![]() |
||
![]() |
overig werk
Mijn jaren met Van Gogh |
![]() |
![]() |
augustus 2005
Mijn jaren met
Van Gogh "Alcohol is voor de
heiden, Allah legt zijn schaapjes droog, Allah kan goed autorijden, Allah krijgt
hem steeds omhoog. Allah zal dit land genezen, Allah wordt door niets gestuit,
Allah is een opperwezen, Allah deelt de lakens uit." Op dinsdag 26 juli
2005 kreeg Mohammed B. levenslang voor de moord op Theo van Gogh. Mijn eerste
prettige gesprek met Theo van Gogh vond plaats in 1987, naar aanleiding van de
bovenstaande liedtekst, deel van het cabaretprogramma 'Het Nut van de
Neushoorn'. Theo had ook een afkeer van Islamieten, zei hij, en het dat soort
dingen moest gewoon kunnen worden gezegd. Fijn dat het eens gebeurde. Heel fijn.
Dit was cabaret waar hij wat mee kon. "Allah weet meer van karate dan die
lieve God van ons, Allah heeft meer heilsoldaten. Allah heeft meer
pompstations". Theo was, wat ons betreft, toen al niet zomaar iemand. Hij
had het kleine meesterwerk 'Een dagje naar het strand' verfilmd en liet
regelmatig op controversiële wijze van zich horen, onder andere via columns in
Propria Cures, het blad waar Zak en As-collega Erik van Muiswinkel twee jaar
redacteur van was geweest. De lof van Van Gogh viel bij ons beiden in goede
aarde. Het enthousiasme van een non-conformistische filmmaker voor ons werk was
ons meer waard dan lof vanuit de cabaret-scene, die wij eerlijk gezegd als laf,
politiek-correct dan wel en kleinburgerlijk beschouwden. Kortom, wat ons betreft
zei Theo precies de juiste dingen, op het juiste moment. Daar is hij altijd goed
in geweest. Theo wist hoe vrienden te maken en mensen voor zich te winnen en
voelde altijd haarfijn aan wat er speelde. Aangezien hij ook niet te beroerd was
om vijanden te maken, was zijn benoeming van ons tot vrienden dan wel
bondgenoten niet zomaar iets. Wij voelden ons erkend, zoniet vereerd. "Allah
heiligt de traditie, geen tampon en geen condoom. Botte bijl voor de justitie,
zo houdt Hij het tuig in toom.." Het begin van mijn contact met Theo men
het definitieve einde daarvan door zijn dood, worden door dit ‘Allah-lied’ van
Zak en As op een curieuze manier met elkaar verbonden. Ik bezit noch bezat het
vermogen de toekomst te voorspellen, maar toeval is het niet. De harde
interpretatie van de Islam, door Islamieten in 1987, verschilde niet met die van
nu. Ook Theo was toen precies
dezelfde die hij later zou zijn. Waarom hij toen niet al frontaal in de aanval
ging, is begrijpelijk. Het ontbrak nog aan achterban. Er waren geen Ayaan Hirsi
Ali's die provocerend en dapper de rechten van moslim-vrouwen bepleitten. De
Islam belachelijk maken kon je toen maar beter doen binnen de veilige,
dubbelzinnige context van het cabaret, voor een publiek van minstens 99%
autochtone blanken, door ironie beschermd tegen de politiek-correcten. Maar wij
deden het, dat wel. Theo kon dat hogelijk waarderen. "Allah eist dat mannen trouwen, met
een onbespoten bruid. Treft u een van Allah's vrouwen, pak haar dan vooral niet
uit." Over de
maagdelijkheidscultus en trouwen binnen de groep. In 'Submission', naar het
script van Hirsi Ali, pakte Theo jaren later letterlijk een moslima uit.
Multi-culturele relaties en de moeizaamheid, zo niet onmogelijkheid daarvan,
behandelde Van Gogh in de tv-serie 'Najib en Julia'. Het scenario daarvan was
geschreven door mij. Maar het had een heel andere toon dan dat ‘Allah-lied’ :
zachtmoedig en luchtig speelde ik met de wederzijdse vooroordelen, zo verwoordde
de officier van Justitie het in zijn requisitoir tegen Mohammed B. In mij was
iets veranderd. Theo was dezelfde gebleven, ‘Najib en Julia’ of niet. In ons
eerste gesprek ergens in 2000 over wat later die serie zou worden, noemde Van
Gogh het 'Allahlied' als zijn aanleiding om juist bij mij langs te komen. Ik had
iets tegen Marokkanen, althans genoeg, het werk kon eindelijk worden afgemaakt:
de tijd was rijp om het grote misverstand achter de integratie genadeloos bloot
te leggen. Van Gogh had al die jaren in een kaarsrechte lijn gelopen. Het bleek
niet eenvoudig hem ervan te doordringen dat mijn wereldbeeld inmiddels was
veranderd.. Theo daarentegen was, zo leek het, al die tijd op zoek gebleven naar
de definitieve, wellicht fatale maar zeker heldhaftige confrontatie met de Grote
Vijand. Hij had een lijstje afgewerkt en was nu toe aan de verblinde, niet te
hanteren Islamiet. Al in 1987 had hij die in het vizier, pas rond 2000 begon hij
er serieus werk van te maken. Een kwestie van timing: als je wilt dat wat je
zegt maximaal aankomt, moet je niet alleen de juiste dingen zeggen, maar ook
tegen de juiste mensen, en op het juiste moment. Daar had Theo zowel het geduld
als het talent voor. De geesten waren rijp. De linkse kerk was in het defensief
gedrongen. Geen ironie meer, harde woorden: "Allah houdt van tolerantie,dat
wil zeggen: die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in Allahs
vleesfondue. Allah houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van ons.
