overig werk

Mijn jaren met Van Gogh

augustus 2005

Mijn jaren met Van Gogh

 

"Alcohol is voor de heiden, Allah legt zijn schaapjes droog, Allah kan goed autorijden, Allah krijgt hem steeds omhoog. Allah zal dit land genezen, Allah wordt door niets gestuit, Allah is een opperwezen, Allah deelt de lakens uit." Op dinsdag 26 juli 2005 kreeg Mohammed B. levenslang voor de moord op Theo van Gogh. Mijn eerste prettige gesprek met Theo van Gogh vond plaats in 1987, naar aanleiding van de bovenstaande liedtekst, deel van het cabaretprogramma 'Het Nut van de Neushoorn'. Theo had ook een afkeer van Islamieten, zei hij, en het dat soort dingen moest gewoon kunnen worden gezegd. Fijn dat het eens gebeurde. Heel fijn. Dit was cabaret waar hij wat mee kon. "Allah weet meer van karate dan die lieve God van ons, Allah heeft meer heilsoldaten. Allah heeft meer pompstations". Theo was, wat ons betreft, toen al niet zomaar iemand. Hij had het kleine meesterwerk 'Een dagje naar het strand' verfilmd en liet regelmatig op controversiële wijze van zich horen, onder andere via columns in Propria Cures, het blad waar Zak en As-collega Erik van Muiswinkel twee jaar redacteur van was geweest. De lof van Van Gogh viel bij ons beiden in goede aarde. Het enthousiasme van een non-conformistische filmmaker voor ons werk was ons meer waard dan lof vanuit de cabaret-scene, die wij eerlijk gezegd als laf, politiek-correct dan wel en kleinburgerlijk beschouwden. Kortom, wat ons betreft zei Theo precies de juiste dingen, op het juiste moment. Daar is hij altijd goed in geweest. Theo wist hoe vrienden te maken en mensen voor zich te winnen en voelde altijd haarfijn aan wat er speelde. Aangezien hij ook niet te beroerd was om vijanden te maken, was zijn benoeming van ons tot vrienden dan wel bondgenoten niet zomaar iets. Wij voelden ons erkend, zoniet vereerd. "Allah heiligt de traditie, geen tampon en geen condoom. Botte bijl voor de justitie, zo houdt Hij het tuig in toom.."  Het begin van mijn contact met Theo men het definitieve einde daarvan door zijn dood, worden door dit ‘Allah-lied’ van Zak en As op een curieuze manier met elkaar verbonden. Ik bezit noch bezat het vermogen de toekomst te voorspellen, maar toeval is het niet. De harde interpretatie van de Islam, door Islamieten in 1987, verschilde niet met die van nu. Ook Theo was toen  precies dezelfde die hij later zou zijn. Waarom hij toen niet al frontaal in de aanval ging, is begrijpelijk. Het ontbrak nog aan achterban. Er waren geen Ayaan Hirsi Ali's die provocerend en dapper de rechten van moslim-vrouwen bepleitten. De Islam belachelijk maken kon je toen maar beter doen binnen de veilige, dubbelzinnige context van het cabaret, voor een publiek van minstens 99% autochtone blanken, door ironie beschermd tegen de politiek-correcten. Maar wij deden het, dat wel. Theo kon dat hogelijk waarderen.  "Allah eist dat mannen trouwen, met een onbespoten bruid. Treft u een van Allah's vrouwen, pak haar dan vooral niet uit."  Over de maagdelijkheidscultus en trouwen binnen de groep. In 'Submission', naar het script van Hirsi Ali, pakte Theo jaren later letterlijk een moslima uit. Multi-culturele relaties en de moeizaamheid, zo niet onmogelijkheid daarvan, behandelde Van Gogh in de tv-serie 'Najib en Julia'. Het scenario daarvan was geschreven door mij. Maar het had een heel andere toon dan dat ‘Allah-lied’ : zachtmoedig en luchtig speelde ik met de wederzijdse vooroordelen, zo verwoordde de officier van Justitie het in zijn requisitoir tegen Mohammed B. In mij was iets veranderd. Theo was dezelfde gebleven, ‘Najib en Julia’ of niet. In ons eerste gesprek ergens in 2000 over wat later die serie zou worden, noemde Van Gogh het 'Allahlied' als zijn aanleiding om juist bij mij langs te komen. Ik had iets tegen Marokkanen, althans genoeg, het werk kon eindelijk worden afgemaakt: de tijd was rijp om het grote misverstand achter de integratie genadeloos bloot te leggen. Van Gogh had al die jaren in een kaarsrechte lijn gelopen. Het bleek niet eenvoudig hem ervan te doordringen dat mijn wereldbeeld inmiddels was veranderd.. Theo daarentegen was, zo leek het, al die tijd op zoek gebleven naar de definitieve, wellicht fatale maar zeker heldhaftige confrontatie met de Grote Vijand. Hij had een lijstje afgewerkt en was nu toe aan de verblinde, niet te hanteren Islamiet. Al in 1987 had hij die in het vizier, pas rond 2000 begon hij er serieus werk van te maken. Een kwestie van timing: als je wilt dat wat je zegt maximaal aankomt, moet je niet alleen de juiste dingen zeggen, maar ook tegen de juiste mensen, en op het juiste moment. Daar had Theo zowel het geduld als het talent voor. De geesten waren rijp. De linkse kerk was in het defensief gedrongen. Geen ironie meer, harde woorden: "Allah houdt van tolerantie,dat wil zeggen: die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in Allahs vleesfondue. Allah houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van ons. Maar wie Allah's wet bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons".  Het laat mij niet los: één van de markante punten op de lange mars van Theo naar zijn uiteindelijk moordenaar Mohammed B., was zijn grote enthousiasme over dit cabaretlied. Een tubaïst van bijna twee meter lang gehuld in burqa speelt een snerpende tegenmelodie bij de orkestband. De zanger, ikzelf, spuugt de tekst met een boos, gespannen gezicht richting publiek. Theo van Gogh zit in de zaal en 'Zak en As' heeft er een fan bij. Het is 1988. Een jaar later zetten Jan Kuitenbrouwer en Justus van Oel zich aan het schrijven van een zwarte komedie, te regisseren door Theo Van Gogh. De werktitel is 'Averij 13', naar een fictieve straatnaam in een treurige nieuwbouwwijk. Een handjevol keren kwamen wij gedrieën samen voor een brainstorm in het huis van Jan, toen al de man van 'Turbotaal', een record-verkopend boekje waarin de trendy taal van de zich als modern beschouwende mens op vriendelijke wijze werden bespot. Jan Kuitenbrouwer was en is een zeer beschaafd men. Ooit maakte ik samen met hem een fietstocht en kwam uitgehongerd aan bij zijn moeder, ergens in de buurt van Utrecht. Ik kreeg één koekje en nam zelf een tweede, zo'n honger had ik. Jan is daar lang boos over geweest: hij kon zich niet voorstellen dat iemand zoiets deed. Dat juist deze man zich in het kader van een te schrijven zwarte komedie verbond met Van Gogh, vergeleken bij hemzelf een Atilla de Hun, is achteraf verbazend. Toch deed hij het. Theo maakte wel eens een stekelig grapje over Jan's preoccupaties met hoe het allemaal hoorde, maar leek zich toch wonderwel op zijn gemak te voelen. Hij wilde daar graag zijn en liet dat blijken ook. Dit was voor hem, op dat moment, de juiste plek. Theo strooide gretig met complimenten, over de hilarische zwartheid van 'Zak en As' en over de mensenkennis en schrijfkunst van Jan. In zijn ogen waren wij beroemd. Zeker was Jan dat, alom kwam hij in de publiciteit vanwege ‘Turbotaal’. Dat maakte  Theo's aanwezigheid ook commerciëel verklaarbaar: hij rook de roem en de verkoopbaarheid van zijn gezelschap. Dienstbaar en vriendelijk schoof Theo aan in het licht dat in zijn ogen van de twee anderen afstraalde. Behalve dat alles was er tussen Jan en Theo ook een vanzelfsprekende chemie: die van twee goed opgevoede jongetjes. Ikzelf weet en begrijp weinig van de omgangsvormen van de hogere middenklasse. Jan was er van doordrenkt, Theo kon er ieder moment op teruggrijpen. In het openbaar koos Theo graag voor de rol van nietsontziende sloper van meningen en mensen, privé was hij een nette, beleefde, hoffelijke man. Tot een bepaald alcohol-percentage dan, en niet in alle omstandigheden. De omslag in de samenwerking tussen Jan, Theo en mij liet niet lang op zich wachten. In mijn herinnering begon de verwijdering met een opmerking van Hetty, echtgenote van Jan. Theo had meer dan eens over tafel getoeterd dat Jan Kuitenbrouwer eigenlijk een angstige kleinburger was, die met zijn talent eens wat beters moest gaan doen dan boekjes vol woordspelingen produceren. Hij, Theo, zou hem daar graag bij helpen, en zag zich in deze als opvoeder en wegbereider naar het grote avontuur. Een aanbod dat Jan toch onmogelijk kon afslaan, zeker als het van Theo kwam. Zo hoog had hij zichzelf  toch wel zitten, en bleef gestadig poeren in de persoonlijkheid van Jan, op zoek naar de enige echte Kuitenbrouwer, ooit genadeloos ingemetseld door bekrompen opvoeders. Jan meed angstvallig het conflict waar Theo onmiskenbaar op aanstuurde. Zijn verdediging, voor zover hij die voerde, was aarzelend en halfslachtig. Theo werd door dat zwaktebod aangemoedigd