 |
juni 2000
PARAGUAY, april 2000
Onze eerste dag in Paraguay, na Argentinië, Uruguay en Brazilië alweer het vierde land op onze rondreis in het stroomgebied van de Rio Plata. Een week eerder vond in Paraguay nog een mislukte poging tot staatsgreep plaats, naar wordt aangenomen door partijvrienden van de vorige president, die moest vluchten op beschuldiging van huurmoord op zijn eigen vice-president. Maar ook zijn er kranten die beweren dat de nieuwe president een mislukte coup tegen zichzélf heeft georganiseerd, om democratisch over te komen in de VS. Nu heerst hier officieel de noodtoestand, maar zoals ons door lachende Brazilianen al was voorspeld: niets van te merken. Bij het binnenkomen van Paraguay lukt het ons niet eens om ons paspoort aan iemand te laten zien. De grensbrug is één grote file van Braziliaanse koopjesjagers. Wat die in Paraguay komen kopen is binnengesmokkelde electronica, drank en sigaretten. Wat ze binnenbrengen zijn dekens, wonderlijk genoeg. Ieder vrij plekje in het bagagerek van onze bus ligt er vol mee. Ook wegwerpluiers zijn in Paraguay meer waard dan in Brazilie. We passeren pickup-trucks met meters hoog gestapelde pakken Pampers, en ook toilet-papier blijkt een gewild Braziliaans exportproduct. Het is een chaos, nergens is douane. Het is bijna een opluchting. Na de rust en orde van Zuid-Brazilie, verrassend blank en welvarend, zijn we eindelijk in Látijns Amerika aangekomen. Inmiddels kijken alweer drie uur naar weiden en akkers, in de bus van Ciudad de ‘l Este naar Encarnacion. De kinderen, van anderhalf en drieenhalf, slapen. Abel heeft zich routineus in de jas van zijn vader gedraaid en slaapt met zijn hoofd op papa’s schouders. Lute viert dat de bus eindelijk leeg is en ligt comfortabel op twee stoelen. De percelen zijn hier minder recht en regelmatig dan in de buurlanden. Meer plukjes bos zijn blijven staan, akkers liggen soms zelfs braak en zijn weer aan het verwilderen. Met ruime tussenpozen passeren we groepjes huizen, half van hout en half van steen, elk met een kleine omheinde tuin, fruitbomen en een paard of wat koeien. Als de bus stopt in een van de schaarse dorpen, is dat nooit direct aan de weg. De trots van zelfs het kleinste gehucht is een eigen busstation met overdekte perrons en een vertrekhal met loketten. Al is het dorp maar drie straten breed vanaf de hoofdroute, iedere bus wordt via nadrukkelijk eenrichtingsverkeer en veel krappe bochten naar de lokale Terminal geleid, ergens achterin de bebouwde kom. Altijd lijkt zo’n busstation ook groter te zijn dan nodig is, en dat is niet alleen lokale trots: publieke werken zijn in Latijns Amerika dé methode voor staatsdienaars om hun inkomsten op te vijzelen. Hoe groter het busstation, des te groter groter de bedragen die de bouwers laten terugvloeien naar de opdrachtgevers, oftewel, hoe schever de verhouding tussen de omvang van de Terminal en de omvang van het dorp, des te corrupter het bestuur. Ook op landelijk niveau werkt het hier zo: Paraguay houdt al jaren Argentinie financieel in gijzeling met een gezamenlijke stuwdam, aanvankelijk begroot op anderhalf miljard dollar, maar inmiddels zijn de kosten voor voltooiing opgelopen tot acht-en-eenhalf miljard. De Argentijnen dachten hun verlies al enkele keren genomen te hebben, maar nu de dam bijna af is eist Paraguay een extra vergoeding voor de verhuizing van 40.000 mensen die nu de bodem van het toekomstige stuwmeer bevolken.
