in. De onderkant zakt uit. Maken we hem te vlak, dan duurt het te lang voor hij hoog is. Een farao die indruk wil maken, een zeer menselijke eigenschap, komt er na enig proberen vanzelf achter hoe hij dat gewenste verpletterende effect met zo weinig mogelijk stenen en minimaal instortingsgevaar bereikt. Zo, dus. Ook is het geen opzienbarende gedachte om, als je dan toch kan kiezen, de pyramide netjes oost-west-noord-zuid te bouwen. Hier is de banale verklaring zoals van de boomtrommel juist weer een hele goede, maar nee. De godenwereld, de astrologie en hordes buitenaardse bezoekers worden opgetrommeld om een driehoekige hoop stenen begrijpelijk te maken. Of neem nu de man die ik, op TV, zag zitten op een rots in de Via Mala, een nauwe doorgang met woeste rivier van de Sint Bernhard naar het noorden. Al duizenden jaren gebruiken reizigers deze passage en sommigen van hen hebben op rotsen concentrische cirkels getekend. Is te doen. Je passer is een stukje hout. Je draait een scherp hard steentje met het houtje mee om het middelpunt. Ziedaar, een perfect cirkelvormige kras en hakken maar. Het hoeft geen grotere religieuze betekenis te hebben dan hedendaagse graffiti op een tunnelmuur. Ze verveelden zich gewoon. Net als graffiti-artiesten en stoelbekladders, ook al mensen die vaak elkaars voorbeeld volgen.

Waarom zouden ook niet een handvol van die miljoenen passanten in de Via Mala dat gedaan hebben? Je bent halverwege Rome en Trier, je ziet een rots met concentrische cirkels en maakt er zelf ook een paar. Als je terugkomt is die roos van cirkels er nog. Dat vinden mensen leuk, om een spoor achter te laten. De deskundige in de documentaire werd bijna boos toen de interviewer hem deze opzienbarende theorie voorlezen.

Dit was een column van Justus van Oel.

Justus van Oel. Onthou die naam. Ik geeft het toe: er zijn namen die bekender zijn. Ivo Niehe. Aad van den Heuvel. Erik van Muiswinkel. Hans Teeuwen. Tineke Verburg. Fons de Poel. Theo van Gogh. Hans Bohm. Sylvia Millecamp. Henk Spaan. Peter Heerschop. Raoul Heertje. Maria Henneman. Annemarie Oster. Thomas Acda. Joop van den Ende. Johnny Kraaykamp Junior. Jan Kuitenbrouwer. Youp van t' Hek. En het mooie is, al deze mensen zouden mij herkennen op straat. U mag klappen.

Het vervelende is, dat vrijwel alle andere mensen op straat mij niet herkennen. Het komt ongeveer eens per jaar voor dat iemand die ik niet ken mij aanspreekt en iets van mij blijkt te weten. Ik staar hem of haar aan, en denk: ik moet eens iets minder gaan drinken. Deze man of vrouw heeft duidelijk ooit met mij gesproken, ergens, en vond het gezellig, geil, of interessant. Maar ik heb geen idee. Ik moet minder gaan drinken, denk ik. Gelukkig blijkt dan dat iemand mijn fotootje onder een column heeft onthouden, of lang geleden naar een voorstelling is wezen kijken. Opgelucht bestel ik een biertje, en dat was het dan.

Natuurlijk weet Joost van Rijn, een vriend van mij, dat allemaal ook. Ik ben geen bekende Nederlander, en als jullie een onvergetelijke avond willen, daar moeten jullie zelf voor zorgen. En het is nóg erger: Joost van Rijn had liever wél een echt bekende Nederlander op dit podium gehad. Maar een, A.Th. van der Heyden, wilde niet, en de andere, Erik van Muiswinkel, wilde ook niet, al zei hij beleefd dat hij niet kón.

Aan het feit dat Erik, eh.. afzegde, had ik eerder al een column in het Haarlems Dagblad te danken, omdat Erik niet kon heb ik het filmscript van een Telefilm herschreven, omdat ik Erik niet kon ben ik bij de bevalling van zijn derde kind geweest, en dan noem ik nu alleen nog maar de interessante schnabbels.