en zette steeds vaker het mes in de ziel van Jan, die niet echt wist wat hij daar mee aanmoest. Het was Hetty, Jan's vrouw, die daar op een avond opeens genoeg van had. Koeltjes analyseerde zij Theo Van Gogh en karaktiseerde hem als een net Wassenaars jongetje dat wanhopig probeerde stout te zijn. Voor eeuwig gestrand in de puberteit. Al die vete's die Theo ontketende hadden volgens Hetty slechts de schijn van een debat, in feite waren ze niets anders dan een poging over aan papa en mama te bewijzen dat Theo zo lekker stout was. Dat daarbij soms willekeurige slachtoffers tot in het diepst van hun ziel werden gekwetst, dat kon stoute Theo lekker niks schelen. Hetty vond dat stompzinnig en ongevoelig kleutergedrag, zei ze, het werd tijd dat Theo eens volwassen werd en zijn talenten voor een waardiger doel ging inzetten. Van Gogh kreeg niet de gelegenheid iets terug te zeggen, Hetty was ongenaakbaar en leek niet van hem onder de indruk. In het bijzijn van twee vrienden werd de grote Van Gogh gereduceerd tot een karaktertje uit een Annie M.G. Schmidt-boek. Door een vrouw, ook dat nog. Hetty had Theo weten te raken op een buitengewoon pijnlijke plek. Een vete was geboren. Het echtpaar Kuitenbrouwer werd om iets wat in een huiskamer was gebeurd honderdduizendvoudig beledigd in een reeks woedende columns, gericht op maximale beschadiging. Zo zou echtgenoot Jan avances hebben gemaakt naar ene Lisa, een vrouw uit de stal van Theo. Lisa had daar niets van moeten hebben: Jan de gefrustreerde burgerman greep met haar ver boven zijn macht. Op zich wel weer begrijpelijk, zijn Hetty was een dom en lelijk dik paard. Een man wil ook weleens iets menselijks in zijn bed hebben. Aldus de globale strekking van Theo’s media-offensief. Of het allemaal waar was of niet, van landelijk belang was deze affaire op geen enkele manier, wat des te duidelijker maakte hoezeer Van Gogh geraakt werd door Hetty's constatering dat Theo maar zelden zichzelf was. Zijn permanente guerilla tegen alles en iedereen was, in de grond, onecht gedrag. Gespeeld. Achterhaald. Ook Theo was maar een hele gewone, nette man. Die opmerking, die bij Theo binnenkwam als een mortiergranaat, was het definitieve einde van iedere samenwerking tussen Jan Kuitenbrouwer en hemzelf. Het project 'Averij 13' leed schipbreuk al voor de kiel was gelegd. Sindsdien sprak ik Theo minder vaak, wel nog met enige regelmaat. Opvallend vaak informeerde Theo hoe het met Jan ging, een vraag die standaard zat ingeklemd tussen boze verwijten over Jan's verraad en de stompzinnigheid van diens echtgenote. Maar de verbinding bleef op een af andere manier bestaan: Van Gogh was aan zijn vijanden in even grote mate gehecht als aan zijn vrienden. Wie geen vriend meer was vertrok niet uit Theo's leven, maar werd daaraan vastgeklonken als genadeloos tegenstrever. Vergeten zou hij jou nooit, noch jij hem. Een opmerkelijke karaktertrek, die ik - achteraf- voor het eerst waarnam na de aanvaring tussen Jan, Hetty en Theo. Het leven ging voort. Theo vocht met filmbonzen en financiers om films te kunnen blijven maken. 'Zak en As' werd door mijn toedoen opgeheven. Erik van Muiswinkel en Diederik Van Vleuten gingen bekwaam voort op het pad van het amusement, ik besloot dramaschrijver te worden. Na het cabaret was het tijd om kunstenaar te worden. Een echte. Pas dan werd je serieus genomen, en ik had daarbij een voorbeeld voor ogen: Theo van Gogh toonde aan dat je, zonder je permanent met het hogere en schone bezig te houden, best ver kon komen in de wereld van de grote kunst. Zwarte humor, cynisme en ontregelende genre-overschrijdingen verdienden ook hun plaats. Wel was er in Nederland een complot dat juist mensen als Theo en mijzelf dwarsboomde. De boven ons gestelden en veel van onze collega's waren halfzachte, politiek correcte, ons-kent-ons-types. Die nette mensen zochten elkaar allemaal op en dáár ging alle subsidie naar toe. Wassenaar regeerde in de wereld der kunsten. Theo ventileerde die overtuiging voortdurend en werd inderdaad bij het vragen opvallend vaak overgeslagen. Aan de andere kant: hij zette met ijzeren wilskracht door. Theo's ploeteren was mij tot voorbeeld. Dat gaf niet de doorslag, helpen deed het wel: in 1993 stond in de Kleine Komedie 'De Pijnbank' op de planken, geschreven en gespeeld door mij, samen met Maarten Wansink. Tijdens de repetitieperiode hadden we het stuk aan Theo voorgespeeld in de door Maarten geregelde balletzaal van de Stadsschouwburg. Een regisseur hadden we niet, op aandrang van Maarten moest die er toch maar komen. Onze gezamelijke kandidaat was Theo Van Gogh, ook gezien zijn gestadig gestegen roem een welkome trekker op ons affiche. Theo zag het stuk, verklaarde de regie te willen doen, gaf drie aanwijzingen, constateerde dat goed was, en vertrok. Krachtig, zeer kort, maar voor ons voldoende om op het affiche te vermelden 'Regie: Theo van Gogh'. De tournee liep aardig, met ondermeer een bijna uitverkochte week in de Kleine Komedie. Kunst was het nog niet, zo bleek uit de recensies, wel een alleraardigste zwarte komedie. Theo's waardering was na het zien van het eindresultaat alleen maar toegenomen. Dit stuk ging hij verfilmen, zo kondigde hij aan. In onze soepele relatie, vriendschap zou een te groot woord zijn, was intussen iets veranderd. Ik was gekrompen, in ieder geval in mijn eigen ogen. Van Gogh was groter geworden, en straalde dat ook uit. Zijn plan voor de verfilming van ‘De Pijnbank’ was een uitnodiging om bij hem in het licht te komen staan, toe te treden tot zijn kring, lid te worden van zijn clan. Anders dan ten tijde van het ‘Allah-lied’ en ‘Averij 13’ waren wij geen gelijken meer. Theo bestierde de club, men trad toe op zijn voorwaarden en gedroeg zich zoals Theo dat verwachtte. Zo letterlijk werd het niet geëist, maar het was door alle bomhommie heen voelbaar. Er werd door Theo onvoorwaardelijk trouw verwacht, in feite ook gekocht: aangekondigd door een simpel telefoontje stond er opeens een forse som voor de filmrechten op mijn rekening. Als een gulle papa ontfermde Theo zich over mijn werk. Een droom. Maarten Wansink, in de race voor de hoofdrol van de te verfilmen 'De Pijnbank', en ik gingen op huisbezoek bij Youp van 't Hek, op zoek naar financiering. We dachten de maestro te kunnen paaien met een bijrol,maar dat hoefde niet: Youp prefereerde te betalen zonder verdere gunsten of verplichtingen. Een hoopvol begin. Omdat helaas verder alleen Johan de Vroedt, headhunter te Amstelveen, een aandeel wilde kopen strandde het filmproject snel bij gebrek aan budget. In de grote kunst wilde het in de jaren daarna niet vlotten, wat mij betreft. Theo was nog steeds bereid om mij desgevraagd moed in te spreken, en heus, met de verfilming van 'De Pijnbank' zou het goed gaan komen. Kwestie van geduld. Theo kwam, weer later, nog eens bij me langs in verband met een ander plan: een zwarte komedie over liefde in tijden van voortwoekerende AIDS. Het kwam tot een geschreven eerste opzet, die alom op onbegrip stuitte. Theo weigerde te geloven dat het plan niet deugde en gaf pas op toen het idee door werkelijk iedere aannemelijk partner morsdood was verklaard. Het idee was misschien inderdaad niet goed, zo opperde ik. Het schrijven van een goed filmscenario was, wellicht, toch moeilijker dan ik zelf eerst dacht. Daar moest je bij Theo niet mee aankomen: hij vond het een bespottelijke gedachte dat ik aan mijzelf was gaan twijfelen. Dat was precies waar De Vijand c.q. Het Systeem op uit waren. Bovendien was het onbeleefd om impliciet ook vraagtekens te zetten bij het beoordelingsvermogen van Theo zèlf.  