Ook dát dat soort informatie halen wij uit de onze ‘Lonely Planet’ reisgids, een waakzame databank waarin wij ook onze bestemming van vandaag hebben gevonden: Colonia Pirápo, een Japanse dorp waar temidden van het niets een honkbalstadion met 1000 zitplaatsen en een electronisch scorebord is gebouwd. Altijd leuk. De bus zet ons eruit bij een kaarsrechte rode kleiweg die route 6 kruist. Er is niets. Niet het beloofde Hotel Pirápo, en zelfs geen dorp Pirápo. Op een meters hoog bord staat in verweerde houten letters dat het centrum van Pirápo linksaf is. Maar hoe ver? Met de kinderen in de buggies en de bagage al op de rug staan we besluiteloos op het kruispunt. Er moet tijdens een doe-het-zelf reis al zoveel besloten, overlegd en geregeld worden dat nu even niemand er zin in heeft. "Gaan we liften?’ ‘Tuurlijk" "Hoe bedoel je?" "Tuurlijk, ga jij lekker liften joh". Aarzelend wuif ik naar een naderende rode pickup-truck, die stopt. In een vlaag van besluitvaardigheid zetten de twee vrouwen zichzelf en alle bagage in de achterbak. De mannen en kinderen kunnen voorin. Hoewel de vergadering formeel nog niets besloten had, is de lift al een feit. "Sprechen sie Deutsch?’, vraagt de man achter het stuur. Hij heeft mij zojuist in het Nederlands horen uitvaren tegen Lute die huilend met haar vieze schoenen op de achterbank staat omdat ze naar haar moeder wil, in de achterbak. De bestuurder blijft er lakoniek onder. In Pirápo is volgens hem overigens niets bijzonders te zien. " Nou ja dat willen we dan ook even meemaken", zeg ik. Onze weldoener heet Jorge Kressin en is een derde-generatie Paraguayaan. Zijn nog steeds perfekte Duits heeft hij geleerd van zijn Mutti, tegenwoordig leren kinderen het zelfs weer op school. "De staat wil dat, vanwege de handelsbetrekkingen". We rijden inmiddels al vele kilometers door een volkomen boomloos landschap. "Veertig jaar gelden was dit nog allemaal oerwoed" "Gekapt?" "Ja natuurlijk, wat heb je nou aan oerwoud". "Geeft die ontbossing dan geen problemen?" Het gesprek valt stil. Kressin lijkt op zijn hoede. Hij is landbouwer, exporteert maïs, sorghum en soja, kent het westerse standaardrepertoire over ontbossing en hij heeft duidelijk geen zin daar op in te gaan. "Nee, ik bedoel erosie. Slecht voor de oogsten, toch?", zeg ik. Zijn gezicht klaart op. "Ja, erosie hebben we". Hij vertelt dat daarom tegenwoordig zo min mogelijk wordt geploegd. Boeren proberen het land altijd begroeid te houden, laten na de oogst direct gras opkomen, en zaaien later weer in, zo ondiep mogelijk. "Maar over dertig, veertig jaar is het hier afgelopen, denk ik", zegt Kressin. "..maar dat maak ik gelukkig niet meer mee".
We stoppen in het centrum van Colonia Pirápo". "Is dit het" " Ja, hier is het". Een verbaasd clubje Japanners zal ons vanaf nu een half uur aankijken vanaf de benzinepomp aan de overkant. Er is inderdaad een honkbalveld, maar zonder de beloofde 1000 zitplaatsen en electronisch scorebord. Een gravelvlakte met wat bankjes. Een snelle blik leert dat ook het zoeken naar japanse tuinen en fruitboomgaarden gevoegelijk gestaakt kan worden. Nee, de schrijver van de Paraguay-sectie van ons reisboek is hier nooit geweest. Wij zijn daardoor kilometers van de hoofdweg geraakt, het is bijna donker en is er geen vervoer terug of onderdak. Teleurgesteld zijn we nauwelijks, eerder lacherig. Met vooruitziende blik hebben we Kressin gevraagd ons weer op te halen. Dat was geen punt. "Vroeger stond Paraguay nummer een op de lijst van de meest corrupte landen. Nu niet meer. Weet je waarom?" "Nee" "Ze hebben de eerste plaats verkocht". Ik moet er oprecht om lachen. "Kijk. Deze brug heeft Stroessner nog gemaakt", zegt Kressin. En de toon waarop spreekt boekdelen. Ik ben niet meer ontspannen want ik verwacht een loflied te moeten aanhoren op de genadeloze dictator die van ’59 tot ’89 Paraguay heeft geregeerd. En inderdaad, Kressin mist Stroessner. "Vroeger wisten we wie de dief was, tegenwoordig niet meer. Alle politici zijn corrupt. Allemaal. Neem nou dat stuwmeer. Het water moet nog zeven meter omhoog. Willen ze nu weer Argentijns geld om de mensen te laten verhuizen. En nog voor geen cent stroom geproduceerd. Ze maken dit land kapot". Ik sputter wat, en Kressin beklaagt zich over het vooroordeel dat westerlingen tegen Stroessner’s Paraguay hadden. "Iedereen weet dat je Paraguay alleen zo kan regeren. Want werken willen ze hier niet". Ik bloos van wat ik allemaal wil zeggen en uit beleefdheid weer inslik. Opeens komt Kressin op de vuurwerkramp in Enschede, die inderdaad ook in Paraguay de kranten heeft gehaald. "Twintig, dertig doden? Mensch, zoveel worden er hier iedere week vermoord. Ze moesten al dat tuig tegen de muur zetten". In ons honderd procent Duitse hotel, het had in Beieren kunnen staan, bieden we Kressin een colaatje aan. Ik vraag of hij zelf ook kinderen heeft. Hij kijkt me aan en moet opeens vechten tegen zijn tranen. "Ik had één dochter, van eenentwintig. Acht jaar geleden werd ze hier op de weg aangehouden en door autodieven door haar hoofd geschoten. We konden haar eerst niet vinden. Alle Japanners in de streek, tot honderd kilometer in de omtrek, hebben al hun werk laten vallen, zonder dat iemand ze dat vroeg, en ze hebben haar na tien dagen gevonden op de oever van de rivier".