Maar wie Allah's wet bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons". Het laat mij niet los: één van de
markante punten op de lange mars van Theo naar zijn uiteindelijk moordenaar
Mohammed B., was zijn grote enthousiasme over dit cabaretlied. Een tubaïst van
bijna twee meter lang gehuld in burqa speelt een snerpende tegenmelodie bij de
orkestband. De zanger, ikzelf, spuugt de tekst met een boos, gespannen gezicht
richting publiek. Theo van Gogh zit in de zaal en 'Zak en As' heeft er een fan
bij. Het is 1988. Een jaar later zetten Jan Kuitenbrouwer en Justus van Oel zich
aan het schrijven van een zwarte komedie, te regisseren door Theo Van Gogh. De
werktitel is 'Averij 13', naar een fictieve straatnaam in een treurige
nieuwbouwwijk. Een handjevol keren kwamen wij gedrieën samen voor een brainstorm
in het huis van Jan, toen al de man van 'Turbotaal', een record-verkopend boekje
waarin de trendy taal van de zich als modern beschouwende mens op vriendelijke
wijze werden bespot. Jan Kuitenbrouwer was en is een zeer beschaafd men. Ooit
maakte ik samen met hem een fietstocht en kwam uitgehongerd aan bij zijn moeder,
ergens in de buurt van Utrecht. Ik kreeg één koekje en nam zelf een tweede, zo'n
honger had ik. Jan is daar lang boos over geweest: hij kon zich niet voorstellen
dat iemand zoiets deed. Dat juist deze man zich in het kader van een te
schrijven zwarte komedie verbond met Van Gogh, vergeleken bij hemzelf een Atilla
de Hun, is achteraf verbazend. Toch deed hij het. Theo maakte wel eens een
stekelig grapje over Jan's preoccupaties met hoe het allemaal hoorde, maar leek
zich toch wonderwel op zijn gemak te voelen. Hij wilde daar graag zijn en liet
dat blijken ook. Dit was voor hem, op dat moment, de juiste plek. Theo strooide
gretig met complimenten, over de hilarische zwartheid van 'Zak en As' en over de
mensenkennis en schrijfkunst van Jan. In zijn ogen waren wij beroemd. Zeker was
Jan dat, alom kwam hij in de publiciteit vanwege ‘Turbotaal’. Dat maakte Theo's aanwezigheid ook commerciëel
verklaarbaar: hij rook de roem en de verkoopbaarheid van zijn gezelschap.
Dienstbaar en vriendelijk schoof Theo aan in het licht dat in zijn ogen van de
twee anderen afstraalde. Behalve dat alles was er tussen Jan en Theo ook een
vanzelfsprekende chemie: die van twee goed opgevoede jongetjes. Ikzelf weet en
begrijp weinig van de omgangsvormen van de hogere middenklasse. Jan was er van
doordrenkt, Theo kon er ieder moment op teruggrijpen. In het openbaar koos Theo
graag voor de rol van nietsontziende sloper van meningen en mensen, privé was
hij een nette, beleefde, hoffelijke man. Tot een bepaald alcohol-percentage dan,
en niet in alle omstandigheden. De omslag in de samenwerking tussen Jan, Theo en
mij liet niet lang op zich wachten. In mijn herinnering begon de verwijdering
met een opmerking van Hetty, echtgenote van Jan. Theo had meer dan eens over
tafel getoeterd dat Jan Kuitenbrouwer eigenlijk een angstige kleinburger was,
die met zijn talent eens wat beters moest gaan doen dan boekjes vol
woordspelingen produceren. Hij, Theo, zou hem daar graag bij helpen, en zag zich
in deze als opvoeder en wegbereider naar het grote avontuur. Een aanbod dat Jan
toch onmogelijk kon afslaan, zeker als het van Theo kwam. Zo hoog had hij
zichzelf toch wel zitten, en bleef
gestadig poeren in de persoonlijkheid van Jan, op zoek naar de enige echte
Kuitenbrouwer, ooit genadeloos ingemetseld door bekrompen opvoeders. Jan meed
angstvallig het conflict waar Theo onmiskenbaar op aanstuurde. Zijn verdediging,
voor zover hij die voerde, was aarzelend en halfslachtig. Theo werd door dat