En het is nog erger: niet alleen ben ik geen bekende nederlander, niet alleen leef ik van de kruimels die mijn rijke vrienden mij toewerpen, ook heb ik een buitengewoon ellendig leven. Ik ben schrijver, en wel meer dan dat, maar alleen het schrijverschap is ruim voldoende om Prozac, touw en keukentrap altijd binnen bereik te willen hebben. En daarin, in mijn droeve lot, schuilt vanavond de ware verdienste van mijn aanwezigheid. Joost van Rijn, mijn gastheer, denkt at kunst mensen gelukkig maakt, zou kunnen, maar Joost trekt daar ook de conclusie uit dat kunstenaars gezegende mensen zijn. Het doel van deze lezing, die zal gaan over mijn kunstenaarschap, is Joost te bewijzen dat hij ongelijk heeft. Hij is gelukkiger, met jullie, met zijn gezin, met zijn school, dan enig schrijver in Nederland ooit zal kunnen zijn. Als ik straks de laatste zin gesproken heb, zal er een golf van opluchting door jullie heengaan, omdat jullie een andere carriere zullen kiezen of hebben gekozen dan ik. Ik zal mij, ondertussen, storten in een warm bad van zelfmedelijden. We behandelen in deze lezing eerst de persoonlijk van de kunstenaar, en dan zijn werk.

Het volgende citaat komt uit een twee keer afgewezen roman, van mij, een roman die ik uitsluitend uitgegeven wil zien om daar een taalspel mee te verkopen. Dat taalspel is inmiddels in heel Europa afgewezen. Over de tragische persoonlijkheid van de kunstenaar:

(citaat:)

Natuurlijk is het niet zo dat altijd alles mislukt in mijn leven. Er lukt heus weleens iets. Wel is het zo dat mijn neiging om mislukkingen te koesteren groot is en mijn talent voor tevredenheid minimaal. Niet dat ik geen momenten van tevredenheid ken, maar tevredenheid laat in mij geen sporen na. Bij andere mensen wel. Ik snap dat niet. Op een dag had je honger, je at iets, en was tevreden. Dat kan ik volgen. Maar nu bestaan er mensen, ik ken ze, die het volgende beweren: als je weer een keer honger hebt kan je terugdenken aan dat eerdere moment dat je at, en dat helpt. Ze kijken erbij of ze het menen. Helaas, in mij groeit niet zo’n geluksbos waar om de zoveel tijd een boompje wordt bijgeplant. Ik heb geen tuin waar oude successen bij het bekijken weer in bloei raken

Ooit zal het moment komen dat de toekomst als een muur voor mijn neus staat. Einde van de rit, mensen, bedankt voor het meedoen, en sorry, hierna is niets meer. Voor het laatst kijk ik achterom. Andere mensen zien dan inderdaad iets, denk ik. Iets dat waarschijnlijk zal lijken op dat beroemde plaatje uit ‘De Wachttoren’ van een fraai belicht, parkachtig landschap met gras en bomen, waar leeuwen naast lammeren slapen en vaders en moeders picknicken met hun kinderen onder een stralend blauwe hemel. Gespaard geluk. Tevreden verleden. Een vriendelijk geheugen heeft de vuiltjes uit het leven gezeefd, herinneringen zijn om de zoveel jaar uit de oude doos gehaald en opgepoetst en bijgepunt, alles met het oog op een fijne laatste terugblik, en die komt er dan ook. Tevredenheid veroorzaakt zichzelf. Het begint allemaal met de eerste gedachte dat het allemaal wel aardig is. De rest is binnenhalen.

