overig werk

Verslag Iran-reis, Haarlems Dagblad

juni 1999

REPORTAGE IRAN

De burgemeester van Teheran, hervormingsgezind, moet na een politiek geinspireerde aanklacht wegens fraude twee jaar de gevangenis in. Een Iraanse generaal, held uit de Irak-oorlog, wordt op straat in Teheran doodgeschoten. De progressieve president Khatami, voor het eerst op wereldtournee namens de Islamitische Republiek, weigert in Frankrijk met Chirac te dineren omdat er wijn op tafel zal komen. Dat las u in uw krant over Iran, precies in de periode dat wij - twee stellen, en twee kleine kinderen- in dat land op rondreis waren, per taxi, autobus, en te voet achter de twee buggies aan. Een cultuurvakantie, geinspireerd door de Iraanse politieke ontspanning en de eerste tekenen van nieuw Iraans wereldburgerschap, waarover het afgelopen jaar in tijdschrijften en kranten opeens zoveel geschreven werd. Maar ook, dat natuurlijk ook, uit romantische nieuwsgierigheid naar een land dat psychologisch verder weg ligt dan Australie, een land dat ik al twee keer van 10.000 meter hoogte had bewonderd, onderweg naar elders. Iran, met zijn hoge bergruggen met zomerse sneeuw, zijn kale stoppelige vlaktes en dan -opeens- frisse vlekken groen die de rivier volgen, en dat andere, onverwachte groen van oases aan het eind van een lang ondergronds irrrigatiekanaal, dat je uit het vliegtuig herkent als een rechte lijn van molshoopjes, opgeworpen door in de loop van eeuwen uitgegraven grond. Er komen is niet ingewikkeld: een nieuw paspoort aanvragen zodat niemand weet dat u ooit in Israel geweest bent, en afwachten of het individuele visum inderdaad wordt verstrekt. Wij kregen dat, en gingen. Kinderen mee, een kaart van Iran en de Lonely Planet Iran-gids op zak, kriebelend van verwachting en met lichte zenuwen over onze sprong in het culturele duister.
De landing naar Teheran is ingezet. In het vliegtuigen giechelen zich verkledende Iraanse vrouwen om de conservatieve kleding van onze dames, die gekozen hebben voor lichaamsverhullende zakken en zwarte zwarte kousen die daarin naadloos opstijgen. Zelf gooien zij, Iraanse vrouwen van de wereld, een los laken over hun vlotte pakje. Hoofddoek erbij, en klaar. En eenmaal thuis zijn ze met één handgebaar weer een goedgeklede vrouw. De eerste wandeling in Teheran. ‘Arab, arab’, fluisteren achter onze rug de Iraanse vrouwen, die de hoofdbedekking van mijn vrouw herkennen als Marokkaans. Inderdaad, die tweedelige elastische hoofdkous heeft zij al voor vertrek gekocht in Amsterdam-West, om de Iraanse douane door te kunnen. Lopen wij voor gek? Nee, zo blijkt al snel. Want ‘Iraanse lente’ of niet, de zwarte chador tot op de schoenen domineert in het hele land het straatbeeld. En hoe leuk je je ook ónder dat laken kan kleden, het ding dreigt voortdurend naar achteren te gijden, en iedere activiteit met de handen - zoals buggies duwen of tassen dragen, dwingt tot het tussen de tanden klemmen van de losse doek. Na enige dagen constateren wij dat de zwarte hobbezak, hoewel niet flatteus, is het enige werkbare alternatief is. Tent aan, kousen en ondergoed, zo eenvoudig zal het aankleden de komende drie weken lang voor onze vrouwen zijn. En het scheelt en passant een hoop bagage.
