 |
december 1999
UITGESPROKEN IN HET ARCHITECTUURCENTRUM ABC, Groot Heiligland, Haarlem, op 30 december 1999.
Wilt u iets over uzelf weten, vraag het een vreemde. Bij ons thuis waren we met vier broers, die allemaal nogal graag, veel en hard pleegden te praten. Het verschil tussen een verbale guerillaoorlog en een conversatie was ons onbekend. Het kwam bij ons niet op dat elkaar voortdurend in de rede vallen iets bijzonders was, of dat dat in andere gezinnen anders zou gaan. Naarmate meer van ons leven zich buiten de familiekring ging afspelen werden wij, de vier Van Oelen, er steeds vaker op geattendeerd dat onze manier van gesprekken voeren dominant, en zelfs onbeleefd was. Voor de buitenwacht was dat abnormaal gedrag, en die buitenwacht veronderstelde, weer vanuit de eigen normen en waarden, dat wij met stille hints en lichaamstaal te corrigeren waren, tekenen die wij helaas niet oppikten - bij ons zéi je iets gewoon, hardop, en zonodig een tiental keren. In dergelijke situaties is het moeilijk iets van elkaar te leren. Voor ons was het wachten op een vreemdeling die het ons tien keer heel hard in de oren schreeuwde. Vanmiddag sta ik als vreemde in een stad, en wordt geacht iets te zeggen over juist het meest eigenene van die stad, de architectuur. Analoog aan mijn familiegeschiedenis neem ik aan dat u niets van mij zult opsteken, want de mislukking van uw stad is voor u volkomen normaal, u kent niet anders, en u ziet dat zelfs niet eens als een probleem.
Laat ik beginnen met vast te stellen wat ik versta onder een stad die in architectonisch opzicht dan wel gelukt is, en waaruit dat lukken dan precies bestaat. Welnu, met Karl Popper in het achterhoofd kwam ik tot mijn toetsbare definitie van een architectonisch geslaagde stad: dat is een stad die in hoogstens 50 woorden zodanig omschreven kan worden, dat een verder onwetende vreemdeling die stad zou herkennen. Op dezelfde manier als je het verhaal van Romeo en Julia in 50 woorden kan vertellen, of een goede Amerikaanse speelfilm, kan dat ook met een architectonisch geslaagde stad. Zo is Amsterdam een stad met een hoefijzervormige gordel van parallel lopend grachten, voor Parijs omschrijven we het stervormige stratenplan van Hausmann en de Champs Elysee, voor New York omschrijven we de skyline van Manhattan, het rechthoekige stratenplan, het wijde water en de bruggen, en ook Wijk aan Zee zal menig Marsbewoner kunnen herkennen aan de ligging in een kom, dat kerkje in het midden, de duinen, en het silhouet van de Hoogovens op de achtergrond. Kortom, veel steden zijn architectonisch herkenbaar, zonder dat enig specifiek gebouw met naam en toenaam genoemd hoeft te worden. U kunt nu tegenwerpen dat ik alleen steden met bepaalde bijzondere eigenschappen architectonisch geslaagd vind. Inderdaad. Zoals ook alleen boeken, films en romans met bepaalde bijzondere eigenschappen als geslaagd worden beschouwd, en ik zie niet in waarom dat met de architectonische uitvoering van steden anders zou zijn. En ik ga u nu dezelfde vraag stellen die ik mijzelf stelde bij het bedenken van deze spreekbeurt: hoe kan Haarlem in 50 woorden zo omschreven worden, dat een Poolse boer met alleen die woorden op een briefje zeker weet dat hij in Haarlem is aangekomen? Als ik voor die boer dat briefje zou moeten maken, dan stond daar op: het is die stad met een groot plein met kerk en gotisch gebouwtje, hier en daar grachten, opvallend veel huizen met twee bouwlagen, en aan de zuidkant een paar hectare bos met oude bomen
Overigens vind ik dat de Haarlemmerhout eigenlijk niet mag meedoen, want dat is juist de enige plek waar Haarlem architectonisch nooit van de grond is gekomen. Nee, eerlijk is eerlijk. Mijn omschrijving van Haarlem komt geloof ik niet verder dan de Grote Markt, grachten, en veel lage huizen. Zie verder ook Delft en Leiden en Alkmaar. Nee, bijzonder vind ik Haarlem niet, en volgens mijn eigen definitie is het dus ook niet architectonisch geslaagd. Maar gelukkig ben ik geen Haarlemmer, en heb er geen last van, en u gelukkig ook niet, want u weet niet beter.