zwaktebod aangemoedigd en zette steeds vaker het mes in de ziel van Jan, die
niet echt wist wat hij daar mee aanmoest. Het was Hetty, Jan's vrouw, die daar
op een avond opeens genoeg van had. Koeltjes analyseerde zij Theo Van Gogh en
karaktiseerde hem als een net Wassenaars jongetje dat wanhopig probeerde stout
te zijn. Voor eeuwig gestrand in de puberteit. Al die vete's die Theo ontketende
hadden volgens Hetty slechts de schijn van een debat, in feite waren ze niets
anders dan een poging over aan papa en mama te bewijzen dat Theo zo lekker stout
was. Dat daarbij soms willekeurige slachtoffers tot in het diepst van hun ziel
werden gekwetst, dat kon stoute Theo lekker niks schelen. Hetty vond dat
stompzinnig en ongevoelig kleutergedrag, zei ze, het werd tijd dat Theo eens
volwassen werd en zijn talenten voor een waardiger doel ging inzetten. Van Gogh
kreeg niet de gelegenheid iets terug te zeggen, Hetty was ongenaakbaar en leek
niet van hem onder de indruk. In het bijzijn van twee vrienden werd de grote Van
Gogh gereduceerd tot een karaktertje uit een Annie M.G. Schmidt-boek. Door een
vrouw, ook dat nog. Hetty had Theo weten te raken op een buitengewoon pijnlijke
plek. Een vete was geboren. Het echtpaar Kuitenbrouwer werd om iets wat in een
huiskamer was gebeurd honderdduizendvoudig beledigd in een reeks woedende
columns, gericht op maximale beschadiging. Zo zou echtgenoot Jan avances hebben
gemaakt naar ene Lisa, een vrouw uit de stal van Theo. Lisa had daar niets van
moeten hebben: Jan de gefrustreerde burgerman greep met haar ver boven zijn
macht. Op zich wel weer begrijpelijk, zijn Hetty was een dom en lelijk dik
paard. Een man wil ook weleens iets menselijks in zijn bed hebben. Aldus de
globale strekking van Theo’s media-offensief. Of het allemaal waar was of niet,
van landelijk belang was deze affaire op geen enkele manier, wat des te
duidelijker maakte hoezeer Van Gogh geraakt werd door Hetty's constatering dat
Theo maar zelden zichzelf was. Zijn permanente guerilla tegen alles en iedereen
was, in de grond, onecht gedrag. Gespeeld. Achterhaald. Ook Theo was maar een
hele gewone, nette man. Die opmerking, die bij Theo binnenkwam als een
mortiergranaat, was het definitieve einde van iedere samenwerking tussen Jan
Kuitenbrouwer en hemzelf. Het project 'Averij 13' leed schipbreuk al voor de
kiel was gelegd. Sindsdien sprak ik Theo minder vaak, wel nog met enige
regelmaat. Opvallend vaak informeerde Theo hoe het met Jan ging, een vraag die
standaard zat ingeklemd tussen boze verwijten over Jan's verraad en de
stompzinnigheid van diens echtgenote. Maar de verbinding bleef op een af andere
manier bestaan: Van Gogh was aan zijn vijanden in even grote mate gehecht als
aan zijn vrienden. Wie geen vriend meer was vertrok niet uit Theo's leven, maar
werd daaraan vastgeklonken als genadeloos tegenstrever. Vergeten zou hij jou
nooit, noch jij hem. Een opmerkelijke karaktertrek, die ik - achteraf- voor het
eerst waarnam na de aanvaring tussen Jan, Hetty en Theo. Het leven ging voort.
Theo vocht met filmbonzen en financiers om films te kunnen blijven maken. 'Zak
en As' werd door mijn toedoen opgeheven. Erik van Muiswinkel en Diederik Van
Vleuten gingen bekwaam voort op het pad van het amusement, ik besloot
dramaschrijver te worden. Na het cabaret was het tijd om kunstenaar te worden.
Een echte. Pas dan werd je serieus genomen, en ik had daarbij een voorbeeld voor
ogen: Theo van Gogh toonde aan dat je, zonder je permanent met het hogere en
schone bezig te houden, best ver kon komen in de wereld van de grote kunst.