De muur aan de overkant van Taleghani-straat, in Teheran, toont portretten van ayatollah Komeiny en engelstalige leuzen. ‘The day the United States will praise us, will be a day of mourning’. Daarnaast een schildering van een neerstortend vliegtuig. Het is de Iraanse airbus met bedevaartgangers, die tijdens de golfoorlog per ongeluk door de geallieerden is neergeschoten: een daad van terrorisme, zo beweert de muurschildering. Zou kunnen, denk ik. Ik laat mij ogen afdwalen naar de andere fresco’s: dappere frontsoldaten die het opnemen tegen Irak. Met twee, drie miljoen man -zeggen ze- zijn ze aan de grens gesneuveld, en iedere jaar worden er - zeggen ze- nog 30.000 gevonden. Als toerist vind je ze ook: door het hele land, duizenden graven met foto’s achter plexiglas. Er wordt naar mij geroepen. Een lichtblauwe Paykan -het eigen Iraanse automerk, kopie van een 25 jaar oud Engels automodel- is naast mij gestopt. De man op de rechterstoel maakt zich bekend als politieagent, toont een pas met foto, en wil mijn pakje shag controleren op hasjies. Er begint een overrompelende fouillering, door het het autoraampje heen. ‘This country is in ruins, there is no more hope’, zegt ‘s avonds de hotelmanager, als ik hem vertel hoe ik door een agent bekwaam van 900 dollar ben ontdaan. ‘ Didn’t your embassy warn you? We have a bad problem in this country’. Hij adviseert me om nooit iets uit handen te geven, en als er perse iets gecontroleerd moet worden, in te stappen en mee te gaan naar het bureau. Te laat. En de eerste twee uur die ik in Iran heb doorgebracht, zullen mij meer gekost blijken te hebben dan drie weken vakantie voor het hele gezin, inclusief flinke binnenlandse vlucht. Later, als ik de economie van het land wat beter doorkrijg, besef ik dat ik de agent van driekwart van zijn jaarsalaris heb voorzien. Ik leer ook andere dingen, zoals: wissel nooit dollars bij een bank, dat levert per dollar maar 5000 ryal op. Op straat, bij bijvoorbeeld juweliers of hun discrete stromannen, is een dollar goed voor 8000 ryal. Want dollars zijn waardevast, en daarnaast onmisbaar als extraatje voor wie legaal of illegaal naar het buitenland wil. De overheid heeft zich met de zwarte markt inmiddels verzoend: hoewel een bordje op het vliegveld de aankomende toerist nog dreigend naar de deviezencontrole stuurt, is er niemand meer die telt hoeveel dollars u invoert - of later weer uitvoert. Iraniers die niet aan dollars kunnen komen - de meesten - kopen van hun spaargeld waardevaste juwelen bij de juwelier, of, als ze ondernemender zijn, bakstenen en cement. De gemiddelde Iraanse stad is een eindeloos uitdijende betonjungle, vol halfvoltooide huizen die steen voor steen bij elkaar worden gescharreld.
De badplaats Ramsar, aan de overkant van de schitterende bergen die Teheran in het Noorden scheiden van de Kaspische zee. Onze kinderen blijken een busreis van 6 uur aan te kunnen, dat is de meevaller, maar vooralsnog staan we op een stoffig kruispunt, zien geen zee, en niemand spreekt een woord Engels. Ritueel herhalen wij de naam van een appartement dat wij opgezocht hebben in onze reisgids. ‘Nazia Suites’. Na vijf minuten volgt de doorbraak. ‘Soe-ie-tes Nazia, aha!’. Gezessen proppen wij ons in een taxi - een Paykan uiteraard- en laten ons voor een vermoedelijke habbekrats naar het dorpscentrum rijden. Tijdens de rit komt het rudimentaire gesprek op Nederland, en dus op voetbal, en dus op Johan Cruijff. Zo is dat nu eenmaal, ook in Iran. We krijgen het taxiritje kado, met dank aan de maestro uit Betondorp. Welkom in Ramsar, ooit het speeltje-aan-zee van de Sjah. In die zee is al jaren niet gezwommen, zo lijkt het. De stellages in het water waarmee de doeken voor het gescheiden mannen- en vrouwen-strand kunnen worden opgehangen zijn in totaal verval, het speeltuintje is kapotgeroest, de waterfietsen zijn in jaren niet onderhouden. Maar het is achter onze rug dat de Islamitische revolutie haar overtuigendste monument heeft nagelaten. Lopend door een verwilderde tuin stuiten we eerst op een zwembad van Florida-achtige allure, de duikplank veert nog, boven een halve hectare grasgroen water. Daarachter het skelet van het Grote Casino, ontdaan van alles wat de lokale bevolking bruikbaar leek en nooit meer ergens voor gebruikt, uitsluitend nuttig als van kilometers ver zichtbaar graf van ijdele dromen. Op de prachtige boulevard, landinwaarts naar het -uiteraard voormalige- Grand Hotel, wisselen cypressen en hoge palmen elkaar keurig af. Op het midden, tussen de tweestroken, is van alle lantaarnpalen is de uitpuilende bedrading met plakband en kroonsteentjes gerepareerd. Maar alle lampenkappen zijn vernield. Daar waar nog een losse gloeilamp zat, in die ene laatste lantaarnpaal voor de kiosk, is die gloeilamp vernield. Gisteren, zo te zien.