Als hij zei dat het goed was, dan was dat zo. Wie daarmee niet kon leven, deed er beter aan te vertrekken. Dat was mijn eerste kennismaking met nog een opmerkelijke karaktertrek van Theo: het wegwuiven, onschadelijk maken en vóór willen zijn van iedere vorm van kritiek. Aanmerkingen vanuit de buitenwereld waren nooit te voorkomen, dat wist hij. Die moest je dus zo aggressief mogelijk te counteren, er zat niets anders op. Ontmoedig ze, toon nooit je zwakke kanten. Maar er was ook een binnenwereld waar het voor Theo veilig was. Binnen die club van Theo-gezinden werkte een mechanisme dat harde confrontaties vrijwel uitsloot. Zeker Theo werd ontzien. Dat regelde zich als vanzelf. Ten eerste, de leden kwamen dankbaar binnen: hun talent en werk waren voor Theo boven iedere kritiek verheven, dáárom waren zij uitverkoren. De clanleider voegde bovendien als het even kon de daad bij het woord: hij verdedigde gemeenschappelijk plannen tot zijn laatste snik, gaf gul geld uit ten bate van gemeenschappelijk projecten of genoegens, en zorgde immer voor reuring in de tent. Als je dan merkt dat iemand, die jou zo oprecht bewondert, zèlf buitengewoon gepijnigd of zelfs aggressief reageert op kritiek, wordt je daar vanzelf zuinig mee. Bovendien, wie gebrandmerkt was als verrader kon rekenen op soms jarenlange vervolging. Je was vóór Theo, of tegen hem, er was geen midden met ruimte voor twijfel of kritiek. Aanvankelijk meende ik dat het in praktijk allemaal best mee zou vallen, mits je met Theo voorzichtig en tactvol te werk ging. In praktijk bleek ik, als het ging over Theo's doen en laten, niet erg bedreven in het treffen van de enige juiste snaar. “Waarom vonden de mensen dit niet grappig?” “Waarom komen ze niet naar die film?” “Waarom zeggen ze 'nee' tegen dit plan?” Het waren vragen die Theo mij door de jaren heen geregeld stelde. Hij wilde niet echt een antwoord, althans niet het antwoord dat ik hem steeds vaker wilde geven. Al doende en lerende aan de schrijftafel begon ik steeds meer de gebreken te zien die het film-oeuvre van Van Gogh aankleefden. Zoals onhandig op filmpersonages geplakte Van Gogh-grappen, het dwangmatig mijden van emotie, dit in een dikwijls wat gekunstelde poging zo snel mogelijk bij het grote zwarte gat te geraken: liefde bestaat niet, iedereen liegt, niemand is veilig. Dat universum was mij ook persoonlijk bekend. Het cabaretgezelschap dat ik ooit had opgericht heette 'Zak en As', een komisch bedoelde verwijzing naar de klassieke bijbelse uitingen van rouw. Het was grappig en om te lachen, ook dat, maar altijd was het laatste onderwerp de dood. En niemand was betrouwbaar en de liefde was een leugen. Theo had tussen zijn eigen werk en het mijne meer raakpunten ontdekt dan alleen het 'Allah-lied', dat staat vast. Het was wederzijdse herkenning. Ik ervoer, denk ik, die als belangrijker, dramatischer dan Theo zelf. Mijn groeiende neiging tot klagen, twijfelen en treuren ergerde hem, dat wist ik, juist omdat hij op zijn beurt in mij niets anders wilde zien dan een totaal gelijkgestemde. Hij bood zich aan als opvoerder, gids op het pad naar roem en avontuur. Ook in mij zat een Theo, als ik mij daar aan overgaf kwam veel, zo niet alles goed. Maar een Theo kon en wilde ik niet zijn. Terwijl ik op zoek ging naar een andere manier van denken en leven, die ik wel kon volhouden, bleven voor Theo de kernpunten onwrikbaar: liefde bestaat niet, iedereen liegt, niemand is veilig. Welke film hij ook maakte, die mededeling zat in iedere scene. Nieuwe scenes voegden steeds minder toe. De spanning daalde gestaag. De ene keer lukte het beter dan de andere keer om de toeschouwers tot het einde toe aan boord te houden, maar iedere film van Theo die ik zag had te kampen met datzelfde euvel. Dat was niet alleen een eigen stijl, een bewuste keus, concludeerde ik, maar ook een systematisch onvermogen. De film ontwikkelde zich niet, het begin was het einde, het was stilstaan bij steeds hetzelfde grote verdriet. Wat ik begon in te zien, zo halverwege de jaren negentig, was dat Theo met elke film in die zin een zelfportret maakte. Maar niet van zijn complete ik. Waar was in zijn werk de gulle Theo, de vrolijke Theo, de onbevreesde ondernemer? Waarom mochten wij alleen de doemprofeet, de zwaar teleurgestelde en beschadigde zien? Dat waren de vragen die steeds sterker in mij opkwamen. Wel werd ik door iedere Van Gogh- film wel degelijk emotioneel geraakt, maar altijd op die onbedoelde manier. De maker was het raadsel, niet zijn werk. Bij premières van Theo zag ik steeds meer op tegen diens op dringende toon gesteld vraag wat ik er van vond. "Weer klote zeker?" Ik probeerde mijn standpunt te verwoorden, eerlijk, maar zonder Theo pijn te doen. Dat lukte nooit helemaal. Toch wilde Theo het weten. Altijd. Eén keer liep ik zo snel mogelijk Kriterion uit. Theo onderschepte mij terwijl ik haastig mijn fietsslot openmaakte. Op zijn laatste door mij bijgewoonde première verliet ik de bioscoop zonder hem te hebben gesproken, het was er niet van gekomen. Wel had ik gepraat met anderen. Achteraf bleek dat Theo precies te weten was gekomen wat ik tegen die anderen had gezegd. Mijn commentaar verscheen de volgende dag woordelijk op zijn website. Duidelijk was dat Theo aan hechtte mijn oordeel. Aan dat van velen in zijn omgeving trouwens, niet perse om er iets mee te doen, maar weten moest hij het. De grote meerderheid van de aanwezigen koos voor lofprijzingen. Theo werd in het directe contact liefdevol ontzien. Hoe kon je ook anders? Wie hem voor aanvang van zijn filmpremière zag, voelde medelijden.  Dit was niet geworden wat hij eigenlijk wilde, het had hem niet gebracht wat hij zocht: aan alle kanten straalde hij dat uit. Geen gewone première-zenuwen, je voelde het in je eigen buik. Ik wel, althans. Toch moest en zou ik Theo eerlijk vertellen wat ik ervan vond. De kern van mijn reactie was altijd hetzelfde: dat er in hetzelfde idee meer had gezeten, als hij het eens anders ging aanpakken, en niet meer van zichzelf dat boze, stoute jongetje uit Wassenaar moest zijn. Zonder mij dat toen zo bewust te zijn recenseerde ik de persoon Van Gogh zelf. Dat hij dingen afkneep bij voorbaat, verborgen hield of alsnog, nadat ze hem per ongeluk waren ontglipt, de grond instampte, of onschuldig maakte met een ontregelend mopje. Bij nabesprekingen van Theo's films was ik een van de vaste dissidenten tussen de tactische vreugdekoren. Wat, op paradoxale wijze, toch weer tot waardering van de zijde van Van Gogh leidde. Wel was mijn mond groter dan mijn status, liet Theo mij fijntjes blijken, mijn pogingen hem te beïnvloeden vond hij vooral komisch. Ik zou er, volgens Theo, beter aan doen hem respectvol te volgen op zijn pad en een volledig lidmaatschap van de clan behoorde nog altijd tot de mogelijkheden. Dat Theo daar oprecht in was bleek in 1997: de verfilming van 'De Pijnbank' kwam na vier jaar alsnog van de grond. Dankzij een extra hypotheek genomen door Theo, geld afkomstig van Paul de Leeuw, en de toegezegde medewerking van Jack Wouterse. Mijn oorspronkelijke toneelrol zou gespeeld worden door De Leeuw, en daarvan zag ik de redelijkheid in. Maarten Wansink daarentegen moest in de verfilming gaan wijken voor Jack Wouterse en zou het daar erg moeilijk mee krijgen, zo vermoedden Theo en ik. Zelf kon Van Gogh het eenvoudig niet over zijn hart verkrijgen Maarten het nieuws te melden. Nu was hij zelf een verrader en voelde dat ook zo. Het deed hem werkelijk pijn. Uiteindelijk was ik het die de naargeestige taak op me nam Maarten te informeren. Maarten heeft daarna jaren niet meer met mij willen spreken, en was zelfs eerder weer on speaking terms met Theo dan met mij, terwijl het besluit toch echt door Van Gogh was genomen. Na het nemen van deze hobbel zette ik mij aan het schrijven van een meer beeldende versie van  'De Pijnbank'. Van Gogh had daar weinig behoefte aan, hij wilde het stuk precies zo verfilmen als hij het in de Kleine Komedie had gezien. Het probleem was dat zoiets volgens mij niet ging werken. Ook gezien de reactie van bijvoorbeeld Maria Goos op een vroeg script, dat als gevraagd zeer dicht tegen de theaterversie aanzat. Maria zag er helemaal niets in en kon noch wilde ons op enigerlei manier van dienst zijn bij eventuele verbeteringen. Er was niet het begin van begrip. Ik produceerde, met de eerste draaidag in aantocht, nog een andere versie waarin veel minder tekst zat. Theo zag er helemaal niets in en kreeg uiteindelijk wat hij wilde: een licht aangepaste theaterversie, precies waar hem om begonnen was. Toen het stuk op de planken stond werd er regelmatig hard gelachen. Theo verheugde zich dan ook op flinke hilariteit in de bioscoopzalen. In Rotterdam was een leegstaand bankgebouw omgetoverd in een filiaal van 'Lammertink & Van Huët'. Ik was te gast op één van de opnamedagen. Al na het zien van een halve scene, via de monitor,  wist ik dat in de bioscoop niemand zou gaan lachen. De karakters verdronken bij voorbaat in een poel van domheid en slechtheid. Theo had op een of andere manier alles totaal letterlijk genomen: voor ironie, luchtigheid, zelfs voor af en toe een stemmingswisseling was geen plaats. Iedere spreker meende op ieder moment totaal en volledig wat hij zei, zich verkneukelend in het verwoestend effect dat zulks op de tegenstander van dat moment zou hebben. Ik kreeg ter plekke buikpijn: wat ik aan Theo verkocht was in essentie een komedie, precies wat Theo volgens mij ook wilde dat het was. Zwart, gemeend, maar wel degelijk om te lachen. Hoe prachtig zou het zijn dat alles nog eens te herbeleven, in een rijk decor en diepere context geschapen door een kundig filmer. Helaas, het