Zwarte humor, cynisme en ontregelende genre-overschrijdingen verdienden ook hun
plaats. Wel was er in Nederland een complot dat juist mensen als Theo en mijzelf
dwarsboomde. De boven ons gestelden en veel van onze collega's waren halfzachte,
politiek correcte, ons-kent-ons-types. Die nette mensen zochten elkaar allemaal
op en dáár ging alle subsidie naar toe. Wassenaar regeerde in de wereld der
kunsten. Theo ventileerde die overtuiging voortdurend en werd inderdaad bij het
vragen opvallend vaak overgeslagen. Aan de andere kant: hij zette met ijzeren
wilskracht door. Theo's ploeteren was mij tot voorbeeld. Dat gaf niet de
doorslag, helpen deed het wel: in 1993 stond in de Kleine Komedie 'De Pijnbank'
op de planken, geschreven en gespeeld door mij, samen met Maarten Wansink.
Tijdens de repetitieperiode hadden we het stuk aan Theo voorgespeeld in de door
Maarten geregelde balletzaal van de Stadsschouwburg. Een regisseur hadden we
niet, op aandrang van Maarten moest die er toch maar komen. Onze gezamelijke
kandidaat was Theo Van Gogh, ook gezien zijn gestadig gestegen roem een welkome
trekker op ons affiche. Theo zag het stuk, verklaarde de regie te willen doen,
gaf drie aanwijzingen, constateerde dat goed was, en vertrok. Krachtig, zeer
kort, maar voor ons voldoende om op het affiche te vermelden 'Regie: Theo van
Gogh'. De tournee liep aardig, met ondermeer een bijna uitverkochte week in de
Kleine Komedie. Kunst was het nog niet, zo bleek uit de recensies, wel een
alleraardigste zwarte komedie. Theo's waardering was na het zien van het
eindresultaat alleen maar toegenomen. Dit stuk ging hij verfilmen, zo kondigde
hij aan. In onze soepele relatie, vriendschap zou een te groot woord zijn, was
intussen iets veranderd. Ik was gekrompen, in ieder geval in mijn eigen ogen.
Van Gogh was groter geworden, en straalde dat ook uit. Zijn plan voor de
verfilming van ‘De Pijnbank’ was een uitnodiging om bij hem in het licht te
komen staan, toe te treden tot zijn kring, lid te worden van zijn clan. Anders
dan ten tijde van het ‘Allah-lied’ en ‘Averij 13’ waren wij geen gelijken meer.
Theo bestierde de club, men trad toe op zijn voorwaarden en gedroeg zich zoals
Theo dat verwachtte. Zo letterlijk werd het niet geëist, maar het was door alle
bomhommie heen voelbaar. Er werd door Theo onvoorwaardelijk trouw verwacht, in
feite ook gekocht: aangekondigd door een simpel telefoontje stond er opeens een
forse som voor de filmrechten op mijn rekening. Als een gulle papa ontfermde
Theo zich over mijn werk. Een droom. Maarten Wansink, in de race voor de
hoofdrol van de te verfilmen 'De Pijnbank', en ik gingen op huisbezoek bij Youp
van 't Hek, op zoek naar financiering. We dachten de maestro te kunnen paaien
met een bijrol,maar dat hoefde niet: Youp prefereerde te betalen zonder verdere
gunsten of verplichtingen. Een hoopvol begin. Omdat helaas verder alleen Johan
de Vroedt, headhunter te Amstelveen, een aandeel wilde kopen strandde het
filmproject snel bij gebrek aan budget. In de grote kunst wilde het in de jaren
daarna niet vlotten, wat mij betreft. Theo was nog steeds bereid om mij
desgevraagd moed in te spreken, en heus, met de verfilming van 'De Pijnbank' zou
het goed gaan komen. Kwestie van geduld. Theo kwam, weer later, nog eens bij me
langs in verband met een ander plan: een zwarte komedie over liefde in tijden
van voortwoekerende AIDS. Het kwam tot een geschreven eerste opzet, die alom op
onbegrip stuitte. Theo weigerde te geloven dat het plan niet deugde en gaf pas
op toen het idee door werkelijk iedere aannemelijk partner morsdood was
verklaard. Het idee was misschien inderdaad niet goed, zo opperde ik. Het
schrijven van een goed filmscenario was, wellicht, toch moeilijker dan ik zelf
eerst dacht. Daar moest je bij Theo niet mee aankomen: hij vond het een
bespottelijke gedachte dat ik aan mijzelf was gaan twijfelen. Dat was precies
waar De Vijand c.q. Het Systeem op uit waren. Bovendien was het onbeleefd om
impliciet ook vraagtekens te zetten bij het beoordelingsvermogen van Theo zèlf.
Als hij zei dat het goed was, dan
was dat zo. Wie daarmee niet kon leven, deed er beter aan te vertrekken. Dat was
mijn eerste kennismaking met nog een opmerkelijke karaktertrek van Theo: het
wegwuiven, onschadelijk maken en vóór willen zijn van iedere vorm van kritiek.
Aanmerkingen vanuit de buitenwereld waren nooit te voorkomen, dat wist hij. Die
moest je dus zo aggressief mogelijk te counteren, er zat niets anders op.