‘Er is geen hoop meer, misschien voor onze kinderen. Voor ons niet meer’, zegt de chirurg in vlekkeloos Frans. Hij is een man van de vijftig, opgeleid in Quebec, werkt in het ziekenhuis van Mashad en heeft net naar mijn verstuikte enkel gekeken. Zijn kinderen, voor wie wel hoop is, zitten in het buitenland. Zij durven er niet meer in, hij kan Iran niet uit. Acht jaar heeft hij dienst gedaan aan het front met Irak, hij is een zachtmoedige man met een enorm verdriet in zijn ogen. Hij steekt pas van wal als hij merkt dat ik Frans spreek, die taal is veilig, binnen de muren van het ziekenhuis, zegt hij. Zijn collega, ook chirurg, zit aan dezelfde tafel een kijkt demonstratief de andere kant op. Af en toe komt er iemand binnen, met een vraag en een formulier, en wordt met instructies van twee woorden en een enkel gebaar de kamer weer uitgezwaaid.
‘De bevolkingsexplosie, dat is het ergste geweest. We zijn in dertig jaar verdubbeld. Ik heb honderden artsen opgeleid. En wat doen ze? Ze zij allemaal taxichauffeur’. Of zelfs dat niet eens, denk ik, want een auto is ook niet voor iedereen weggelegd. Iran is een arm land, met speeltuinen waar zeventien van de twee-en-twintig schommels kapot zijn - op een dag ga je het zelfs tellen-, met sanitair dat zelfs in de duurste hotels druppelt en langzaam losraakt van de muur. Toch probeer ik, als dankbare patient die met alle egards en eigenlijk genante voorrang behandeld is, iets positiefs te zeggen. Over de beschaving, die in Iran onmiskenbaar is blijven voortleven en de gastvrijheid ondanks alles. De chirurg zegt even niets, kijkt weg. Ik zie zijn droefste ogen als hij mij weer aankijkt. ‘Hebt u ze gezien, al die jonge werkeloze mannen, op straat? Als die straks losbreken, wie zal ze tegen kunnen houden?’ In stilte wacht ik tot de hoteleigenaar, die dit alles voor mij regelde maar nu zelf even zelf wat te regelen heeft in het ziekenhuis, mij weer komt halen. Achter de chirurg zie ik het uitzicht over een troosteloze nieuwbouwstad. Het leed dat de Islamitische Revolutie in mensen moet hebben aangericht, en een vergooid leven dat loodzwaar in de kamer hangt, het prikt als tranen achter mijn ogen. ‘Ik wens u hoop’, zeg ik als ik wegga.