Tevredenheid maakt tevreden, zo simpel is het. De feitelijke omstandigheden doen er verder niet zoveel toe. Maar hoe vergaat het iemand die begon met de gedachte dat het allemaal juist niet deugt? Wat zal ík zien als ik mij staande op de rand van mijn graf nog een keer omdraai? Nóg een muur. Dat weet ik. Er staat een muur vóór mij, dezelfde muur waartegen ook uw leven zich schuifelend zal doodlopen, maar ook áchter mij staat een muur. Een muur die langzaam met mij meeschuift en mij volgt op een paar dagen afstand. Hoe en wanneer ik hem gebouwd heb weet ik niet meer, wel waarom. Wat die muur aan het oog onttrekt is een oceaan van gemiste kansen, die mij, als ik hem werkelijk zag, alle moed voor morgen in de schoenen zou doen zinken. Ik zou oplossen in de leegte. Dat zou nu al het einde zijn.

Ik wil dingen maken. Scheppen. Uitvinden. Maar waarom? Is het mijn behoefte aan roem en applaus, aan erkenning, en is de uitvinding op zich een bijzaak, ging het om die juichende menigte, of was er eerst het de uitvinding? Maar ook dan blijft het raadsel waar die uitvinding vandaan kwam. Waar komt die uitvinding vandaan? Een uitvinding is het gevolg van hersenbesmetting. Zomaar een gedachte komt binnen en begint, zonder dat de gastheer het merkt, te groeien. Een gedachte is een virus. De gedachte vermenigvuldigt zich en verandert van vorm wanneer dat gunstiger is voor de overlevingskansen. Opeens bespeurt de uitvinder bij zichzelf een koortsachtige hersenactiviteit en heeft, zomaar een voorbeeld, een bijna weggegooide tentstok zichzelf veranderd in een opvouwbaar voetbaldoeltje voor in het Amsterdamse Bos, en een hoofd dat barst van één idee gaat open als een geinfecteerde cel.

Een gedachte, van jaren her, komt in een nieuwe vorm naar buiten: als voetbaldoeltje, maar ook, zoals hier, als woorden in een toespraak, woorden die anderen er toe kunnen aanzetten om ook met uitwerpbare tentstokken aan de slag te gaan of toespraken te houden.

Een gedachte is een virus, een uitvinding een ziekte, en de ziekte is weer een middel om anderen met het virus te besmetten. En een uitvinder is gewoon iemand die pech heeft. Tot zover klopt het allemaal. Maar hoe zit het met de vrije wil? Waarom blijft, ondanks alle geredeneer, de behoefte aan erkenning zo diep? Wat moet er toch bewezen worden, en aan wie? Was er ooit iemand die beweerde dat we niks konden en niks waren, en besteden we de rest van ons leven nu aan het bewijzen van diens ongelijk? Al lijkt het in praktijk niet veel uit te maken, ik heb me dat vaak afgevraagd. Het is geen onwil, moet u weten. Ook ongelukkige mensen willen gewoon gelukkig zijn. Applaus? Ik heb het weten te oogsten maar rust en tevredenheid bracht het niet. Roem is gekomen en gegaan maar er veranderde niets. Ook andere roken mijn ongeluk en kregen er een slecht humeur van. Tevreden mensen vinden zichzelf sympathiek en ervaren het gedrag van een ontevredene als persoonlijk verwijt, zien het als ondankbaarheid en aandachtrekkerij van iemand die weigert te zien dat de wereld vol is van aardige behulpzame mensen. Zoals zijzelf bijvoorbeeld. Aanvankelijk namen de mensen in mijn omgeving nog de moeite mij van mijn vergissing te overtuigen. Dat deden ze met lange opsommingen van mijn prestaties, bezittingen en talenten, tevreden mensen denken namelijk dat zij hun tevredenheid ergens aan te danken hebben, en concluderen daaruit dat wie datzelfde of méér heeft ook het geluk moet kunnen bereiken. Kwestie van inventariseren, meer niet. Tevreden mensen zien het verschil tussen de winkel en de winkelier niet, dat had ik al vlot in de smiezen, maar aangezien ik niets van tevredenheid wist leek het me verstandig toch op mijn omgeving te vertrouwen. Want waarom zouden juist aardige tevreden mensen mij willen voorliegen? Dat zeg ik. Voor het in slaap vallen telde ik trouw mijn zegeningen en sloot ze op in een hok om ze ‘s nachts rustig van alle kanten te kunnen bekijken. En inderdaad, aan de leveringsvoorwaarden voor menselijk geluk zoals vastgelegd in de wereldgeschiedenis, de mythologie en de roddelpers had ik ruim voldaan. Daar kon de fout niet liggen. Lag het misschien aan het idee zelf, was ik niet tevreden met wát ik had bedacht, moest ik het zoeken in productverbetering? Of was het een kwestie van hoeveelheid, had ik eenvoudigweg wat meer roem en applaus nodig om gelukkig te worden?