Ontmoedig ze, toon nooit je zwakke kanten. Maar er was ook een binnenwereld waar
het voor Theo veilig was. Binnen die club van Theo-gezinden werkte een
mechanisme dat harde confrontaties vrijwel uitsloot. Zeker Theo werd ontzien.
Dat regelde zich als vanzelf. Ten eerste, de leden kwamen dankbaar binnen: hun
talent en werk waren voor Theo boven iedere kritiek verheven, dáárom waren zij
uitverkoren. De clanleider voegde bovendien als het even kon de daad bij het
woord: hij verdedigde gemeenschappelijk plannen tot zijn laatste snik, gaf gul
geld uit ten bate van gemeenschappelijk projecten of genoegens, en zorgde immer
voor reuring in de tent. Als je dan merkt dat iemand, die jou zo oprecht
bewondert, zèlf buitengewoon gepijnigd of zelfs aggressief reageert op kritiek,
wordt je daar vanzelf zuinig mee. Bovendien, wie gebrandmerkt was als verrader
kon rekenen op soms jarenlange vervolging. Je was vóór Theo, of tegen hem, er
was geen midden met ruimte voor twijfel of kritiek. Aanvankelijk meende ik dat
het in praktijk allemaal best mee zou vallen, mits je met Theo voorzichtig en
tactvol te werk ging. In praktijk bleek ik, als het ging over Theo's doen en
laten, niet erg bedreven in het treffen van de enige juiste snaar. “Waarom
vonden de mensen dit niet grappig?” “Waarom komen ze niet naar die film?”
“Waarom zeggen ze 'nee' tegen dit plan?” Het waren vragen die Theo mij door de
jaren heen geregeld stelde. Hij wilde niet echt een antwoord, althans niet het
antwoord dat ik hem steeds vaker wilde geven. Al doende en lerende aan de
schrijftafel begon ik steeds meer de gebreken te zien die het film-oeuvre van
Van Gogh aankleefden. Zoals onhandig op filmpersonages geplakte Van
Gogh-grappen, het dwangmatig mijden van emotie, dit in een dikwijls wat
gekunstelde poging zo snel mogelijk bij het grote zwarte gat te geraken: liefde
bestaat niet, iedereen liegt, niemand is veilig. Dat universum was mij ook
persoonlijk bekend. Het cabaretgezelschap dat ik ooit had opgericht heette 'Zak
en As', een komisch bedoelde verwijzing naar de klassieke bijbelse uitingen van
rouw. Het was grappig en om te lachen, ook dat, maar altijd was het laatste
onderwerp de dood. En niemand was betrouwbaar en de liefde was een leugen. Theo
had tussen zijn eigen werk en het mijne meer raakpunten ontdekt dan alleen het
'Allah-lied', dat staat vast. Het was wederzijdse herkenning. Ik ervoer, denk
ik, die als belangrijker, dramatischer dan Theo zelf. Mijn groeiende neiging tot
klagen, twijfelen en treuren ergerde hem, dat wist ik, juist omdat hij op zijn
beurt in mij niets anders wilde zien dan een totaal gelijkgestemde. Hij bood
zich aan als opvoerder, gids op het pad naar roem en avontuur. Ook in mij zat
een Theo, als ik mij daar aan overgaf kwam veel, zo niet alles goed. Maar een
Theo kon en wilde ik niet zijn. Terwijl ik op zoek ging naar een andere manier
van denken en leven, die ik wel kon volhouden, bleven voor Theo de kernpunten
onwrikbaar: liefde bestaat niet, iedereen liegt, niemand is veilig. Welke film
hij ook maakte, die mededeling zat in iedere scene. Nieuwe scenes voegden steeds
minder toe. De spanning daalde gestaag. De ene keer lukte het beter dan de
andere keer om de toeschouwers tot het einde toe aan boord te houden, maar
iedere film van Theo die ik zag had te kampen met datzelfde euvel. Dat was niet
alleen een eigen stijl, een bewuste keus, concludeerde ik, maar ook een
systematisch onvermogen. De film ontwikkelde zich niet, het begin was het einde,
het was stilstaan bij steeds hetzelfde grote verdriet. Wat ik begon in te zien,
zo halverwege de jaren negentig, was dat Theo met elke film in die zin een
zelfportret maakte. Maar niet van zijn complete ik. Waar was in zijn werk de
gulle Theo, de vrolijke Theo, de onbevreesde ondernemer? Waarom mochten wij
