 |
oktober 1999
TER GELEGENHEID VAN DE OPENING VAN HET ECL-LYCEUMTHEATER, Haarlem, 21 oktober 1999, uitgesproken en geschreven door Justus van Oel.
Ik ben blij dat ik me met deze feestrede nog op de valreep bij u kan aansluiten. Het is nu ook een beetje dankzij mij. Dank u wel. En graag gedaan. Een Zwarte Doos. We hebben het hem gefikst. U en ik. En wat is er niet allemaal voor nodig geweest. Ik noem u het enthousiasme van het comite, de aarzelingen van het bestuur, bloed zweet tranen en stille haat in de wandelgangen en natuurlijk geld geld geld altijd moeilijk, en dat het toch gelukt is. Maar! dat we vooral niet moeten denken dat we er nu al zijn, dat we nog maar aan het begin staan, weant we hebben nog een lange weg te gaan, desalniettemin, een mijlpaal, en de voorlopige bekroning van een rijke traditie, ik stel voor dat we allemaal even onze ogen sluiten, onze naasten vergeven, en stil voor onzelf bedenken hoe goed dit is, deze Zwarte Doos, en hoe dankbaar de wereld ons daarvoor zou moeten zijn. Wij zijn fijne mensen. Nee, vaak werden we niet begrepen. Maar het is toch goed gekomen. Gefeliciteerd. ‘t Is mooi. Een grid. Echt licht. Vlakke vloer. Prachtig.
In 1983, heel lang geleden, stond ik, ongeveer op deze plaats, op een ouderwets hoog podium. Ik trad op voor mijn oude school, samen met een vriend. Onze wederzijdse broers assisteerden. Een mevrouw die op deze school werkte als dramadocente had de repetitie gezien, nam ons terzijde, en vroeg ons: "Voor wie doen jullie dit in godsnaam". Wij waren geen leerlingen meer van deze school, en bovendien nooit háár leerlingen geweest, zij zag dan ook geen enkele reden om het tactisch te brengen. "Voor wie doen jullie dit in godsnaam?" was dan ook geen vraag. Het was het dringende verzoek om op te sodemieteren en onze talenten elders te spreiden. Het is met Erik en mij desondanks aardig goed gekomen. De betreffende drama-docente trof ik later aan als verlopen alcoholiste, onder een brug. Ze had geen tanden meer, en droeg morsend met speeksel eindeloze passages voor uit één van haar vele nooit gespeelde stukken. Tussen de onverstaanbare alineaas door vroeg ze passanten om een gulden. Ach, die Margrit Vrenegoor.
Nee, dat is niet waar. Inderdaad. Het is Margrit na haar drama-docentschap goed vergaan, ze heeft een eigen gezelschap en trouwhartig verscheur ik minstens tweemaal per jaar de foldertjes die haar nieuwe stukken aankondigen. Sans rancune. En het leukste is, mijn vrouw krijgt ze ook toegestuurd. Maar gezegd moet worden, de vraag " Voor wie doen jullie dit in godsnaam", is altijd een goede vraag. Het was ook de eerste vraag die in mij opkwam, toen ik hoorde van het plan om binnen het gebouw van het ECL een professioneel theater te gaan bouwen. Hoezo? Het ging toch goed! Ieder jaar weer zag ik, of vernam ik via-via, van revue-avonden en muziek-spektakels op het ouderwetse lijsttoneel, met schuifwand erachter. Hoe juichende applausen klonken voor de dappere corps de ballet op dat kleine podium waar de muziekleraar na het slotapplaus door een haag van jonge maagden in triomf werd opgetild en door de zaal gedragen, iets waar de meeste professionele theatermensen een leven lang vergeefs van blijven dromen. ‘Voor wie doen jullie dit in godsnaam’. Het juiste antwoord wilde me destijds niet te binnenschieten, maar had natuurlijk moeten luiden: om indruk te maken op de meisjes. Volgens de filosoof Jaap van Heerden is de enige drijfveer achter kunst maken namelijk het imponeren van de meisjes. Over waarom meisjes op de planken gaan staan, en zelfs vaker dan jongens, daarover geeft Jaap van Heerden geen uitsluitsel. Maar dat zal dan ook wel iets met teeltkeus te maken hebben, en dat de dames vooraan willen staan als de dominante zaadcellen worden uitgedeeld. Toneel als pauwendans. Zang als lokroep. Ballet als baltsgedrag. Zo ziet Jaap van Heerden het. Heeft hij gelijk? Ach, zeker de gereformeerden onder ons zullen daarin iets herkennen. Als toneelspelen in zichzelf al geen zonde is, dan in ieder geval toch het voorportaal ervan. Voor het libidineuze aspect van kunst hebben de mannenbroeders altijd een fijne neus gehad. Hongerig als ze waren, konden ze het zweet van de danseresjes al mijlen buiten het theater ruiken. En dat de katholieke concurrentie, de Jezuieten, juist dol was op toneel, dat maakte de zaak er natuurlijk alleen nog maar verdachter op. De opening van een theater, in een protestants-christelijke school, is historisch gezien dan ook een zelfoverwinning. Het is zelfs zo drastisch aangepakt, dat je denkt aan overcompensatie.