Of vergeet ik nu iets? O jah, de hofjes. Vooruit, de hofjes. Die hebben echter wel als nadeel dat je ze alleen vind als je al weet waar ze zijn. Ze zitten namelijk verborgen, en net zo min als je over de catacomben van Rome mag beweren dat ze architectonisch gewicht in de schaal leggen, geldt dat ook voor een binnentuin waarin toevallig een deur zit. Een deur die trouwens meestal dicht is. Op zijn best zou je Haarlem in architectonisch opzicht een boeiend amalgaam kunnen noemen, maar dat is de wanhoopstaal die VVV’s ook uitslaan over Almere, en dat pad weiger ik verder te betreden. Haarlem is een stad zonder grote gebaren, en ook een stad zonder opvallende excentriciteit in details. Het straatbeeld loopt over van redelijkheid, en lijkt geschapen te zijn voor en door generaties van redelijke mensen. Niet door het grote geld, dat Venetie en Amsterdam uit de grond stampte. Een stad die nooit de armoede en stagnatie kende die Brugge en Damme bevroor in de tijd. Hier heersten nooit heersers die kerken platmaakten voor boulevards, hier was geen tsaar om middenin een moeras zijn gedroomde Sint Petersburg neer te zetten. Haarlem is een gemiddelde, het resultaat van de talloze verstandige afwegingen door de eeuwen heen. Haarlem is wat je krijgt als alles heel lang best wel goed gaat, zonder al te veel natuurrampen en immigratiegolven, zonder visionairen en rouwdouwers. En dat alles is natuurlijk een groot geluk geweest, vooral voor de vorige bewoners dan. Nee, geen pyramides op de Grote Markt, besmeurd met het bloed van tienduizenden slaven. Hier is kalmpjes aan een aardige stad bij elkaar gesprokkeld. Want dat is zo: Haarlem is zo enorm aardig. Tot die conclusie had ik natuurlijk al veel sneller kunnen komen, en zonder herhalingen, maar ik had u al verteld: in mijn familie moest je ook alles tien keer zeggen, omdat al die andere broers dat ook deden. En allemaal tegelijk. Maar dat Haarlem enorm aardig is, dat wil ik dan ook nog wel een keer zeggen. En met opvallend veel aardige restaurants. Geen theaters met allure, geen excentrieke homo-parades, restaurants. In aardige straatjes.
Voor mij, als Amsterdammer, was dat aardige inderdaad het eerste wat mij, in 1973, aan Haarlem opviel. Ik zag opeens huizen met twee bouwlagen en vaak ook een pannendak, met dan met zelfgeknutselde dakkapel daarin. Dat soort aardige huizen kende ik helemaal niet in mijn Amsterdam. Dit waren huizen van de mensen zelf, dacht ik onmiddellijk, niet van die armoedige huuretages zoals in Amsterdam-Oost. Fundamenteel iets anders. Haarlem stond vol met huizen van de mensen zelf, die daar graag wilden wonen en die hun trap niet hoefden te delen, en zelf een tuin hadden. Haarlem is voor mij synoniem geworden met twee etages. En met zelf een huis hebben. Het rijkere zuiden, bij de hout, heb ik onbewust altijd tot Heemstede gerekend, waar het inderdaad naadloos in opgaat. Haarlem Noord hoorde voor mij bij Beverwijk.
Haarlem was voor mij alle huizen van tweebouwlagen die niet in Haarlem-Noord- stonden, zo omschrijf ik mijn toenmalige beeld van uw aardige stad het best.