stuk zou eerder gaan krimpen dan gaan groeien, drong al snel tot mij door. Er was geen speelruimte voor de personages. De hoofdrollen werden, zo leek het, gespeeld door drie licht aangepaste versies van Theo van Gogh zèlf. Als eerste was daar het slachtoffer van de bank, woest agerend tegen het grootkapitaal, zichzelf afschilderend als Christus kreperend aan het kruis. Het slachtoffer deed niet aan plagen had geen zelfinzicht, geen humor, hij was bezig zijn pijn van zich af te slaan, meer niet. Zijn beulen waren de bankman en diens chef. Bankman was een koude, geniepige sadist, die welbewust zijn ondergeschikte blootstelde aan de krankzinnige woede van de geslachtofferde klant. Waarop ook tussen die twee zich een spel van wraak en weerwraak ging afspelen. Van een langzaam uit de hand lopend mannen-spelletje, was 'De Pijnbank' getransformeerd in een totale oorlog vanaf het eerste moment. Nog nooit heb ik iemand een komedie zo uitzinnig serieus zien nemen als Theo van Gogh met 'De Pijnbank'. Humor, zo zeggen veel psychiaters, is als een schild waarmee een mens zichzelf beschermt tegen de onverdunde pijn die bepaalde nare situaties veroorzaken, of opnieuw oproepen. Het spel van tegen beter weten in ontkennen van de (in dit geval) droeve waarheid, dat is waar humor ontstaat. Theo wilde alleen de pijn. Hij had daarmee vakbekwaam de harde kern geïsoleerd, dat zeker. Maar verder kwam hij niet. De toch al niet erg genuanceerde personages werden zo plat als een dubbeltje en stonden uitsluitend nog voor één, in vele variaties herhaald mededeling: er is niets dan slechtheid. Iedere scene bevatte de hele film, steeds monotoner werd gehamerd op dezelfde mededeling: iedereen liegt, mededogen bestaat niet. Los daarvan had mijn script serieuze beperkingen en onhandigheden aan zich kleven. Hulp van een expert was bij het schrijven zeker handig geweest, maar dat was, als gezegd, het laatste wat Theo wilde. Een mens mocht nooit zijn oorspronkelijkheid laten bederven door oppervlakkige Hollywood-adepten of politiek correcte Hollandse kunstkutten. Het lukte mij op de set niet mijn mond te houden, en ik verliet de bank in Rotterdam in de wetenschap dat ik alweer - in Theo's ogen- verschrikkelijke dingen had gezegd, dat ik hem bovendien niet had kunnen behoeden voor alweer een flop, en daarmee in feite zelf ook beroerd werk had geleverd. Dit als onvermijdelijk gevolg van mijn dankbaarheid, lafheid en zelfoverschatting. En de première moest nog komen. Een paar weken na de opnames mocht ik naar de eerste ruw gemonteerde versie kijken. Theo was er niet bij, samen met de editor bekeek ik de eerste tien minuten. Die waren wat warrig en stuurloos, mijn eigen schuld, maar opeens zat je dan toch middenin het verhaal. 'Hier begint de film', riep ik op een bepaald moment uit, zonder nadenken, in een enthousiaste impuls. Dit kon nog best iets gaan worden. Tot mijn verbijstering - ik was geen vlotte leerling in sommige dingen- bleek Theo nog geen uur later volledig op de hoogte te zijn van ieder woord dat ik in de montageruimte had gezegd.Het kwam mij te staan op een nachtelijk telefoontje en een 's ochtend om vier uur persoonlijk in de bus geworpen, handgeschreven tirade. Naar beste weten had ik het allemaal toch heus goed bedoeld, en trillend typte ik een briefje van dergelijke strekking. Het werd mij met enige moeite allemaal vergeven, wel was ik een pathologisch geval, sociaal onmachtig en gestoord in mijn perceptie van de wereld. Dat was méér waar dan ik toen wilde geloven, het leven zou mij nog hardere lessen leren, maar wat ‘De Pijnbank’ betreft had Theo zeker iets aan mijn oordeel kunnen hebben. “Dan moet je zelf maar gaan regisseren”, repliceerde hij standaard op suggesties van dien aard, en daarmee was wat betreft Theo de kous af. De naderende premièredatum van de film vervulde mij met spanning. Zou ik mij daar nog mogen vertonen? Theo besloot van wel, de film begon, en ik wist binnen een half uur zeker dat mijn eerste inschatting van de publieksreactie volstrekt juist was geweest. Niemand lachte. Met niet aflatende mokerslagen werd het slechte nieuws over mensheid en wereld in de toeschouwers geramd. Had ik dit werkelijk geschreven? Begreep ik mijzelf niet, begreep Theo mij niet, of begreep ik Theo niet? Deze film, althans het effect ervan op de toeschouwers, was nooit de bedoeling geweest, noch van mij, noch van Theo. Of toch? Langzaam zakte de grond onder mijn voeten weg. Tegelijk kreeg ik een onvergetelijke les: film, toneel en cabaret zijn totaal onvergelijkbare, en niet combineerbare grootheden. Hier waren tonnen opgeofferd aan een eigenwijs waanidee van, onder andere, een ex-cabaretier met voor nu te grote ambities in de kunst. Van de nazit na de première herinner ik mij alleen dat Theo totaal verbaasd was dat er zo weinig was gelachen. Hij had een tamelijk lichtvoetig verhaal neergezet, vond hij zelf, ook na het zien van de film in een zaal vol vertrouwelingen, die van alles waarnamen, maar geen lichtvoetige komedie. Ik heb geen poging meer gewaagd hem uit te leggen dat hij zich wellicht vergiste. Twee jaar later trof ik, na het zien van een openluchtvoorstelling in het Amsterdamse Bos, de acteur Roeland Fernhout, in de film de sadistische bankman. Met lichte weemoed maakte ik hem deelgenoot van mijn gemengde gevoelens, achteraf, over het script waar zoveel mensen destijds zoveel tijd, talent en geld in hadden gestoken. Potverdomme. Achteraf had ik graag iets beters gemaakt, maar ja, dat was mij helaas niet gelukt. Tot mijn verbijstering - ik bleef een trage leerling- was Theo nog geen twee dagen later volledig op de hoogte van ieder woord dat ik, aan een tafeltje in het Amsterdamse Bos, met Roeland Fernhout had gewisseld. Het kwam mij te staan op een nachtelijk telefoontje en een 's ochtend om vier uur persoonlijk in de bus geworpen, handgeschreven tirade. Naar beste weten had ik het allemaal goed bedoeld, en enigszins trillend, maar vooral toch moedeloos typte ik een briefje van dergelijke strekking. Steeds helderder zag ik het beeld van Theo voor me als charismatisch maar meedogenloos sekteleider. Door niemand ooit van zijn pad af te brengen. Al wie dat probeerde, raakte hem op een extreem pijnlijke plek. Maar wat deed er dan toch zo'n pijn en waarom? In het hier en nu kon ik daarvoor geen sluitende verklaring meer vinden: roem, geld en lekkere wijven en altijd iets te doen. Hoezo is de wereld een hel? Wel was Theo de enige man die ik kende die herhaaldelijk beweerde dat hij zijn moeder had geneukt. En dat het heel fijn was. Of dat werkelijk was gebeurd, daarover verschilden de meningen in Theo’s omgeving, maar vrijwel iedereen had er ooit van vernomen. Onze laatste aanvaring, via een klikkende acteur die dringend zijn Messias meende te moeten informeren, interpretterde ik als een definitieve breuk. In ieder geval, wij spraken elkaar nooit meer. Wel sprak ik nog regelmatig óver hem, vaak ook met mensen die hem goed kenden of bevriend met hem waren. Er waren vreemde dingen aan de hand met Theo, en daar werd in zijn afwezigheid ontspannen over gesproken. Was het voor Theo, nog los van de soms vernietigende gevolgen voor de getroffenen, toch niet beter eens te stoppen met die vendetta's tegen, pakweg, Monique van der Ven en Edwin de Vries, met inzet van alle middelen, tot gestorven baby's aan toe? Werd het niet eens tijd om uit te zoeken waarom films die altijd toch tamelijk positief besproken en fors publiciteit genereerden zo weinig bezoekers trokken? Waarom sloot Theo zich, openbaar althans, op in een rancuneus, zwart en wat mij betreft inmiddels steeds voorspelbaarder universum. Voor iemand met een IQ van boven de 130 en een gevoelige antenne moest toch meer te halen zijn. Ook erkende Theofielen als Theodor Holman en Maarten Wansink (terug van weggeweest)  gaven mij daarin voor een groot deel gelijk. Maar ja, op deze manier was het óók leuk, interessant en vermakelijk. Theo was Theo, en je deed er toch niks aan. Via-via bereikte mij vervolgens onvermijdelijk wat Theo van mijn indirecte bemeienissen vond: ik hield er achterbakse tactieken op na om achter zijn rug om zijn bestaan te ondermijnen. In die zin groef hij toch echt zijn eigen graf: iedereen die hem kende vermeed rechtstreekse confrontaties. Men gaf elkaar daar ook adviezen in en oefende onderling slecht-nieuws-gesprekken. Voor zover aanmerkingen waren toegestaan, dienden die afkomstig te zijn van vrienden met een hoge status in kunst, wetenschap en maatschappij. Maarten van Rossem bijvoorbeeld mocht over Theo alles beweren wat hij wilde, niet alleen omdat hij het zo kalm en niet-provocerend