Voor wie doen jullie dit? Het is toch hopelijk niet de bedoeling om met een overkill aan materiele zaken nóg meer leerlingen van deze school te verleiden tot een carriere in de podiumkunsten? Voor de meeste mensen loopt dat namelijk helemaal niet goed af. De hobby die ze eerst hadden, toneelspelen, wordt al snel tot een brandmerk in de kaartenbak van het arbeidsburo, toneelspeler. Natuurlijk, u kent alleen maar sucesvolle acteurs. Die met werk. Dat klopt. Die zonder werk krijgt u namelijk nooit te zien. Maar er zijn er veel. De meesten. Maar toneel in Nederland doet het toch goed? Helemaal niet. In Amsterdam en omstreken, waar driekwart van onze podiumbeesten woont, bestaat soms de helft van het publiek bij kleine voorstellingen uit collega’s. Ze zijn hun eigen doelgroep geworden. Een zelfverwijzend deel van de cultuur. Eenzame zwemmers die rondjes draaien in een warm badje gevuld met subsidie en bijstandsuitkeringen. ‘Verspilling is het ware kenmerk van beschaving’, zei eens een andere filosoof. Tuurlijk, van cultuur krijg je nooit genoeg, en we kunnen het ons allemaal moeiteloos veroorloven. Maar het is maar een spelletje. Toneel spelen. Viool spelen. Wie gaat spelen om de knikkers, en van zijn hobby zijn beroep maakt, is helaas zijn hobby kwijt. Neem nu dat meisje dat zo briljant trompet speelde in de dorpsfanfare. En dat nu avond aan avond in een anoniem groot orkest rusten van 516 maten uittelt om eventjes ‘toet’ te mogen doen. Maar terug naar die gezellige dorpsfanfare, dat lukt niet meer. Die fanfare speelt volgens haar geschoolde oren inmiddels te vals en te ongelijk. Je kan later van alles worden, maar nooit opnieuw amateur. We doen niet een revuetje op school, nee, we hebben een voorstelling in het Lyceumtheater. U ziet een zwarte doos. Ik ook. Maar ik zie ook de verloren onschuld. Vooruitgang heeft ook zijn nadelen. Je denkt ze van te voren te weten, maar het worden altijd andere dan waar je je op voorbereidde. Wie iets verandert, verandert altijd ook iets anders. En dat brengt mij op de wet van Heslinga. Deze Heslinga, de opmerkelijke vader van een klasgenoot van mij, beweerde dat organisaties alleen goed kunnen functioneren als de randvoorwaarden niet goed zijn. Sterker nog, hoe beroerder hoe beter. Dus prop vooral een heleboel mensen in te klein kantoor. Waar het zomers te warm is en ‘s winters te koud. Mensen zullen dan trotser zijn op hun prestaties, omdat de omstandigheden het werken moeilijker maakten. Mensen krijgen een band, omdat ze samen ongemak overwinnen. Gedeelde smart is volgens Heslinga niet halve smart, het is veel meer, het is waardevol sociaal contact. Een krakkemikkige werkomgeving is een zegen voor een organisatie. Wie wil dat organistaies werken, moet vooral zorgen dat er iets te klagen valt. Klemmende deuren, falende liften, daarmee schep je een prachtig mikpunt voor allerlei ongenoegens, die mensen anders op elkaar zullen botvieren. De Wet van Heslinga, en volgens die zelfde wet leidt verbetering van de omstandigheden dus ogenblikkelijk tot ellende. En zullen, al dus Heslinga, de nieuwe voorstellingen, in deze volmaakte omgeving, in het begin ernstig gaan tegenvallen. Vanaf nu ligt ieder falen echt aan jezelf. Moet je tegen kunnen. Een troost wil ik wel geven: na een tijdje gaan er gelukkig vanzelf weer dingen kapot, en als de verloedering weer een werkbaar nivo heeft bereikt zal de oude sfeer langzaam terugkeren. Maar zoals vroeger wordt het nooit meer. Besef wel wat u hier aangericht hebt. Misschien is het verstandig dat we allemaal even wat kapot maken, voor ons vertrek.
