overig werk

Voor de ENFB: over fietsen in bergen

maart 2000

Het laagste verzet en de overgave.

Ik kon zien dat het in Frankrijk zwaarbewolkt was en in Spanje niet. Dat gebeurt mij niet vaak, dat ik kan zien dat in het ene land bewolkt is, en dat op hetzelfde moment in een ander land de zon volop schijnt. Er is niets bijzonders te zien, geen verandering van vegetatie, geen stippellijn die met shovels in het landschap is geschraapt, en toch loopt onder je eigen ogen een grens. Ergens. Daar in het Noorden, onder het wattige wolkendek waar ik van boven op neerkeek, dat was Frankrijk. Richting zuiden was geen wolkje te bekennen en daar lag Spanje. En daar was ik. Op de juiste plaats. Iedereen die moeite voor iets heeft gedaan hoopt het beter hebben getroffen dan de anderen en sluit wijselijk de ogen voor alles wat dat tegenspreekt. In mijn geval was dat nergens voor nodig. Ik verkeerde in de zeldzame omstandigheid volkomen zeker te weten dat ik de beste keus had gemaakt. Ook in het dal zou ik van zon en uitzicht hebben genoten, maar de zekerheid dat duizenden Fransen op dit moment aankeken tegen een grijze wattendeken droeg in beslissende mate aan het genot bij. Bij mij nog meer dan bij anderen: vaak in mijn leven heb ik het gevoel gehad dat ik slechter af was dan de rest, nu was het eens aantoonbaar andersom. Dat besef, dat maar weinig mensen zoveel geluk zouden putten uit de gegeven situatie maakte mij nóg tevredener. Als er dan toch wolken in Frankrijk moesten zijn en er mocht iemand op die rotspunt staan was dit alles de best denkbare uitkomst. Le meilleur de tous les mondes, met mijzelf als de enige inwoner. Dat ongeveer waren mijn eerste samenhangende gedachten terwijl ik langzaam weer op adem kwam, nog steeds met de handen in de zij gedrukt alsof de boel anders zou scheuren. Het hese geneurie in mijn hoofd waarmee ik tijdens de laatste honderd meter omhoog vergetelheid had gezocht was opgehouden en voor het eerst in een half uur zag ik iets anders dan mijn eigen schoenen. Ik kon weer denken in hele zinnen en mijn eerste gedachten gingen over mijzelf. Onvermijdelijk. Datgene in mij dat tijdens de laatste honderd meter hemelwaarts voortdurend om genade had geroepen vierde het einde van de rit op euforische wijze. Er zit een diepe waarheid in de mop van de man met de telefooncel op zijn rug, die het zo prettig vond om hem ooit weg te kunnen gooien. En of het nu een Spaanse bergtopje is, de Mount Everest of wie het eerst over de duinen op het strand aankomt, de wereld ligt bezaaid met weggegooide telefooncellen. Het juichend gevoel een uitverkorene te zijn ging over in een innerlijk applaus, de woorden tot mijzelf gesproken vervaagden, en wat resteerde was een warme golf die behagelijk door mijn spieren trok.