formuleerde: Maarten was minstens even beroemd als Theo. Wie het met minder moest doen, kon zich ook minder veroorloven. De meerderheid van de vriendenclan droeg Theo - openlijk althans- daarom op handen, verdedigde hem -in het openbaar- consequent. Het aangeven van dissidenten binnen of buiten de vaste vriendenkring hoorde tot de goede gewoontes. Tijdens een radio-interview op de dag van Theo’s dood, ik zat er als spreker bij, werd over dat alles openhartig gepraat. Wat ik zag als angstig op mijn tellen passen, was voor veel anderen helemaal geen probleem geweest. Zijn vrienden zagen dat als een spel dat nu eenmaal gespeeld moest worden. Max Pam en Theodor Holman vertelden hoe je Theo van alles en nog wat kon influisteren, over deze of gene, waarop Theo vol in de aanval ging, zonder zèlf de feiten nog te checken. Lachen. Tijdens datzelfde interview, als gezegd nog maar een paar uur na Theo's dood, werd volgens mij ook voor het eerst openbaar gemaakt dat Theo geen scripts kon lezen. Hij viel op de toon en de personages, de diepere structurele verbanden in het verhaal kwam hij voor het eerst tegen tijdens het draaien, of pas tijdens het monteren. Of niet dus, indien een script te weinig werkzame ingrediënten bevatte. Maarten en Theodor maakten zich, samen met mij, vrolijk over de vakmatige gebreken die Theo niet alleen had, maar zelfs scheen te cultiveren.  Zoals dat Theo direct als versie 1 als de definitieve zag, en van geen kritiek meer wilde weten, zelfs als die kwam van de schrijver zelf. Ik weet zeker dat Maarten, Max en Theodor zoiets nimmer in het openbaar gezegd of beaamd zouden hebben als Theo nog geleefd had. Maar dat was nu al een paar uur niet het geval, ironischer en losser had ik nooit vrienden van hem zo over hem horen praten voor een open microfoon. In de sfeer van rouw en ontzetting weerklonk een bijna ongepaste ondertoon: die van opluchting, vrolijkheid zelfs dat het nu eindelijk gezegd kon worden. Het was het vreemdste radio-interview waar ik ooit in mijn leven aan heb deelgenomen, toevallig trouwens, omdat ik Maarten gevolgd had naar Theodor, waar wij ons beiden op dat moment erge zorgen over maakten. Theo had er bij leven de wind enorm onder, bij iedereen. Sommigen waren hem terwille uit een mengeling van genegenheid, ontzag en angst, anderen kwamen tot datzelfde gedrag als consequentie van eigen wat dubbele, ironische levenshouding. Zij vatten het allemaal veel luchtiger op. Het resultaat was hetzelfde: Theo leerde niet meer. De film ‘Baby Blue’ was Theo’s duurste ooit, en in dat licht ook de meeste mislukte. Dat script had ik, ruim voor de verfilming, voor Theo gelezen:  hij was toch weer naar mij toegekomen. Graag had ik Theo over 'Baby Blue' niets dan goeds gemeld, maar het lukte mij niet om het verhaal te volgen. Tot het eind toe was mij onduidelijk hoe het precies zat met de baby’s, die een incestueuze vader en dochter als door hen beiden verwekt nageslacht wensten op te voeren. Niet te volgen, en psychologisch nogal dunnetjes. Dat was wat ik Theo na een eerste lezing meldde. Hij wilde er niets van weten. Zó moest ‘Baby Blue’ zijn, en zo ging het worden. Toch raadde ik hem aan om, met een veranderd script, direct duidelijk te maken wat de hoofdpersonen wilden en waarom. Geen ‘who-dunnit’ maar een ‘how-they-did-it’. Theo zuchtte diep, en verliet mijn huis. Na de première van ‘Baby Blue’ sprak ik met Jan Mulder. Toch even checken. Of Jan de plot had kunnen volgen, vroeg ik. Of hij snapte waarom precies aan het einde een babygrafje in beeld kwam?  Nee, dat snapte Jan Mulder ook niet, maar dit was nu echt zo’n film die je twee keer moest gaan zien, zo verklaarde hij met karakteristiek aplomb. Ik sputterde nog even tegen. Films, en met name thrillers, waren toch echt bedoeld om in één keer begrepen te worden. Was Jan zelf trouwens ooit voor de tweede keer naar een spannende film gegaan, in de hoop hem nu wel te kunnen volgen? Jan Mulder vond dat ik niet zo moest zeuren, hij vond de film prachtig. Einde gesprek. Een dag later stond wat ik tegen Jan Mulder gezegd had vrijwel letterlijk op Theo’s website ‘De Gezonde Roker’. Duidelijk werd dat zelfs Jan Mulder, als velen in het gevolg van Van Gogh, niet te beroerd was om een wit voetje bij de meester te halen. Het aangeven van verraders werd, als eerder gezegd, binnen Theo’s kring van vertrouwelingen als een leuke sport gezien: wie weet gebeurde er dan iets spannends. Wat vóór Jan Mulder pleit was dat hij zelfs strikt privé niet tot kritiek op Theo’s werk over te halen was; als voor velen stond ook voor hem, vermoed ik, kritiek op Theo's werk gelijk aan kritiek op Theo zèlf, en dat laatste was niet geoorloofd. Men diende de gelederen rondom Theo gesloten te houden, dit ook in het belang van onze maatschappij. Wat de recensies ook meldden, hoe matig het bioscoopbezoek soms ook was, Theo kwam iedere tegenvaller te boven en ging, aangemoedigd door zijn trouwe schare volgelinmgen, voort op het ingeslagen pad. Immuun voor pijn en twijfel. Toch was er meer aan de hand. Wat Theo hardnekkig beelf zoeken was bevestiging. Ook bij mij. Dus was er, wel degelijk, sprake van onzekerheid. We zijn aan de Egelantiersgracht. Theo ligt op mijn bed en kijkt samen met mij naar een video van een door hem geregisseerde TV-komedie voor, ik meen, de TROS. Naïef en toch weer gevlijd denk ik dat Theo komt om iets van mij op te steken. Tegelijkertijd weet ik dat Theo mijn aanmerkingen met intelligent verbaal geweld en waar nodig met een aantal jij-bakken voorgoed uit de wereld wil helpen. Dit bezoek dient om Theo’s pantser op deugdelijkheid te testen, voor het scherpstellen van zijn vizier, voor het in paraatheid brengen van zijn afweersysteem. We bekijken samen de proefaflevering. Het verhaal, voorzover waarneembaar, speelt in een doktersgezin, de humor bestaat uit het zo hard mogelijk roepen en uitspelen van mededelingen, bedoeld om de gemiddelde kijker te shockeren. Leuk werk voor acteurs, een zware dobber voor het TROS-publiek. Theo vind het dolkomisch, zelf. Hij heeft maar mooi voor elkaar gekregen dat ’s lands meeste gezapige omroep haar kijkvee een hartverzakking gaat bezorgen. Het stoute jongetje geniet volop. Het lukte mij niet Theo het verschil te laten inzien tussen die dubbelzinnige bedoeling en de feitelijke inhoud. Theo verwachtte niet zozeer een lach om de grappen, maar om hem zèlf: "Die Van Gogh, die durft toch maar...” Voor hem was zijn werk zijn persoon, en vice versa. Niet voor de TROS-kijkers, die zouden, volgens mij, naar de inhoud gaan kijken, niet lachen, en na een minuut definitief wegzappen. Zonder zich iets af te vragen over Theo van Gogh. Ik weigerde hem enige hoop te gunnen op uitzending, voorzover ik weet is dat ook nooit gebeurd. Rechtstreekser heb ik Theo nooit laten weten wat ik van zijn werk vond, maar dit keer durfde ik: het ging hier over humor, en daarvan wist ik aardig wat. In diezelfde periode had ik, voor het eerst, zelf een kort videofilmpje gemaakt en dat aan Theo meegegeven. Hij gaf mij er, nog steeds liggen op het bed, een ronduit vernietigende recensie van. Had ik zijn TROS-komedie leuk gevonden, dan had hij iets anders gezegd. In diezelfde periode had ik een bordspel ontworpen, dat Theo, na enige aandrang mijnerzijds, had aangeschaft voor zijn zoon. Een jaar later opende Theo een bijeenkomst, over heel iets anders, met een buitengewoon laatdunkend commentaar op datzelfde bordspel. Niet leuk, inderdaad, en dat wilde hij mij duidelijk laten voelen. Volgens plan. Wat ik mij nu pas realiseer is dat op die momenten  Theo voor het allereerst kritiek had op mijn werk: hij hield op mij te sparen. Hij had de hoop  laten varen, voorgoed wellicht, op onvoorwaardelijke solidariteit.  