Gorgan. Een stad in Oost-Iran, in de hoek met de Kaspische zee. Een man van in de tachtig herkent ons als buitenlands, en spreekt ons aan in het Engels, Frans en Duits. Zijn ogen stralen van opwinding. ‘Ik was hier in deze stad het hoofd van het Toeristen-buro’ zegt hij, en begint zonder zich te laten onderbreken in alle toonaarden zijn blijdschap uit te spreken over het feit dat we er zijn. In zijn stad. Als westerse toerist. Of we die prachtige bergen hebben gezien, in het noorden? Daar in die bergen had hij vroeger gejaagd, met rijke bezoekers en mensen van aanzien. ‘Until the sixties we had the Caspian tiger’, verteld hij stralend, ‘And we had panthers and gazelle and luxury hotels and now we are building up again because of mister Kahatami, the new prime minister, mister Khatami says it is good to have relations with the West’. Hij zal een uur lang niet meer van onze zijde wijken. Een winkel gaat voor hem open, omdat wij melk nodig hebben voor de kinderen. Bij de koekjeswinkel zoekt hij een kilo van Gorgan’s beste zoete waar bij elkaar, en brengt ons vervolgens naar het beste restaurant van Gorgan. Wij proberen niet teleurgesteld te kijken als dat alweer een kebab-tent is. Gelukkig hebben we voor op het hotel nog een kilo koekjes, en warm water voor de thee.
De volgende dag maak ik een ommetje, links rechts links rechts door de nauwe straatjes. Door een gat in een lemen muur zie ik opeens, twee meter onder straatnivo, een schitterende sinaasappelboomgaard. Hectares groot, middenin de stad. Ik volg de muur en stuit op wat vroeger het herenhuis was. Schitterend houtwerk in de ramen, Kaspische balkons en pannendak. De Islamitische revolutie heeft niets beters kunnen bedenken dan de helft van het huis in brand te steken, en in de instortende rest een tafeltennistafel neer te zetten. Ik heb het met Iran even helemaal gehad. Mijn vrouw was al zover. Zij krijgt langzamerhand de indruk dat ze niet bestaat. Niemand praat met haar. De mannen niet -uiteraard-, maar zelfs de vrouwen vragen aan mij hoe zij heet. Dat ze een beroep zou kunnen hebben, of welke mening over Iran dan ook, het schijnt er geheel niet toe te doen. Andere dingen wennen wel: de eeuwige zwarte hobbezak en de tweedelige Marokkaanse hoofdkous, de mannen die in de bus naar een stukje blote enkel staren tot ze hun ogen er aan branden, daar had ze wel op gerekend. Maar niet bestaan, dat is teveel gevraagd. s’Avonds maken we maken we opnieuw een wandeling, achter de buggie de volkswijk in. Een man vraagt ons een foto van zijn binnenplaats te maken. En of we thee willen. Even later zitten wij gezessen in de huiskamer op een zee van tapijten wijn te drinken. Zelfgemaakte, illegale rode wijn, en de enige alcohol die wij in het land ooit hebben aangetroffen. De Turkmeense TV staat aan. Voor het eerst zien wij een niet gesluierde omroepster. Zonder dat er een woord gewisseld kan worden ( ‘foto’ en ‘tea’ was de gehele buitenlandse woordenschat van onze gastheer ) voelen wij ons thuis en vertrouwd.
Wandelen, rondkijken en wachten op wat er gebeurd. Dat is wat je in Iran doet. De verrassingen komen vanzelf. Soms hoef je niet verder te kijken dan jouw tafel in het restaurant, en ontdek je ‘Parsi Cola’ en ‘Koolack Cola’, twee merken zwartgekleurde frisdrank waarmee Iran een discrete liefdesverklaring aflegt aan de grote Satan Amerika. Want dat Khomeiny daar wat tactische foutjes heeft gemaakt, hoef je geen enkele Iranier nog uit te leggen. En ook Iraanse jongeren willen kldeing dragen die blijkens het opschrift ‘manufucterud in the USA’ is. Inclusief spelfout. En ze willen eten bij de fastfoodzaak van ‘Max Berger’, een doordenkertje waar ik pas na twee dagen in een helder moment ‘Mac’s burger’ van kon maken. Want al is het Engels in Iran is in een gesprekken vaak een hel ( ‘What