alleen de doemprofeet, de zwaar teleurgestelde en beschadigde zien? Dat waren de
vragen die steeds sterker in mij opkwamen. Wel werd ik door iedere Van Gogh-
film wel degelijk emotioneel geraakt, maar altijd op die onbedoelde manier. De
maker was het raadsel, niet zijn werk. Bij premières van Theo zag ik steeds meer
op tegen diens op dringende toon gesteld vraag wat ik er van vond. "Weer klote
zeker?" Ik probeerde mijn standpunt te verwoorden, eerlijk, maar zonder Theo
pijn te doen. Dat lukte nooit helemaal. Toch wilde Theo het weten. Altijd. Eén
keer liep ik zo snel mogelijk Kriterion uit. Theo onderschepte mij terwijl ik
haastig mijn fietsslot openmaakte. Op zijn laatste door mij bijgewoonde première
verliet ik de bioscoop zonder hem te hebben gesproken, het was er niet van
gekomen. Wel had ik gepraat met anderen. Achteraf bleek dat Theo precies te
weten was gekomen wat ik tegen die anderen had gezegd. Mijn commentaar verscheen
de volgende dag woordelijk op zijn website. Duidelijk was dat Theo aan hechtte
mijn oordeel. Aan dat van velen in zijn omgeving trouwens, niet perse om er iets
mee te doen, maar weten moest hij het. De grote meerderheid van de aanwezigen
koos voor lofprijzingen. Theo werd in het directe contact liefdevol ontzien. Hoe
kon je ook anders? Wie hem voor aanvang van zijn filmpremière zag, voelde
medelijden. Dit was niet geworden
wat hij eigenlijk wilde, het had hem niet gebracht wat hij zocht: aan alle
kanten straalde hij dat uit. Geen gewone première-zenuwen, je voelde het in je
eigen buik. Ik wel, althans. Toch moest en zou ik Theo eerlijk vertellen wat ik
ervan vond. De kern van mijn reactie was altijd hetzelfde: dat er in hetzelfde
idee meer had gezeten, als hij het eens anders ging aanpakken, en niet meer van
zichzelf dat boze, stoute jongetje uit Wassenaar moest zijn. Zonder mij dat toen
zo bewust te zijn recenseerde ik de persoon Van Gogh zelf. Dat hij dingen
afkneep bij voorbaat, verborgen hield of alsnog, nadat ze hem per ongeluk waren
ontglipt, de grond instampte, of onschuldig maakte met een ontregelend mopje.
Bij nabesprekingen van Theo's films was ik een van de vaste dissidenten tussen
de tactische vreugdekoren. Wat, op paradoxale wijze, toch weer tot waardering
van de zijde van Van Gogh leidde. Wel was mijn mond groter dan mijn status, liet
Theo mij fijntjes blijken, mijn pogingen hem te beïnvloeden vond hij vooral
komisch. Ik zou er, volgens Theo, beter aan doen hem respectvol te volgen op
zijn pad en een volledig lidmaatschap van de clan behoorde nog altijd tot de
mogelijkheden. Dat Theo daar oprecht in was bleek in 1997: de verfilming van 'De
Pijnbank' kwam na vier jaar alsnog van de grond. Dankzij een extra hypotheek
genomen door Theo, geld afkomstig van Paul de Leeuw, en de toegezegde
medewerking van Jack Wouterse. Mijn oorspronkelijke toneelrol zou gespeeld
worden door De Leeuw, en daarvan zag ik de redelijkheid in. Maarten Wansink
daarentegen moest in de verfilming gaan wijken voor Jack Wouterse en zou het
daar erg moeilijk mee krijgen, zo vermoedden Theo en ik. Zelf kon Van Gogh het
eenvoudig niet over zijn hart verkrijgen Maarten het nieuws te melden. Nu was
hij zelf een verrader en voelde dat ook zo. Het deed hem werkelijk pijn.
Uiteindelijk was ik het die de naargeestige taak op me nam Maarten te
informeren. Maarten heeft daarna jaren niet meer met mij willen spreken, en was
zelfs eerder weer on speaking terms met Theo dan met mij, terwijl het besluit
toch echt door Van Gogh was genomen. Na het nemen van deze hobbel zette ik mij
aan het schrijven van een meer beeldende versie van 'De Pijnbank'. Van Gogh had daar weinig
behoefte aan, hij wilde het stuk precies zo verfilmen als hij het in de Kleine
Komedie had gezien. Het probleem was dat zoiets volgens mij niet ging werken.