Mijn laatste waarschuwing, hierna wordt het gezellig, betreft het NS-syndroom. Het NS-syndroom dreigt altijd waar iets georganiseerd wordt, en werkt als volgt: je hebt door het hele land prachtige glanzende rails gelegd, stations gebouwd, en een wiskundig volmaakt schema voor de treinenloop ontworpen, alles is zoals het zijn moet. En wat blijkt? Er blijken passagiers in te stappen. Die die prachtig treinen viesmaken. Die met hun handtasje tussen de deur klem komen te zitten. Of aan de noodrem trekken. Gaat je dienstregeling. En erger nog: mensen blijken met de trein zomaar ergens naar toe te willen, als er helemaal geen trein gepland was, en worden dan nog boos ook. Klanten, het is de hel. Dat is het NS-syndroom, en met nieuwe theaters werkt het precies zo. We hebben een nieuwe vloer dus liever niet schuiven met het decor. Die deur krast in de lak. Kan het ook zonder decor? Ja, je kan het podium verplaatsen, maar het staat toch prima zo? Anders moet je ook het licht weer omhangen. Ja, het licht omhangen kan, maar het hangt toch prima zo? En wie heeft er een spijker in de nieuwe verf geslagen? Wie? Heel leuk hoor publiek, maar wel overal modder in de gang. En wie regelt het extra wc-papier? Is daar budget voor? Een theater bouwen is eigenlijk nog vrij makkelijk. Het moeten benutten, is verschrikkelijk. Wij staan hier in een goedaardig gezwel. Ruimteschip school heeft een alien aan boord. Een duistere doos vol libido, fantasie en ongetemde dromen. In de microkosmos van het ECL huist vanaf vandaag een zwart gat, dat trekt aan mensen. En aan geld. The vortex.
En binnen een jaar zal iemand hier verzuchten: is het eigenlijk niks voor Van der Valk, die theaterzaal? Door de weeks schoolkantine, en in het weekend leuke danseresjes tussen de tafeltjes? En van de opbrengst kopen we dan computers! En dan zeggen wij: nee. Want wij weten namelijk voor wie wij het doen. Wij kweken hier publiek. Voor William en Tenessee en Euripides. Dat er af een toe een toneelspelertje uit zijn dop wordt gehaald, dat risico moeten we maar nemen. Maar het belangrijkste gebeurt in de zaal. Wij kweken hier publiek. Voor Gerard Jan en Johan Sebastiaan. Met zweterige revues openen wij internet-oogjes, met onherstelbaar verbeterd wereldrepertoire wekken we soapkijkertjes uit hun slaap, met zang en dans bieden wij een verantwoord doelwit voor ongeleide hormonen. Dat doen wij. Dat af een toe een van onze leerlingen zich bij de kleinkunstakademie meldt, sorry, waar gehakt wordt vallen spaanders. Maar wat wij hier doen, is niet de aanloop bij de Sociale Dienst stimuleren, dat is per ongeluk, nee, wij werken aan een toekomstige run op de kassa’s van schouwburgen en concertzalen. Kijk. Daar staat ie weer, de scrum van het ECL. En allemaal willen ze er in. En hier is het begonnen. In deze Zwarte Doos. Geluk en plezier ermee!
printversie
|
 |