about you is my name?’), in het stedelijk landschap is het een heuse attractie. Met ‘Weel Come in my bus’ op de bus, en ‘My God’ op vrachtwagens. Dat laatste vertelt en passant alles over de verkeerssituatie in Iran ( beloof me dat u daar nooit, maar dan ook nooit zelf gaat rondrijden!), maar getuigt vooral van een oprechte hunkering om er -met behoud van het eigene- eindelijk weer bij te horen. Met op iedere straathoek een internationaal ‘Teravel Agency’ en geen kebab maar een ‘Paper Steak du Chep’, met een auto die geen rokende en ronkende Paykan is is, maar snel en aerodynamisch als een ‘Dezert Egel’. Nog steeds kunnen er dagen voorbijgaan zonder dat iemand Engels of iets anders spreekt, en kost het drie volwassenen ( de vierde past op de kinderen) soms een kwartier om het juiste loket in te vinden. Maar op andere momenten bevind je je - zonder waarschuwing vooraf - opeens middenin een een grote kring twintigjarigen die allemaal tegelijk een identiek Engels gesprek met je wensen te voeren. En ze afwijzen is hartverscheurend, ook al zit je nou net even rustig drie kilometer buiten de stad, ergens, in de vergeefse hoop een restaurant aan te treffen dat geen Kebaberette zou zijn. Even later stopt er een taxi. De drie studenten Engels, dezelfden die ons het restaurant hadden gewezen, stappen uit en gaan buiten wachten tot wij ons verwaardigen het woord tot ze te richten. Aandoenlijk, dat is het woord, hoe krenkend ook voor de niet geringe Iraanse nationale trots. Hun Engelse boek komt uit Berkeley, Californie, en bevat alles wat Amerikaanse studenten ook mogen lezen, inclusief ‘shagging’ en ‘digging in the dingo’ en nog 28 andere bargoense synoniemen voor neuken. Het is nog lelijk laat geworden die avond. Want wat zou u terugzeggen op ‘ What do you think of Islam’, of ‘What do you think of Iran’? En wat zou u zeggen, op de met ogen vol verwachting gestelde vraag ‘What is poetry?’. Ik wilde snel, voor de vuist weg, zomaar een voorbeeld geven, en zei: ‘Life is a prison, and wine is the window’. Die opmerking haalde de andere kant van de cultuurbarriere niet, uiteraard, maar inderdaad, een wijntje in Iran zou er zo af en toe wel in zijn gegaan om even stoom af te blazen in een maatschappij waar verder niemand dat ooit lijkt te doen. Mogen ze het niet, of willen ze het niet? ‘Democracy is dangerous’, zei de beschaafde militair, tevens theologiestudent, terwijl wij over Shiraz uitkeken, zittend op een heuvel. ‘When you give a hungry man to much food he will eat until he explodes’. Dat besef, van die naderende explosie, het was hetzelfde wat de hotelmanager in Teheran bedoelde, hetzelfde wat de chirurg in Mashad zei, en hetzelfde wat wij -tijdens drie weken aan de wandel- voelden. Dat het zo niet kan blijven, maar hoe moet het dan wél? De post-communistisch kater in de Sovjet-Unie, het verlies van grond onder de voeten: in Iran zag ik daarvan de Islamitische variant. Stof voor drama, stof voor gedichten, minder geschikt voor in uw reisgids. Maar, ondertussen moet u niet vergeten hoe mooi de bergen en het landschap van Iran kunnen zijn, dat Persepolis prachtig is, dat Esfahan met voorsprong de gezelligste en mooiste stad van het land is, en dat de moskee die Shah Abbas in datzelfde Esfahan gebouwd heeft mij de tranen van ontroering in de ogen deed springen. Ook dat is Iran, maar dat staat allemaal al in uw reisgids.

Justus van Oel.

Vervoer: Prima bus- en minibus-systeem, goedkope taxis, zeer goedkope binnenlandse vluchten. De reis: Teheran, Ramsar (Kaspische kust) , Babolsar ( Kaspische kust), Gorgan, Mashad, vliegen naar Shiraz, Abade, Esfahan, Kashan, Teheran. Reizen met kinderen: er zijn luiers, er is koemelk. Geld: contante dollars. Reisgids: Lonely Planet, Iran. Informatie individuele visa: Koning Aap Reizen, Amsterdam.

printversie