Ook gezien de reactie van bijvoorbeeld Maria Goos op een vroeg script, dat als
gevraagd zeer dicht tegen de theaterversie aanzat. Maria zag er helemaal niets
in en kon noch wilde ons op enigerlei manier van dienst zijn bij eventuele
verbeteringen. Er was niet het begin van begrip. Ik produceerde, met de eerste
draaidag in aantocht, nog een andere versie waarin veel minder tekst zat. Theo
zag er helemaal niets in en kreeg uiteindelijk wat hij wilde: een licht
aangepaste theaterversie, precies waar hem om begonnen was. Toen het stuk op de
planken stond werd er regelmatig hard gelachen. Theo verheugde zich dan ook op
flinke hilariteit in de bioscoopzalen. In Rotterdam was een leegstaand
bankgebouw omgetoverd in een filiaal van 'Lammertink & Van Huët'. Ik was te
gast op één van de opnamedagen. Al na het zien van een halve scene, via de
monitor, wist ik dat in de bioscoop
niemand zou gaan lachen. De karakters verdronken bij voorbaat in een poel van
domheid en slechtheid. Theo had op een of andere manier alles totaal letterlijk
genomen: voor ironie, luchtigheid, zelfs voor af en toe een stemmingswisseling
was geen plaats. Iedere spreker meende op ieder moment totaal en volledig wat
hij zei, zich verkneukelend in het verwoestend effect dat zulks op de
tegenstander van dat moment zou hebben. Ik kreeg ter plekke buikpijn: wat ik aan
Theo verkocht was in essentie een komedie, precies wat Theo volgens mij ook
wilde dat het was. Zwart, gemeend, maar wel degelijk om te lachen. Hoe prachtig
zou het zijn dat alles nog eens te herbeleven, in een rijk decor en diepere
context geschapen door een kundig filmer. Helaas, het stuk zou eerder gaan
krimpen dan gaan groeien, drong al snel tot mij door. Er was geen speelruimte
voor de personages. De hoofdrollen werden, zo leek het, gespeeld door drie licht
aangepaste versies van Theo van Gogh zèlf. Als eerste was daar het slachtoffer
van de bank, woest agerend tegen het grootkapitaal, zichzelf afschilderend als
Christus kreperend aan het kruis. Het slachtoffer deed niet aan plagen had geen
zelfinzicht, geen humor, hij was bezig zijn pijn van zich af te slaan, meer
niet. Zijn beulen waren de bankman en diens chef. Bankman was een koude,
geniepige sadist, die welbewust zijn ondergeschikte blootstelde aan de
krankzinnige woede van de geslachtofferde klant. Waarop ook tussen die twee zich
een spel van wraak en weerwraak ging afspelen. Van een langzaam uit de hand
lopend mannen-spelletje, was 'De Pijnbank' getransformeerd in een totale oorlog
vanaf het eerste moment. Nog nooit heb ik iemand een komedie zo uitzinnig
serieus zien nemen als Theo van Gogh met 'De Pijnbank'. Humor, zo zeggen veel
psychiaters, is als een schild waarmee een mens zichzelf beschermt tegen de
onverdunde pijn die bepaalde nare situaties veroorzaken, of opnieuw oproepen.
Het spel van tegen beter weten in ontkennen van de (in dit geval) droeve
waarheid, dat is waar humor ontstaat. Theo wilde alleen de pijn. Hij had daarmee
vakbekwaam de harde kern geïsoleerd, dat zeker. Maar verder kwam hij niet. De
toch al niet erg genuanceerde personages werden zo plat als een dubbeltje en
stonden uitsluitend nog voor één, in vele variaties herhaald mededeling: er is
niets dan slechtheid. Iedere scene bevatte de hele film, steeds monotoner werd
gehamerd op dezelfde mededeling: iedereen liegt, mededogen bestaat niet. Los
daarvan had mijn script serieuze beperkingen en onhandigheden aan zich kleven.
Hulp van een expert was bij het schrijven zeker handig geweest, maar dat was,
als gezegd, het laatste wat Theo wilde. Een mens mocht nooit zijn
oorspronkelijkheid laten bederven door oppervlakkige Hollywood-adepten of
politiek correcte Hollandse kunstkutten. Het lukte mij op de set niet mijn mond
te houden, en ik verliet de bank in Rotterdam in de wetenschap dat ik alweer -
in Theo's ogen- verschrikkelijke dingen had gezegd, dat ik hem bovendien niet
had kunnen behoeden voor alweer een flop, en daarmee in feite zelf ook beroerd
werk had geleverd. Dit als onvermijdelijk gevolg van mijn dankbaarheid, lafheid
en zelfoverschatting. En de première moest nog komen. Een paar weken na de
opnames mocht ik naar de eerste ruw gemonteerde versie kijken. Theo was er niet
bij, samen met de editor bekeek ik de eerste tien minuten. Die waren wat warrig
en stuurloos, mijn eigen schuld, maar opeens zat je dan toch middenin het
verhaal. 'Hier begint de film', riep ik op een bepaald moment uit, zonder
nadenken, in een enthousiaste impuls. Dit kon nog best iets gaan worden. Tot
mijn verbijstering - ik was geen vlotte leerling in sommige dingen- bleek Theo
nog geen uur later volledig op de hoogte te zijn van ieder woord dat ik in de
montageruimte had gezegd.Het kwam mij te staan op een nachtelijk telefoontje en
een 's ochtend om vier uur persoonlijk in de bus geworpen, handgeschreven
tirade. Naar beste weten had ik het allemaal toch heus goed bedoeld, en trillend
typte ik een briefje van dergelijke strekking. Het werd mij met enige moeite
allemaal vergeven, wel was ik een pathologisch geval, sociaal onmachtig en
gestoord in mijn perceptie van de wereld. Dat was méér waar dan ik toen wilde
geloven, het leven zou mij nog hardere lessen leren, maar wat ‘De Pijnbank’
betreft had Theo zeker iets aan mijn oordeel kunnen hebben. “Dan moet je zelf
maar gaan regisseren”, repliceerde hij standaard op suggesties van dien aard, en
daarmee was wat betreft Theo de kous af. De naderende premièredatum van de film
vervulde mij met spanning. Zou ik mij daar nog mogen vertonen? Theo besloot van
wel, de film begon, en ik wist binnen een half uur zeker dat mijn eerste
inschatting van de publieksreactie volstrekt juist was geweest. Niemand lachte.