Al die jaren was hij daar toch op blijven rekenen, althans, die indruk krijg je. Trouw, volhardend, maar vooral gewend altijd zijn zin te krijgen. Maar van onvoorwaardelijkheid kon geen sprake meer zijn. De botheid van zijn columns was mij steeds sterker gaan storen. Het inhakken op hypocrieten en leugenaars, die Theo overal wist op te sporen, diende geen intellectueel of ideologisch doel. Het was hameren, letterlijk. In stijl, ritme en woordkeus toonden zijn columns aanwijsbaar obsessieve trekken. Maar het werkte, dat zeker. Met zijn films had hij daarentegen nog altijd niet vol in de roos geschoten. Dat wist hij. Dus op dat terrein was voor mij, ondanks alles, wellicht nog een rol weggelegd. Dat hoopte ik ook. Veel kansen krijgt een scenarioschrijver niet, bovendien, nog altijd had ik een licht schuldgevoel over ‘De Pijnbank’, gekoppeld aan de behoefte aan revanche. De man die mij had willen opvoeden, kon zelf ook wel een lesje gebruiken. Los daarvan verdiende Theo nog steeds mijn respect en liefdevolle aandacht: hij durfde alles en deed het ook, was niet te ontmoedigen, en had een grote sensitiviteit in zich, waar hij helaas nog met een grote boog omheen liep. We hadden nog nooit de héle Theo niet gezien, maar die was er wel. Ik wilde hem helpen, bij het afwerpen van het pantser, de onthulling van het kwetsbare kind, door een volwassen geworden Theo Van Gogh. Hij kón het. Maar Theo luisterde naar niemand, laat staan naar mij. Dat moest ik nu toch eens gaan inzien. Ga inderdaad dan zelf regisseren. Inderdaad. Laat je niet vlijen door andermans gulheid, laat roem geen reden bij iemand te blijven, ga je eigen weg en zwijg over de ander. Die wijsheid had ik niet alleen van mezelf, ook van Theo, die uiteraard scherp zag wat in mij speelde. Maar goed, einde verhaal, soms gelachen, veel geleerd, afsluiten dat hoofdstuk. Daar waren we het inmiddels beiden over eens. Toen belde hij weer, zonder een spoor van wrok. Theo had een idee waarvan ik, qua script, de ideale uitvoerder zou zijn. Het ging namelijk over Marokkanen, Islamieten dus, waar ik ooit zo’n fantastisch lied over gemaakt, door Theo zelfs in een boekje opgenomen: "Allah houdt van tolerantie,dat wil zeggen: die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in Allahs vleesfondue. Allah houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van ons. Maar wie Allah's wet bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons."  Theo’s plan was om, in een dertiendelige serie, de onmogelijkheid van een liefdesrelatie tussen een Marokkaanse jongen en een Nederlands meisje aan te tonen. Multiculti Romeo en Julia en alle illusies daarover, dat moest keihard worden aangepakt. Of ik, in ruil voor 14.000 gulle guldens, binnen een week een plan kon produceren, met twee hele afleveringen en een ontwerp voor de volgende elf. Nu zijn kansen voor een scenarioschrijver schaars. Ik had scenario-cursussen gevolgd, en was er klaar voor. Maar niet voor het genadeloos keihard aanpakken van de multiculturele samenleving. Het verhaal van mij daarover, ruwweg neergezet in een lange doorwaakte week, was veel genuanceerder dan het ‘Allah-lied’ van Zak en As. Dat kon Theo niet ontgaan zijn, maar hij vond het prima zo. Op de set zou het goed gaan komen. Sowieso wilde hij veel gaan improviseren. De wezenlijke boodschap, een hard ‘nee’ tegen twee culturen op één kussen, daar zou hij zelf voor zorgen. Dat was zíjn aandeel. En anders moest ik zelf maar gaan regisseren. Het project ‘Najib en Julia’ zweefde vervolgens twee jaar ergens in het omroepuniversum, totdat de AVRO, kien op betaalbaar kwaliteitsdrama, zich aanmeldde als co-producent. Wel op voorwaarde dat zij eerst geheel akkoord moesten gaan met een door hen betaald en met hun dramaturgische steun geproduceerd, geheel compleet script. Tot het laatste woord gecheckt. Er zou niet geïmproviseerd gaan worden, het ontketenen van een burgeroorlog moest Theo maar op zijn eigen kosten organiseren. Wel was er uiteraard van beide zijden het volste vertrouwen in elkaars integriteit en capaciteiten. Een ruim jaar later lag er een dertiendelig script, dat onderweg helaas weinig subsidie had weten los te maken, maar het ook zou kunnen redden als het in minimale tijd en met minimale middelen verfilmd zou worden. Theo had zich, zo leek het, neergelegd bij de mildheid en genuanceerdheid van het script. Maar één scene weigerde hij pertinent te verfilmen: de allerlaatste,  van de laatste aflevering, waar op het strand van Scheveningen de Marokkaanse moeder haar leed deelt met de Nederlandse moeder, over hun gestorven kinderen. Onbespreekbaar. Terwijl Theo voor het overige toch gekregen had wat hij wilde: twee dode geliefden, een familieoorlog daaromheen, met cultuurverschillen die de zaak definitief onoplosbaar maken. Nee, een slotbeeld met iets dat op verzoening leek was onbespreekbaar. Theo kreeg zijn zin. Ook de opening, de vaste leader voor iedere aflevering, was een getuigenis van de regisseur zèlf: een vrij-scene, met daaronder een wat temerig gezongen liedtekst die diende om te voorkomen dat kijkers een onderweg een ongezond geloof in de goede afloop zouden ontwikkelen. Het was allemaal vals en schijn, zoiets, verwoord met de plompheid van een gebruiksaanwijzing. Van mij mócht Theo, dat wil zeggen, ik wist dat een totale herziening van verhaal voor hem teveel werk was, de AVRO waakte, en bovendien waren er mooie rollen, waar acteurs zich vast en zeker teveel zouden hechten om die tot karikatuur of ironie te laten maken. Van de AVRO ontving ik gunstige berichten over de eerste opnames, de sfeer was prima, het zaakje liep. Als Romeo had Theo een gevoelige maar matig articulerende Marokkaanse jongen uitgekozen, Hanin. Ik was bij een casting geweest, had ook die jongen bezig gezien, en inderdaad iets gezegd over zijn wat moeilijke verstaanbaarheid. Onhandig, voor de langere lappen tekst. Theo loste dat probleem op door mij voorgoed, dus voor de rest van mijn leven, de toegang tot enige casting te ontzeggen, en koos Hanin. Ook de door Theo uitverkoren Julia, Tara, had één enkel zwak punt: ook zij had een zekere neiging tot het binnensmonds houden van tekst. Dat ze voor het overige een prima koppel vonden, daar twijfelde ik niet aan; van hoe camerageniek acteurs zijn heb ik sowieso te weinig verstand. Op onnavolgbare wijze slaagde Theo, zelf onbetaald, er in om binnen een paar weken en binnen budget de serie op te nemen. De viewing voor de pers (ook ik mocht geïnterviewd worden, en wist dat dat een gunst was) vond plaats in een hockeyclubhuis in Amstelveen. Ik zat naast Maarten Wansink en Jack Wouterse en verstond de helft van de teksten van Julia en Romeo niet. Terwijl ik ze even goed kende als de acteurs. Doof was ik niet, voorzover mij bekend, ook kon de onverstaanbaarheid niet liggen aan de in het clubhuis aanwezige techniek. Ik checkte discreet of Maarten en Jack, naast mij, iets was opgevallen over de geluidskwaliteit, met name als de twee hoofdrolspelers aan het woord waren.  Ze keken mij vol onbegrip aan: het geluid was perfect. Een raadsel. Het was mij onduidelijk hoe twee vakmensen zoiets radicaal anders hadden kunnen waarnemen. Toch hoorde ik wat ik hoorde: een moeizaam verstaanbaar liefdeskoppel, temidden van prima verstaanbare andere acteurs. Er was op de gehele bijeenkomst maar één iemand te vinden die mij, fluisterend, gelijk durfde te geven. Dat was Justine Pauw, hoofd drama van de AVRO. Het geluid was bij vlagen dramatisch slecht, bevestigde Justine, vooral in scenes met Tara en Hanin. Of Jack en Maarten dat werkelijk niet hadden waargenomen, ik weet het niet. Theo oefende, met inzet van zijn hele wezen, een grote macht over zijn omgeving uit. Het is een wilde theorie, maar op dat moment meende ik te constateren dat Theo zijn clanleden zo in zijn klauwen had, dat zij instinctief alles wegfilterden wat in hun relatie met Theo later tot problemen zou kunnen leiden. Zoals bijvoorbeeld de constatering dat het geluid bij vlagen beroerd was. Nu wordt een serie niet op één dag opgenomen, dat geluidsprobleem móet tijdig bekend zijn geraakt. Iemand (een logopedist dan wel een technicus) had er iets aan kunnen doen. Dat Theo die opdracht nooit heeft gegeven, of in ieder geval dat het geluidsprobleem nooit is opgelost, moet iedere kijker van ‘Najib en Julia’ zijn opgevallen. Gordijnen dicht, pompje van het aquarium uit, en het geluid zo hard mogelijk zetten, dan verstond je het meeste wel. Wilde Theo de kijkers dwingen hun oren tot het uiterste te spitsen, zodra de twee geliefden in beeld kwamen? Of vond hij dat hun teksten er niet teveel toe mochten doen, dan wel te genuanceerd of verstandig waren? Technisch falen of een gecreëerde situatie, zeker is dat Theo het zo wel prima, of zelfs beter vond. Nu mag een regisseur heus iets, zelfs heel veel, aan een script veranderen. Zo werkt dat. Maar het onverstaanbaar maken, of laten blijven, van acteurs is hele opmerkelijke methode. Even opmerkelijk is om je serie met een leader met twee blote, vrijende jongeren te laten beginnen, zodat je zeker weet dat in alle Marokkaanse gezinnen de TV direct wordt uitgezet. Terwijl de AVRO nu juist gehoopt had eens wat meer jonge allochtonen te trekken. Het idee dat Theo met ‘Najib en Julia’ enige bijdrage zou leveren aan de vrede op aarde, moet onverdragelijk zijn geweest. Tegelijk ook weer niet, want het uiteindelijk resultaat was evenwichtig, menselijk drama, bij vlagen zachtmoedig en luchtig, goed voor echte tranen in duizenden huiskamers. Dat ‘Najib en Julia’ in 2003 een Gouden Kalf won, was