![]() |
||
![]() |
overig werk
Voor de ENFB: over fietsen in bergen |
![]() |
![]() |
maart 2000 Het laagste verzet en de overgave. Ik was nu rustig genoeg om te gaan zitten. Een majesteitelijk uitzicht. De weg liep als een dropsliert door het dal naar beneden. Het was alsof de hoge groene wanden van het dal langzaam ademden, en mij op die manier die koele zachte bries in het gezicht bezorgden. Ik zat tussen bemoste rotsblokken, en zag honderden meters lager diezelfde bemoste rotsen terug. Al was dat mos in de verte in werkelijkheid een flink struikgewas, en was de steen waarop dat mos zat zo groot als een eensgezinshuis, het voelde of ik het allemaal zo op kon pakken en neer kon leggen naast de bemoste stenen bij mijn voeten. Je leert soms een boel begrijpen, op onverwachte momenten. Opeens wist ik waarom mannen modelspoorbanen maken en bergen beklimmen: om de illusie te ervaren dat ze dat ze een trein met hun pink zouden kunnen tegenhouden. De man met de speelgoedtrein kan dat ook inderdaad, maar zal het niet doen omdat hij wil blijven denken dat het een échte trein is. De bergbeklimmer speelt dat het een speelgoedtrein is, daar beneden, maar laat kijkend langs zijn wijsvinger een échte Alpenexpress ontsporen. En in hun poging de wereld klein te krijgen vinden ze elkaar, de alpinist en de modelbouwer. Raven cirkelenden op een thermiekbel langzaam omhoog, en naderden mij met ieder rondje dichter. Zo ongeveer vijftig meter onder mij vonden ze het welletjes en vlogen in een rechte lijn het dal in. Met een paar stappen lopen kon ik ze rond de hele berg volgen, vanaf mijn zeldzaam mooie rotspunt: prachtig puntig, zoals ook liefhebbers van modelspoorbanen dat het liefste zien. Maar niet zo puntig dat het oncomfortabel werd. De berg was een paar meters onder de de top afgezaagd, en zo voorzien van een keurig plateautje ter grootte van een huiskamer. Ik was er inmiddels een half uur en had nog niemand anders gezien. Behalve volmaakt, was de plek ook verlaten. Nog nooit heeft er iemand op een onbewoond eiland gewoond, nog nooit kwam een toerist op een plaats waar geen andere toerist ooit was, maar wie als enige op een bijzondere plek is, wil ook de eerste zijn die er ooit was. Maar om ook de ontdekker van mijn bergtop te zijn vond ik niet nodig. Het was al té mooi zoals het was. Niets in de zichtbare omtrek stak uit boven mijn rots, wat niet de berg, maar mijzelf tot het hoogste punt van de omgeving maakte. Iets dreef mij om direct het grootste losse rotsblok te zoeken en juist daarop te gaan staan. Nu is er nog maar één ding dat u moet weten om de diepte van mijn geluk volledig te kunnen doorgronden: er stond nog iemand beneden. Iemand die wist waar ik was en mijn geluk op zijn minst zou vermoeden. Beneden bij onze twee fietsen wachtte mij een hongerig oor, zodat ik de mythische ervaring die ik onderging direct na afloop met iemand zou kunnen delen. En niet met zomaar iemand, maar met degenen die normaal gesproken nu naast me zou hebben gestaan: met mijn broer, normaal gesproken een veel betere klimmer dan ik, maar uitgerekend deze dag was voor hem een beproeving gebleken. Het einde van het asfalt had hij nog wel gehaald, maar met zijn laatste krachten. Niet dat ik me in zijn lijden verkneukelde, maar de aanblik ervan had mij de kracht gegeven om het laatste steile stuk zonder afstappen te volbrengen. Fietsen kon je het niet meer noemen, zelfs volbrengen klinkt nog te elegant. Het was van links naar rechts laveren om zoveel mogelijk asfalt per meter stijging te vinden. het was een permanente perswee. Kreunend en bekketrekkend hadden wij ons omhoog getrokken aan ons stuur, knokkels en knieen bleek door gebrek aan doorbloeding. Het bewustzijn slonk met iedere pedaalslag kleine, kromp ineen tot een bonkend kamertje waar nog maar één woord in weergalmde. ‘Stoppen, stoppen, stoppen!’ Ik herinner me klimmen te fiets ook na jaren nog als dat kamertje, een vast klein punt in de hersenen waar voortdurend met een hamertje op de deur wordt getikt. Tot de deur openzwaait en dat ‘stoppen, stoppen, stoppen’ te luid wordt. Dan kan je twee dingen doen. Of met je laatste krachten naar de dat kamertje rennen, en de deur dicht trappen. Of afstappen. Ik weet niet of ik als eerste boven was, maar het was usance - als beloning voor het zo lang mogelijk samen fietsen - dat de morele dagwinnaar als eerste aan mocht tikken. Dat werd dan beslist in een speels sprintje, over de laatste vijftig meter. Die dag sprintte mijn broer niet, dat weet ik zeker. Misschien tikte ik inderdaad als eerste aan. Wat ik nog zeker weet is dat het meest voor de hand liggend aantikpunt, Dat was een houten hok op wielen, zoals wegwerkers dat gebruiken. Aan dat hok, voortdurend zichtbaar tijdens de slotklim, hadden wij ons opgetrokken. Kent u de schiethaak van James Bond? Een vouwhaak aan een touw uit een geweer en dan kan de held het kasteel beklimmen. Precies zo hadden wij ons met een vastbesloten blik vastgeboord in het wegwerkershok. Het touw waar wij ons aan ophesen trokken was van trots, zelfhaat en pure adrenaline. James Bond moeten we dat nog maar zien doen, trouwens. Laten we zeggen dat ik inderdaad als eerste aantikte. Historisch gezien is het de beste uitslag: ik beklom daarna nog de echte top, te voet, en mijn broer niet. Die kon niet eens meer afstappen en stond nog in het zadel hijgend en hoestend tegen het hok op wielen geleund. Ik denk niet dat ik er zo veel beter aan toe was. Maar het feit dat zelfs mijn broer tot op de bodem had moeten gaan en niet meer de flair had om dat te verbergen, dat zal voor mij als eeuwige tweede een triomf zijn geweest. Ik weet het zelfs wel zeker. Het was een absoluut hoogtepunt. Niet alleen omdat ik mijn broer verslagen had, vooral omdat daaruit bleek dat ik mijzelf had overtroffen. Ik had de klimmer in mijzelf een pak rammel gegeven, en opeens kon ‘ie het wel, de klootzak. Wat ik wil benadrukken is dat ons verschil in aankomsttijd op de neutrale toeschouwer als een gelijkspelletje kan zijn overgekomen. Het is zelfs mogelijk dat mijn broer eerste was, omdat hij tegen het wegwerkershok vallen als aantikken beschouwde. Laten we het houden op een gelijkspelletje. Blijft het feit dat een gelijkspel voor mij als een overwinning voelde. Aan dat gevoel, en aan niets anders, was het te danken dat ik onverwacht snel de energie in mij voelde terugkeren, en mededeelde dat ik zou doorlopen naar de top. Mijn broer was sportief genoeg om mij het beste te wensen, zelf zag hij er van af. Hij zal met een uitleg zijn gekomen: dat het te koud was, of dat hij buikpijn had, of de verkeerde schoenen. Die had ik ook. Maar dat was nog wel het minste probleem. Je leest weleens over spiergeheugen. Als dat al bestaat is het beslist kort van memorie: spieren die iets te lang hebben gefietst weten zich het eerste kwartier met geen mogelijkheid te herinneren hoe lopen ook alweer moest. Alsof ze in het ziekenhuis je benen met die van een ander verwisseld hebben en jij met het goedkoopste paar naar huis moest. Als niet mijn broer een meter of honderd lager naar mij had zitten kijken had ik het niet gehaald. Nu moest ik wel. Ja natuurlijk was er het landschap, er waren de sigaretten en de drank die nooit zo lekker smaken als na een dagje sloven in de buitenlucht, natuurlijk was er het lichtgewicht tentje waar je geluidlozer leert masturberen dan een non, maar vooral waren er de beklimmingen. En iedere beklimming had een uitslag, daar werden niet altijd woorden aan vuil gemaakt, maar meestal verloor ik. Dat heb ik al verteld, maar ik wil er niet van verdacht worden de zaken mooier voor te stellen dan ze waren. Dat is ook niet nodig. Ik had, eenmaal op mijn rotspunt, alles wat ik ooit van het leven had gewild. Een verpletterende schoonheidservaring was het. Zaad voor mythes. Herinnering na vele jaren nog levend genoeg om de trots van een veertiger op te poetsen tot hoogglans. Men neme een rotspunt, de raven, de zon in Spanje, de wolken boven Frankrijk, mijn broer beneden en de stilte. De werkelijke stilte, toen eindelijk de vreugdefanfare in mij luwde en alle gedachten waren gedacht. Het werd van binnen zo stil als buiten. Ik werd wat ik zag, ik was in de bergen en in de ruimte en de bergachtige ruimte was in mij. Het verschil tussen mij en het andere was opgeheven. Alles was opgeheven, of beter gezegd, tot stilstand gekomen. Ook de tijd. Wat managers met zen bedoelen en mystici met mystiek mij voor het eerst deelachtig op mijn rotspunt boven de raven. Zelfs de herinnering aan dat moment beleef ik, terwijl ik het u beschrijf, bij vlagen als dat moment zelf. Tijdloosheid heeft geen geschiedenis. Dus het allermooiste, helemaal achteraf, is datgene waarvoor bestofte heiligen tientallen jaren op pilaren in de woestijn zaten, datgene waar uitgedoofde managers verplichte cursussen boeddhisme voor moeten volgen, datgene wat Hadewych meemaakte in een donker hok terwijl de lepralijders klepperend rond het klooster doolden, dat ik dat kado kreeg bij een fietstochtje. |
![]() |
![]() |
||