Ik was nu rustig genoeg om te gaan zitten. Een majesteitelijk uitzicht. De weg liep als een dropsliert door het dal naar beneden. Het was alsof de hoge groene wanden van het dal langzaam ademden, en mij op die manier die koele zachte bries in het gezicht bezorgden. Ik zat tussen bemoste rotsblokken, en zag honderden meters lager diezelfde bemoste rotsen terug. Al was dat mos in de verte in werkelijkheid een flink struikgewas, en was de steen waarop dat mos zat zo groot als een eensgezinshuis, het voelde of ik het allemaal zo op kon pakken en neer kon leggen naast de bemoste stenen bij mijn voeten. Je leert soms een boel begrijpen, op onverwachte momenten. Opeens wist ik waarom mannen modelspoorbanen maken en bergen beklimmen: om de illusie te ervaren dat ze dat ze een trein met hun pink zouden kunnen tegenhouden. De man met de speelgoedtrein kan dat ook inderdaad, maar zal het niet doen omdat hij wil blijven denken dat het een échte trein is. De bergbeklimmer speelt dat het een speelgoedtrein is, daar beneden, maar laat kijkend langs zijn wijsvinger een échte Alpenexpress ontsporen. En in hun poging de wereld klein te krijgen vinden ze elkaar, de alpinist en de modelbouwer. Raven cirkelenden op een thermiekbel langzaam omhoog, en naderden mij met ieder rondje dichter. Zo ongeveer vijftig meter onder mij vonden ze het welletjes en vlogen in een rechte lijn het dal in. Met een paar stappen lopen kon ik ze rond de hele berg volgen, vanaf mijn zeldzaam mooie rotspunt: prachtig puntig, zoals ook liefhebbers van modelspoorbanen dat het liefste zien. Maar niet zo puntig dat het oncomfortabel werd. De berg was een paar meters onder de de top afgezaagd, en zo voorzien van een keurig plateautje ter grootte van een huiskamer. Ik was er inmiddels een half uur en had nog niemand anders gezien. Behalve volmaakt, was de plek ook verlaten. Nog nooit heeft er iemand op een onbewoond eiland gewoond, nog nooit kwam een toerist op een plaats waar geen andere toerist ooit was, maar wie als enige op een bijzondere plek is, wil ook de eerste zijn die er ooit was. Maar om ook de ontdekker van mijn bergtop te zijn vond ik niet nodig. Het was al té mooi zoals het was. Niets in de zichtbare omtrek stak uit boven mijn rots, wat niet de berg, maar mijzelf tot het hoogste punt van de omgeving maakte. Iets dreef mij om direct het grootste losse rotsblok te zoeken en juist daarop te gaan staan.

Nu is er nog maar één ding dat u moet weten om de diepte van mijn geluk volledig te kunnen doorgronden: er stond nog iemand beneden. Iemand die wist waar ik was en mijn geluk op zijn minst zou vermoeden. Beneden bij onze twee fietsen wachtte mij een hongerig oor, zodat ik de mythische ervaring die ik onderging direct na afloop met iemand zou kunnen delen. En niet met zomaar iemand, maar met degenen die normaal gesproken nu naast me zou hebben gestaan: met mijn broer, normaal gesproken een veel betere klimmer dan ik, maar uitgerekend deze dag was voor hem een beproeving gebleken. Het einde van het asfalt had hij nog wel gehaald, maar met zijn laatste krachten. Niet dat ik me in zijn lijden verkneukelde, maar de aanblik ervan had mij de kracht gegeven om het laatste steile stuk zonder afstappen te volbrengen. Fietsen kon je het niet meer noemen, zelfs volbrengen klinkt nog te elegant. Het was van links naar rechts laveren om zoveel mogelijk asfalt per meter stijging te vinden. het was een permanente perswee. Kreunend en bekketrekkend hadden wij ons omhoog getrokken aan ons stuur, knokkels en knieen bleek door gebrek aan doorbloeding. Het bewustzijn slonk met iedere pedaalslag kleine, kromp ineen tot een bonkend kamertje waar nog maar één woord in weergalmde. ‘Stoppen, stoppen, stoppen!’ Ik herinner me klimmen te fiets ook na jaren nog als dat kamertje, een vast klein punt in de hersenen waar voortdurend met een hamertje op de deur wordt getikt. Tot de deur openzwaait en dat ‘stoppen, stoppen, stoppen’ te luid wordt. Dan kan je twee dingen doen. Of met je laatste krachten naar de dat kamertje rennen, en de deur dicht trappen. Of afstappen. Ik weet niet of ik als eerste boven was, maar het was usance - als beloning voor het zo lang mogelijk samen fietsen - dat de morele dagwinnaar als eerste aan mocht tikken. Dat werd dan beslist in een speels sprintje, over de laatste vijftig meter. Die dag sprintte mijn broer niet, dat weet ik zeker. Misschien tikte ik inderdaad als eerste aan. Wat ik nog zeker weet is dat het meest voor de hand liggend aantikpunt, Dat was een houten hok op wielen, zoals wegwerkers dat gebruiken. Aan dat hok, voortdurend zichtbaar tijdens de slotklim, hadden wij ons opgetrokken. Kent u de schiethaak van James Bond? Een vouwhaak aan een touw uit een geweer en dan kan de held het kasteel beklimmen. Precies zo hadden wij ons met een vastbesloten blik vastgeboord in het wegwerkershok. Het touw waar wij ons aan ophesen trokken was van trots, zelfhaat en pure adrenaline. James Bond moeten we dat nog maar zien doen, trouwens. Laten we zeggen dat ik inderdaad als eerste aantikte. Historisch gezien is het de beste uitslag: ik beklom daarna nog de echte top, te voet, en mijn broer niet. Die kon niet eens meer afstappen en stond nog in het zadel hijgend en hoestend tegen het hok op wielen geleund. Ik denk niet dat ik er zo veel beter aan toe was. Maar het feit dat zelfs mijn broer tot op de bodem had moeten gaan en niet meer de flair had om dat te verbergen, dat zal voor mij als eeuwige tweede een triomf zijn geweest. Ik weet het zelfs wel zeker. Het was een absoluut hoogtepunt. Niet alleen omdat ik mijn broer verslagen had, vooral omdat daaruit bleek dat ik mijzelf had overtroffen. Ik had de klimmer in mijzelf een pak rammel gegeven, en opeens kon ‘ie het wel, de klootzak.