mede uit vreugde dat Theo in deze serie de confrontatie en columnistische botheid, misschien zelf voorgoed, achter zich had gelaten. Tussen mij en Theo was het inmiddels definitief voorbij. Ik vond zijn door mij waargenomen zelf-sabotage in’Najib en Julia’ (zoals die weggelispelde teksten, het lieve meisje met het pedofiele pornoduimpje in haar mond, een kettingrokende chirurg) nogal dommig. Dat had ik tegen diverse mensen ook zo gezegd, niet tegen Theo zelf, maar als bekend: dat maakt weinig verschil voor de afloop. Die was dat Theo mij achter de deur met een pistool zou opwachten, als ik aanwezig zou zijn bij het ‘Najib en Julia’-feest. Ook strafte Theo mij met het niet noemen van de scenarioschrijver bij het ontvangen van het Gouden Kalf. Ook op de DVD van de serie die later verscheen, ontbrak mijn naam. Toen ik Theo vroeg waarom, was zijn superieur snibbige antwoord; "Jou kennen ze niet". Hoewel ik de serie geschreven had, was ik niet beroemd genoeg om als schrijver van die serie bekend te worden gemaakt. Een deel van Theo’s wraakplan, maar ook luchtte hij met dat ene zinnetje “Jou kennen ze niet”  zijn hart over andere zaken, uit een gedeeld verleden. Theo had mij, als ik met hem mee was gegaan, beroemd kunnen maken. Hij wilde dat ook. Ik had die gunst geweigerd, ondanks zijn jarenlang herhaalde aanbod. Respectloos en ondankbaar. Inmiddels was ik inderdaad niet of nauwelijks beroemd, vergeleken met Theo. Eigen schuld. Niet alleen was ik niet meer welkom, ook was ik overbodig. Ik voegde niets meer toe aan de beschermende kring rond Theo, met Katja Schuurman, wijlen Pim Fortuyn, en tientallen andere grote namen die dagelijks de  krant haalden. Theo omgaf zich, pantserde zich met roem en beroemde mensen. Daar had ik bij kunnen horen, bij het cohort van onkwetsbaren, omdat wij, zo vond Theo, in wezen aan dezelfde kant stonden. Hetzelfde waren. Maar ik wilde niet meer de Theo in mijzelf ontdekken, ik wilde juist dat Theo iets van mij in zichzelf zou vinden. In ieder geval in zijn werk. Met ‘Najib en Julia’ had ik, hij kon er niet onderuit, op een bepaalde manier mijn gelijk gehaald. Die serie had niet meer de onverdunde Van Gogh-touch, althans, lang niet zo overtuigend als in andere verfilmingen. De sombere, onaantastbare wreker had gezichtsverlies geleden. Besmet met zwakte, onder andere via mij. Hij had, voor even, het masker laten vallen. Moest dat nu met dubbele kracht worden rechtgezet? Het gaat wat ver, deze verklaring, maar een feit is dat Theo na ‘Najib en Julia’ (als verhaal van ná de Twin Towers, als script van vòòr de moord op Fortuyn) bot als nimmer tevoren Islamieten uitnodigde tot slaande ruzie. Alsof er iets moest worden rechtgezet, een uitglijder waar allerlei mensen hem met gebruikmaking van de omstandigheden toe hadden aangezet. Theo wenste niet verdacht te worden van een teveel aan nuance, en ging voluit in het offensief. "Allah houdt van tolerantie,dat wil zeggen: die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in Allahs vleesfondue. Allah houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van ons. Maar wie Allah's wet bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons." Die liedtekst, door mij in 1987 geschreven, was aanleiding tot mijn eerste ontmoeting met Theo van Gogh, en daarmee tot alles wat wij verder ondernamen. Onze eerste en enige samen gemaakte TV-serie ging over een Marokkaanse jongen, die zou sterven aan zijn verlangen verkering met een Nederlands meisje te hebben. Theo stierf door de hand van een door hem tot fatale razernij gedreven, toch al verwarde Marokkaanse jongen. Er lijkt systeem in te zitten. Maar welk? Over mijn eigen aandeel in dat alles heb ik niet veel diepzinnigs te beweren:  je komt niet zo makkelijk je eigen hoofd binnen. Wat ik met Theo deelde, zeker toen ik hem voor het eerst ontmoette, was woede jegens de wereld. Ik had een hekel aan mijzelf, vond mijn eigen werk niet goed genoeg, was ook genadeloos in mijn analyses van anderen en schiep er genoegen in hen te treffen op zwakke plekken. Ik geloofde niet in liefde, althans niet in de oprechtheid of betrouwbaarheid daarvan. Veilig voelde ik mij zelden, miskend vrijwel altijd. Mensen die het volgens mij beter deden dan ik, boven mij stonden of meenden te staan, konden rekenen op de volle laag. Zij verdienden hun hoge positie zelden, eigenlijk nooit. Hypocrisie en politieke correctheid waren mij een gruwel. De Tweede Wereldoorlog fascineerde mij, de holocaust raakte mij persoonlijk. En zo nog het een en ander. Later leerde ik inzien dat niet de boze slechte wereld de bron van mijn woede was. Door mijn boze bril nam ik een voornamelijk boze wereld waar, en richtte mijn woede daarop. Volgens dokter Freud en anderen  zat het echte probleem in mij zelf, gekwetst als ik was door gebrek aan ouderlijke liefde en invoelingsvermogen: blijkbaar was ik niet goed genoeg om onvoorwaardelijk liefgehad te worden. Dat doet pijn. Combineer dat met een intense vastbeslotenheid om de onterechtheid van die eerste afwijzing te bewijzen

( "Papa en mama, ik ben godverdomme wel goed genoeg"), en het valt iets beter te begrijpen waarom ik jaren later voor grote volle zalen onder de naam ‘Zak en As’ mijn woede over Islamieten uit, mensen die mij persoonlijk nooit iets naars hadden  aangedaan. Maar verlossing bracht het niet: papa en mama zijn inmiddels vele jaren ouder en gemiste onvoorwaardelijk liefde kan niet achteraf worden uitgekeerd. Een nuttig inzicht, ook leidend tot rouw en spijt. Maar die nam ik voor lief: ik kon niet langer de energie opbrengen om mijn verdriet te overschreeuwen. Ik durf aan te nemen dat Theo, in 1987, onmiddellijk zag wie hij voor zich had: iemand net als hij gedreven door boosheid en teleurstelling. In zak en as. Dus Ruud Lubbers was een hoerenloper, hazenlippen werden gedwongen op toneel lange verklaringen af te leggen, iedereen was een potentiële SS’er, enzovoort. In het oeuvre van Van Gogh trof je destijds, en in 2004 nog steeds soortgelijke beelden en voorbeelden aan. Opvallend frequent riep Theo de vraag op of je bij een bepaald persoon zou kunnen onderduiken. Het antwoord luidde steevast ‘nee’.  Wie beweerde een goed mens te zijn, dus wèl iemand bij wie je zou kunnen onderduiken, werd door Theo afgeserveerd als ‘goed na de oorlog’. Als hypocriet en pretentieus. In Theo’s werkelijkheid was niemand ooit veilig. Zo voelde hij zich waarschijnlijk: altijd onveilig, en projecteerde dat gevoel op de wereld om zich heen. Hij verschanste zich in een kleine kring van mensen die hij absoluut wilde kunnen vertrouwen. Vanuit dat fort bestookte hij de buitenwereld. Maar hoe bedreigend was die nu werkelijk voor Theo, toen in 1987, of later in 2000? Niet, zou je zeggen. Theo speelde in die zin een rol, was blijven hangen in een boze, opstandige kindertijd. Je kan het ook krasser verwoorden: Van Gogh was een aansteller, verslaafd aan oud verdriet, waarvan hij een landelijk succesnummer had weten te maken. Maar Van Gogh zelf beschouwde zich juist als volstrekt eerlijk. Hoe kon iemand van hem denken dat hij zijn verdriet spéélde? Voor Theo was zo’n opmerking, ooit in mijn bijzijn gemaakt door Hetty van der Wal, de grofste die je kon maken: Theo leefde in een trouweloze wereld, dat gevoel was onontkoombaar echt, hoe durfde iemand daar aan te twijfelen? Van Gogh achtte zich zowel intellectueel als persoonlijk geminacht door iedereen die verwees naar wellicht diepere, oudere en onbewuste oorzaken van zijn wereldbeeld. Hij wilde daar niet aan. "Ik kon niet bij mijn psychiater blijven, want ze wilde met me naar bed", hoorde ik Theo op een dag zeggen. Ik vermoed dat er nog andere redenen waren voor Theo om de therapie voortijdig af te breken. “Ik ben met mij moeder naar bed geweest”, ook dat heb ik hem weleens horen zeggen. En nog een derde puzzelstukje: Theo’s ouders hadden in diens jonge jaren heftige conflicten met elkaar. Laat mij raden: de kleine Theo heeft zich in zijn vroege jeugd nooit veilig gevoeld. Hij wilde zijn moeder beschermen, door haar af te pakken van zijn vader. De twee ouders probeerden hun conflicten uiteraard zo goed mogelijk voor Theo verborgen te houden, maar die keek daar doorheen. Hij zag alom leugens, hypocrisie, en nergens liefde. Later, als volwassene, heeft Theo dikwijls gezegd dat hij van liefde en wat mensen daarmee bedoelden oprecht niets begreep. Ik geloof hem. In een voor hem beslissende periode van zijn leven wàs die liefde er niet, en werd hoogstens voor de goede orde geveinsd. Hoe ernstig die ruzies tussen de ouders werkelijk waren doet er niet eens zo toe, vast staat dat Theo enorm gevoelig en intelligent was. Niets ontging hem, alles kwam binnen. Hij zal, zoals alle kinderen in dat soort situaties, aan zichzelf zijn gaan twijfelen. Lag het aan hem? Was hij niet goed genoeg? Op duizenden manieren heeft hij de situatie doordacht en oplossingen gezocht, maar die waren er niet, ondanks zijn totale liefde (in ieder geval voor zijn moeder) en onvoorwaardelijke goede wil. Zoiets zal het geweest zijn, en het heeft Theo destijds  zo hard geraakt, dat hij de wereld nooit meer zonder pantser heeft willen betreden. Tegelijk bleef in hem het verlangen leven naar de harmonie van een veilig gezin. Ik ben geen psychiater of psycholoog, ik meld het maar even,  maar zo valt voor mij te begrijpen waarom er, later, niet één, maar twee Theo’s leken te bestaan. De zachte Theo leefde in de veilige binnenwereld, de zwartgallige fundamentalist in de buitenwereld. Tot een integratie van die twee versies van Theo, en daarmee tot rouw en verwerking, is het nooit gekomen.  