Kritische luisteraars zullen inmiddels opgemerkt hebben, dat mijn spreekbeurt uitsluitend nog over vroeger is gegaan, terwijl toch mijn visie op het ‘nu’ vanmiddag een van de lokkertjes was. Maar er bestaat geen stad-van-nu. Je hoeft maar een hoek om te slaan of je staat in een stad van jaren, of zelfs eeuwen geleden. Het meest ‘nu’ in een willekeurige stad zijn de winkelstraten, vol modieuze beeldvangers van middenstanders die daar voor over 20 jaar voor 95% verdwenen zijn. Of, typisch Haarlems ‘nu’, die stapel telefooncellen bij het Houtplein, of, ander ‘nu’, de indrukwekkende woekering aan verkeerslichten, verkeersdrempels, verhoginkjes, verlaginkjes, zuiltjes en richtingbordjes waarmee het stadsbestuur op letterlijk elke straathoek van zijn organisatietalent getuigt. Het is bestuurders eigen om ijver te verwarren met visie, maar zoveel ijver lijkt mij als buitenstaander ook nu weer niet nodig.
Geen stad die stad wil heten kan zonder een zekere chaos, het botsen van grote en kleine gedachten in welke vorm dan ook, gebrek aan voorspelbaarheid in welke vorm dan ook geeft een stad energie. Maar als het ‘nu’ in Haarlem van iets getuigt is het van een enorme obsessie met controle. De rotte tandjes worden niet gekoesterd. Stedelijk onkruid wordt al uit de grond getrokken voor het heeft kunnen bloeien. Het is hier aanharken en bijpunten, en nooit de dood of de gladiolen. Een gesponsorde telefooncellenberg die door de bevolking massaal als kunstwerk wordt geadopteerd, saai of zelfs normaal zou ik het niet willen noemen, maar wel typerend voor een stad die de normen en waarden weerspiegelt van de brede, brede middenklasse. Gemiddeld, het woord viel al eerder.
De architectuur van Haarlem mag volgens mijn 50-woorden criterium dan niet geslaagd zijn, waar het uiterlijk van de stad duidelijk wel in slaagt is om zijn bevolking recht te doen. What you see is what you get. Een boeiend amalgaam met een breed midden. Een stad als een huishouden zonder gekkigheid of spilzucht, gewoon gewoon en gewoon gezellig. Ik zeg u: de jaren vijftig zijn in Haarlem nooit opgehouden te bestaan, ze hebben zich weliswaar ieder decennium keurig gehuld in nieuwe vormen, maar Haarlem is in essentie altijd Haarlem anno 1950 gebleven. En geen architect die er ooit iets aan heeft kunnen -of mogen- veranderen. Er is trouw voortgeborduurd op dat beroemde monumentale treinstation en op die overdadig monumentale Katholieke kerk aan de Leidsche vaart, alsof per 1950 alle grote daden al definitief waren verricht. Vanaf die dag was het woord aan die lage huisjes van mensen zelf met zelfgefreubelde dakkapel, het past, het klopt, dus laten we alsjeblieft voorkomen dat het in Haarlem ooit ‘nu’ wordt. Ik zou er niet meer aan kunnen wennen.
Karl Popper, ik noemde hem in verband met mijn vijftig woordencriterium. Dat was ten eerste om u te laten weten dat ik mijn klassieken ken, maar ook omdat het, zoals Popper eist, heel eenvoudig is om mijn pertinente ongelijk over uw prachtige stad te bewijzen. Welnu, stel dat het u lukt een Poolse boer te vinden, die eenmaal in Nederland op grond van vijftig door u geschreven algemene woorden over Haarlem datzelfde Haarlem identificeert, dan heb ik dit allemaal niet gezegd. Dan heeft Haarlem gewonnen.
Tot slot wil ik de wens uitspreken dat diegenen die ooit instemden met de sloop van de Spaarnekerk, tot aan het eind van hun dagen in de torenspits van die kerk worden opgesloten, en verplicht worden te eten uit de vuilnisbak van de snackbar waar die torenspits inmiddels het uithangbord is geworden. Ik dank u.
Justus van Oel, 28 december 1999.
printversie
|
 |