De rest is bezig met de kinderen en de kamers en merkt niet waar het gesprek inmiddels over gaat. Alles wat Kressin eerder heeft gezegd betekent opeens iets anders. Beschermd door het lawaai van de anderen voer ik met een totaal onbekende een gesprek dat ik nog nooit met iemand gevoerd heb. Later in de hotelkamer noteer ik wat Kressin me verteld heeft, en kijk nog even TV. Ik val middenin een een beeldvullende tekst die onmiskenbaar Nederlands is. " Wimie, Wimie", schreeuw ik richting badkamer, "Je was vanavond in Paraguay op de TV, kom snel kijken want jouw naam komt straks langs op de aftiteling" De film "Antonia", met daarin een sterfscene van mijn vrouw, is zojuist ook in Paraguay uitgezonden. De volgende dag staan wij buiten op de bus te wachten en op de eerste vrachtwagen die passeert staat met enorme letters ‘Van den Bosch Tranport. Amsterdam. Erp’. Alsof de vreemdheid van Paraguay nog eens extra onderstreept moet worden. Bij het verlaten van Paraguay, een paar dagen later, weigert een man die beweert douanier te zijn ons de toegang tot de grensoverschrijdende boot. Want waar zijn onze entree-stempels? Wij leggen uit dat ondanks de noodtoestand de douane pertinent onvindbaar was. Het tarief blijft vijftig dollar per persoon. Wij steken een denkbeeldige vinger op en nemen de bus over -alweer- een Brug van de Vriendschap, ditmaal de zwaar beproefde vriendschap tussen Paraguay en Argentinie. Het tarief blijkt daar gestegen te zijn tot zes maal vijftig dollar: ook de kinderen moeten nu betalen. De reden is dat iederéén die bij binnenkomst niet gestempeld heeft Paraguay weer langs dezelfde grenspost moet verlaten. Hoe je dat laatste zonder stempel ooit kan aantonen blijft een raadsel, maar daar gaat het waarschijnlijk niet om. Waar het, vrees ik, om gaat is dat forensende koopjesjagers al zijn gemolken, en toeristen op doorreis nog niet. Privé-auto’s uit de buurlanden worden dus niet gecontroleerd, wél alle bussen en taxi’s met buitenlanders die mogelijk op doorreis zijn, en zonder stempel. De winst voor de staat is duidelijk. Paraguay bespaart fors op de controle bij binnenkomst en verdient daardoor extra bij de uitgang. De winst voor de individuele douaniers zit hem in de wisselkoers die wordt gehanteerd. Volgens de wetgever is de boete van hondervijftig duizend lokale Guaranis het equivalent van vijftig dollar. Dat is, door de stevige inflatie, allang niet meer het geval, dus wisselen de douaniers zelf de dollars. Per illegale toerist houden ze tegen de huidige koers op die manier 25.000 guarani’s over. Dat is zes dollar, meer dan een dagloon.
Reis: per bus door Argentinie, Uruguay, Zuid-Brazilië, Paraguay, en terug naar Buenos Aires. Comfort: van vrijwel westerse standaard, behalve in Paraguay. Prijsniveau: Argentinië is duur, prijs daalt geleidelijk in de volgorde van onze route. Alleen Paraguay is goedkoop. Reisboeken: Lonely Planet (Arg-Uru-Par): redelijk. Rough Guide Brazilie: zéér matig.
printversie
|
 |