Wat ik wil benadrukken is dat ons verschil in aankomsttijd op de neutrale toeschouwer als een gelijkspelletje kan zijn overgekomen. Het is zelfs mogelijk dat mijn broer eerste was, omdat hij tegen het wegwerkershok vallen als aantikken beschouwde. Laten we het houden op een gelijkspelletje. Blijft het feit dat een gelijkspel voor mij als een overwinning voelde. Aan dat gevoel, en aan niets anders, was het te danken dat ik onverwacht snel de energie in mij voelde terugkeren, en mededeelde dat ik zou doorlopen naar de top. Mijn broer was sportief genoeg om mij het beste te wensen, zelf zag hij er van af. Hij zal met een uitleg zijn gekomen: dat het te koud was, of dat hij buikpijn had, of de verkeerde schoenen. Die had ik ook. Maar dat was nog wel het minste probleem. Je leest weleens over spiergeheugen. Als dat al bestaat is het beslist kort van memorie: spieren die iets te lang hebben gefietst weten zich het eerste kwartier met geen mogelijkheid te herinneren hoe lopen ook alweer moest. Alsof ze in het ziekenhuis je benen met die van een ander verwisseld hebben en jij met het goedkoopste paar naar huis moest. Als niet mijn broer een meter of honderd lager naar mij had zitten kijken had ik het niet gehaald. Nu moest ik wel. Ja natuurlijk was er het landschap, er waren de sigaretten en de drank die nooit zo lekker smaken als na een dagje sloven in de buitenlucht, natuurlijk was er het lichtgewicht tentje waar je geluidlozer leert masturberen dan een non, maar vooral waren er de beklimmingen. En iedere beklimming had een uitslag, daar werden niet altijd woorden aan vuil gemaakt, maar meestal verloor ik. Dat heb ik al verteld, maar ik wil er niet van verdacht worden de zaken mooier voor te stellen dan ze waren. Dat is ook niet nodig. Ik had, eenmaal op mijn rotspunt, alles wat ik ooit van het leven had gewild. Een verpletterende schoonheidservaring was het. Zaad voor mythes. Herinnering na vele jaren nog levend genoeg om de trots van een veertiger op te poetsen tot hoogglans. Men neme een rotspunt, de raven, de zon in Spanje, de wolken boven Frankrijk, mijn broer beneden en de stilte. De werkelijke stilte, toen eindelijk de vreugdefanfare in mij luwde en alle gedachten waren gedacht. Het werd van binnen zo stil als buiten. Ik werd wat ik zag, ik was in de bergen en in de ruimte en de bergachtige ruimte was in mij. Het verschil tussen mij en het andere was opgeheven. Alles was opgeheven, of beter gezegd, tot stilstand gekomen. Ook de tijd.

Wat managers met zen bedoelen en mystici met mystiek mij voor het eerst deelachtig op mijn rotspunt boven de raven. Zelfs de herinnering aan dat moment beleef ik, terwijl ik het u beschrijf, bij vlagen als dat moment zelf. Tijdloosheid heeft geen geschiedenis. Dus het allermooiste, helemaal achteraf, is datgene waarvoor bestofte heiligen tientallen jaren op pilaren in de woestijn zaten, datgene waar uitgedoofde managers verplichte cursussen boeddhisme voor moeten volgen, datgene wat Hadewych meemaakte in een donker hok terwijl de lepralijders klepperend rond het klooster doolden, dat ik dat kado kreeg bij een fietstochtje.

Justus van Oel, maart 2000. .

printversie