Meten is weten. Ik zette aan voor de eindsprint die mij bracht in de Utrechtse Schouwburg waar drie opeenvolgende dagen duizend mensen klapten voor mij en mijn persoonlijke gedachtengoed. Minuten lang. Mijn teleurstelling was onbeschrijfelijk. Vanaf dat moment wist ik het zeker. Dat het nooit goed zou zijn, en nooit genoeg. Maar waarom?

Einde van het citaat, u weet nu alles van mij, en ik begrijp nog steeds niets van mijzelf. Maar de conclusie is: geld en roem maken niet gelukkig, als je het daarvoor ook al niet was. Gelukkig zijn zit in je eigen karakter, in je genen, of niet. Het slechte nieuws is: je kunt er dus weinig aan doen. Het goede nieuws is: je kunt maar net zo goed gaan zingen, dansen, muziek maken, boeken schrijven. Het maakt niet uit. Was je al gelukkig, dan blijf je het. Was je een tobber, dan blijf je een tobber.

We hadden over het lot van de kunstenaar, meestal droevig, nu ga ik het hebben over het lot van zijn of haar werk. Riemen vast, zakdoeken bij de hand. Het werk waar we het over gaan hebben is een dertiendelige televisieserie, over twee verliefde jonge mensen die aan het eind dood zullen zijn. Romeo en Julia, dus. Ik ben inmiddels bij aflevering acht, en Romeo, dat is belangrijk, die is Marokkaan.

Het begin. Theo van Gogh belt. "Just, Veronica wil een serie, Najib en Julia, nou dan weet je het wel. Ik wil 1 aflevering, 12 outlines van de andere afleveringen , je hebt een week, 14.000'.

Na vijf dagen en vijf slapeloze nachten was het af. En een jaar lang gebeurde er helemaal niets. Vroeger hield ik, als er iets leuks aan kwam, tijd vrij. Dan nam ik geen ander werk aan. Ik heb zo in vijf maanden ooit exact nul gulden verdiend, omdat ik mij wel vrijhield, maar niemand zijn woord hield. Dus ga ervan uit, dat het niet doorgaat. Hoop is dodelijk. Ook voor de portemonnee. Maar probeer tegelijk zo gemotiveerd mogelijk te schrijven. Anders lukt het niet.

Een jaar later. 'Just die serie het gaat door.. de AVRO wil, vrijdag om 6 uur in dat en dat restaurant gaan we het beslissen. Kom ook'.

Ik dacht -uiteraard- we samen zouden eten. Niet waar. Ik dacht dat besloten zou worden tot een opdracht voor de hele serie. Of niet. Want de proefopdracht wás immers al klaar. Maar het ging om een níeuwe proefopdracht, nu van 3 afleveringen, en 10 nieuwe outlines van de rest. Binnen een maand graag, riepen ze nog toen ze om 10 over 6 het restaurant uitliepen. Binnen een maand.

Mij hadden ze een jaar laten wachten. En woedend waren ze, dat ik zo dom was geweest om ander werk aan te nemen. Nu moesten zij wachten. Heel onprofessioneel, van mij. Maar voor de ze ene keer zagen ze het door de vingers.