Theo had genoeg energie om zijn oude, nooit verwerkte pijn de baas te blijven. Twintig uur per dag hield hij zichzelf bezig met werken, praten, interviewen en plannen maken: om het allemaal niet te voelen. Bood het leven zelf niet genoeg afleiding, waren er nog de vergeetmedicijnen drank en drugs. En eten. Maar de pijn was er en bleef. Nergens was hij veilig. In zijn columns was Theo beurtelings de vervolger of de onterecht vervolgde. Hij joeg zonder genade op zijn kwelgeesten. In zijn films laat hij de grond van dat alles zien: verdriet. Er is geen troost, geen liefde, er is slechts eenzaamheid en onbegrip. ‘Een dagje naar het strand’: kind wordt alleen gelaten door vader die zelf het leven niet aankan. ‘Terug naar Oegstgeest’: dictatoriale vader beklemt een gevoelig kind. ‘Blind Date’ en ‘06’: twee volwassenen zoeken de liefde, maar vinden slechts een armzalig substituut. ‘Baby Blue’: twee incestueuze partners willen persé kinderen en krijgen die langs perverse weg. Vat dat allemaal nóg eens samen, en Theo lijkt te willen zeggen dat volwassenen beter niet met elkaar een relatie kunnen beginnen, en zeker geen kinderen moeten krijgen. Daarmee zegt hij tevens iets over zijn eigen aanwezigheid in de wereld, wat hij ook eens verwoordde als: “Het kan altijd erger, je kunt ook nog Theo van Gogh te zijn”. Wat Theo in zijn films liet zien was de bron van zijn existentiële pijn. Die dateerde van vroeger, stond los van zijn leven hier en nu, maar raakte hem nog steeds, iedere dag. Het dunnetjes bedekte eigen verdriet, waar Theo zichzelf via zijn films steeds mee confronteerde, werd hemzelf ook weleens teveel. Dat leidde dan tot halfslachtige pogingen om uit zijn eigen universum te ontsnappen, bijvoorbeeld met rare mopjes, komisch bedoelde verwijzingen of sneren naar iets of iemand ver buiten het filmverhaal. Theo wilde de pijn, maar hij wilde hem ook niet. Hij wilde zijn zwakheid tonen, maar toch ook weer niet. In zijn films bespeur je die twijfel. Theo de publieke persoonlijkheid, daarentegen, was door niets te raken. Gepantserd door roem en intelligentie, met de aanval als favoriete verdediging kon hij iedereen de baas. Voeg daarbij de onvoorwaardelijke trouw van met grote gulheid binnengehaalde vrienden, een ijzeren geheugen voor feiten en gebeurtenissen, een hoge verbale en sociale intelligentie, en tot slot de ijzeren wil en enorme energie om al die ballen in de lucht te houden, en dat twintig uur per dag. Alweer, ik heb er niet voor doorgeleerd, maar op deze manier begin ik eindelijk iets van te snappen. Sinds ik Theo ken heb ik hem, meer dan wat dan ook, willen begrijpen, en daarmee ook van mijzelf. Theo was, in al zijn macht en onmacht, een indrukwekkende en charismatische verschijning. Hij was in alles extremer dan anderen en dag in dag uit bezig hoofdstukken aan zijn saga toe te voegen. Voor helden gelden andere normen dan voor de rest. Ze komen weg met dingen waarvoor anderen aan de schandpaal gaan. Theo had het geschopt tot centrum van zijn eigen universum, Veilig en ongenaakbaar, gehuld in een stralend pantser, dat hij miljoenen malen trots toonde aan het grote publiek. Tegelijk was hij een knuffelbeer. Zo zag men hem altijd óók. Zelfs ( of juist?) het grote publiek, de meer simpele zielen voelden dat in Theo een kind huisde, gekwetst, twijfelend aan zichzelf en de anderen. Een kind dat al teveel had verwerkt, om ooit nog kritiek aan te kunnen. Een kind dat woest weigerde te veranderen, tot de oude schulden waren ingelost en de wonden waren geheeld. Alleen iemand met buitengewoon veel wilskracht en energie houdt zo’n leven vol. Theo had daarbij het geluk -of juist de pech- dat zijn manier van doen en denken hem publiek succes bracht, roem, geld eer en contacten met vele andere publieke figuren. Hij kon en wilde niets anders dan voortgaan op hetzelfde pad. Een wandelend afweersysteem, altijd uit op confrontatie. Bijna altijd kwam hij daaruit te voorschijn al winnaar, in ieder geval bleef hij ongeschonden en kon voortgaan te leven zoals hij dat verkoos. Als Theo’s diepste verlangen was om onkwetsbaar te zijn, pijnvrij en veilig -wat ik denk- dan is dat hem nooit gelukt. Telkens weer moest hij op zoek naar een nieuwe bevestiging van zijn kracht en onoverwinnelijkheid. Zijn vijanden koos hij, over de langere termijn gezien, steeds een maatje groter. Hij slaagde er in, in ieder geval in zijn eigen ogen, Hugo Brandt Corstius op papier te verslaan en tot zwijgen te brengen. Hij tartte Leon de Winter en andere in zijn ogen hypocriete uitbaters van de holocaust, en schoffeerde daarmee compleet politiek-correct Nederland. Aan de hand van Fortuyn ging hij de linkse kerk te lijf. Aan wat het eind van zijn leven zou zijn, zocht hij jennend en provocerend ruzie met de Islamieten, volgens hemzelf nu juist het meest bedreigende gevaar voor onze samenleving. Hoe hij dacht fanatieke gelovigen in een debat te kunnen verslaan is mij niet duidelijk. Dat kan per definitie niet. Het doel was ze uit hun tent te lokken, en te verleiden tot nog radicaler gedrag. De fundamentalisten moesten hun ware gezicht gaan tonen. In die zin waren bedreigingen een welkom onderdeel van de bewijsvoering. Toch blijft er dan iets heel merkwaardigs: fundamentalisten kunnen, en niet alleen volgens Theo, levensgevaarlijk zijn. Maar bedreigd of niet, Theo weigerde zich te verstoppen. Ook niet een beetje, door een taxi te nemen in plaats van de fiets. Het leek wel of hij letterlijk over zijn lijk bereid was desnoods zijn ultieme gelijk te halen. Zelfmoordenaars willen niet dood, ze willen een ander leven, zeggen ze wel eens. Theo had, los van alle vrolijke franje, een droevig bestaan op de momenten dat hij op zichzelf werd teruggeworpen. Die situatie meed hij, maar zoiets lukt niet altijd: de depressie, het onverwerkte verdriet, was een terugkerend fenomeen, onwrikbaar met het Theo verbonden. Hij moet hebben geweten dat de pijn van het zijn hem levenslang zou achtervolgen. Geen prettige gedachte. In Theo’s eeuwig zoeken naar de confrontatie was hij wellicht óók op zoek naar een definitieve nederlaag. Op weg naar de laatste muur, waar het eeuwig boze jongetje zich op te pletter zou lopen. Daarna de rust. Dat zou, technisch gesproken, een halve zelfmoord zijn en de poort naar een nieuw leven openen. Zoals Theo dat leven al hád in de vredige, veilige maar veel onderhoud vergende binnenwereld, met zoon, vrienden en veel troostende vrouwen. Het is anders gelopen: de complete Theo van Gogh, de zachte zowel als de woedende, werd vermoord door een even woedende Marokkaanse jongen. Het ultieme gelijk van de wrekende zoeker naar gerechtigheid, maar een trieste nederlaag voor het zachtaardige, gevoelige kind. Maar blijft, in dit verhaal, nu Theo de Interviewer? Ja, die was er ook en hij was fenomenaal goed. Ik denk dat ik weet waarom: van Gogh wilde het ècht weten. Hij snapte niet volledig hoe andere mensen in elkaar zaten. Kenden die dan wèl veiligheid, liefde en geluk? Hoezo? Theo  demonteerde zijn gasten in zekere zin, op zoek naar in hemzelf ontbrekende onderdelen. Hij interviewde natuurlijk ook mensen die juist wel op hemzelf leken. Pratend met hen zocht hij de herkenning en, via een omweg, het inzicht in zichzelf.  Totaal open, en zonder een spoor van angst, gaf hij zijn nieuwsgierigheid de ruimte. In zekere zin was Theo er niet bij als hij iemand interviewde: zijn innerlijke stemmen zwegen en kregen les van een derde Theo, een fabuleus brein, zijn meest eigen ik, dat wel los was gekomen van het betreurde verleden. Zijn interviews beschouw ik als zijn meest waardevolle en tijdloze nalatenschap.  

 

Justus van Oel, augustus/sept ’05          

 

 

printversie