Maanden later. Het is bijna af, die 3 afleveringen, de telefoon gaat. De AVRO. 'Just, je wist toch wel dat wij het zelf niet beslissen, het moet eerst nog naar het dit-en-dat fonds?' Nee, dat wist ik niet, omdat niemand me dat had verteld. ' Dus het moet nu toch twee weken eerder klaar'. Vijf dagen en vijf slapeloze nachten later zijn de afleveringen zoals ze volgens de AVRO zijn moeten. Ik stuur ze met de email weg. Vijf minuten later. De telefoon gaat. 'Sorry, het had toch niet gehoeven, gisteravond om half twaalf is het beleid veranderd'. Ik heb een week buikpijn. Maar ze gaan het fonds overslaan. De succeskans stijgt.

Een week later. De AVRO. ' Just, je weet dat wij het niet zelf in de hand hebben he, het moet nog langs de netcoordinator' . Nee, dat wist ik niet want dat had niemand me verteld. 'Op 1 maart is de uitslag'. Dat is pas over vijf weken.

Vijf weken later. 'Ja Just, met de AVRO, ja, we hadden vandaag zelf ook de uitslag verwacht, toen zijn we eens gaan bellen, we hebben eens rondgevraagd, en we zijn vergeten om het in te leveren'. Ik ben een week ziek. Nou ja, dronken.

Het zal jullie, en mij, zijn opgevallen, dat het over de inhoud van de serie Najib en Julia nu nog steeds niet gegaan is. Met mijn laatste krachten zal ik ook daar nog een woordje aan wijden.

De AVRO wilde dat de Marrokaan, Najib, op de universiteit zat. Ze hadden het liefst een succesvol ruimtevaarder van hem gemaakt die dertien talen sprak, vermoed ik, want de AVRO wilde een rolmodel. Ik wilde een mens. Theo van Gogh, de regisseur en initiatiefnemer, wilde veel harde grappen over de Islam. Dat wilde ik niet. Als compromis hebben we een hoogbegaafde Marokkaan die in zes Atheneum zit op zijn 24ste, knap, want onze Najib is pas 10 jaar in Nederland.

De AVRO wilde dat Julia's blanke familie erg rijk zou zijn, voor maximaal contrast. Theo van Gogh wilden dat de familie van Julia middenklasse was, voor de waarschijnlijkheid. Het is middenklasse geworden, maar als gebaar naar de AVRO hebben Najib toen nog maar iets begaafder gemaakt en hem vloeiend Frans laten spreken.

Dat Najib een misdadige broer in de gevangenis heeft, wegens cokehandel, was voor niemand een probleem. Eigenlijk vreemd. Wel wilden de AVRO en Theo van Gogh, dat Julia's vader een platte rascist zou zijn, erg tegen Najib's en flink aan de drank. Daar was ik tegen, vanwege de waarschijnlijkheid. Najib moet toch op zijn minst bij Julia thuis kunnen komen. Ik kreeg mijn zin. Maar in ruil heb ik die vader een vriend gegeven, die een platte rascist is, enorm aan de drank, en betrokken bij cokehandel. Als u het allemaal niet kunt volgen, dat klopt.

Inmiddels ben ik gelukkig erg aan Najib en Julia gehecht geraakt, en het spijt me oprecht dat ze van ons allemaal moeten gaan sterven. Want het loopt slecht met ze af.

Met mij ook. Hoewel ik er twee jaar werk in heb zitten, zal het idee eeuwig van Theo van blijven. 'Najib en Julia, dan weet je het wel'. Dat was het dan, dat idee.

Ik zal niet tevreden zijn over het gefilmde resultaat, want ik heb er langer over nagedacht dan wie dan ook. Mijn fantasie kent geen grenzen, televisiebudgetten en het talent van acteurs kennen wel grenzen.

Er zullen paar honderdduizend mensen kijken. De publiciteit zal naar Van Gogh gaan, en naar de acteurs. Ik zal een ton rijker zijn, dat is overigens maar de helft van het door schrijvers en omroepen ooit afgesproken norm-bedrag. Maar het is graag of niet.

Het moet worden gemaakt, dus 'niet', dat nooit. Maar graag? Doe ik het graag?

Dit is leuker. Wat ik net heb gedaan, hier, dat is veel leuker. Maar ja, is het kunst?

printversie