Met niet aflatende mokerslagen werd het slechte nieuws over mensheid en wereld
in de toeschouwers geramd. Had ik dit werkelijk geschreven? Begreep ik mijzelf
niet, begreep Theo mij niet, of begreep ik Theo niet? Deze film, althans het
effect ervan op de toeschouwers, was nooit de bedoeling geweest, noch van mij,
noch van Theo. Of toch? Langzaam zakte de grond onder mijn voeten weg. Tegelijk
kreeg ik een onvergetelijke les: film, toneel en cabaret zijn totaal
onvergelijkbare, en niet combineerbare grootheden. Hier waren tonnen opgeofferd
aan een eigenwijs waanidee van, onder andere, een ex-cabaretier met voor nu te
grote ambities in de kunst. Van de nazit na de première herinner ik mij alleen
dat Theo totaal verbaasd was dat er zo weinig was gelachen. Hij had een tamelijk
lichtvoetig verhaal neergezet, vond hij zelf, ook na het zien van de film in een
zaal vol vertrouwelingen, die van alles waarnamen, maar geen lichtvoetige
komedie. Ik heb geen poging meer gewaagd hem uit te leggen dat hij zich wellicht
vergiste. Twee jaar later trof ik, na het zien van een openluchtvoorstelling in
het Amsterdamse Bos, de acteur Roeland Fernhout, in de film de sadistische
bankman. Met lichte weemoed maakte ik hem deelgenoot van mijn gemengde
gevoelens, achteraf, over het script waar zoveel mensen destijds zoveel tijd,
talent en geld in hadden gestoken. Potverdomme. Achteraf had ik graag iets
beters gemaakt, maar ja, dat was mij helaas niet gelukt. Tot mijn verbijstering
- ik bleef een trage leerling- was Theo nog geen twee dagen later volledig op de
hoogte van ieder woord dat ik, aan een tafeltje in het Amsterdamse Bos, met
Roeland Fernhout had gewisseld. Het kwam mij te staan op een nachtelijk
telefoontje en een 's ochtend om vier uur persoonlijk in de bus geworpen,
handgeschreven tirade. Naar beste weten had ik het allemaal goed bedoeld, en
enigszins trillend, maar vooral toch moedeloos typte ik een briefje van
dergelijke strekking. Steeds helderder zag ik het beeld van Theo voor me als
charismatisch maar meedogenloos sekteleider. Door niemand ooit van zijn pad af
te brengen. Al wie dat probeerde, raakte hem op een extreem pijnlijke plek. Maar
wat deed er dan toch zo'n pijn en waarom? In het hier en nu kon ik daarvoor geen
sluitende verklaring meer vinden: roem, geld en lekkere wijven en altijd iets te
doen. Hoezo is de wereld een hel? Wel was Theo de enige man die ik kende die
herhaaldelijk beweerde dat hij zijn moeder had geneukt. En dat het heel fijn
was. Of dat werkelijk was gebeurd, daarover verschilden de meningen in Theo’s
omgeving, maar vrijwel iedereen had er ooit van vernomen. Onze laatste
aanvaring, via een klikkende acteur die dringend zijn Messias meende te moeten
informeren, interpretterde ik als een definitieve breuk. In ieder geval, wij
spraken elkaar nooit meer. Wel sprak ik nog regelmatig óver hem, vaak ook met
mensen die hem goed kenden of bevriend met hem waren. Er waren vreemde dingen
aan de hand met Theo, en daar werd in zijn afwezigheid ontspannen over
gesproken. Was het voor Theo, nog los van de soms vernietigende gevolgen voor de
getroffenen, toch niet beter eens te stoppen met die vendetta's tegen, pakweg,
Monique van der Ven en Edwin de Vries, met inzet van alle middelen, tot
gestorven baby's aan toe? Werd het niet eens tijd om uit te zoeken waarom films
die altijd toch tamelijk positief besproken en fors publiciteit genereerden zo
weinig bezoekers trokken? Waarom sloot Theo zich, openbaar althans, op in een
rancuneus, zwart en wat mij betreft inmiddels steeds voorspelbaarder universum.
Voor iemand met een IQ van boven de 130 en een gevoelige antenne moest toch meer
te halen zijn. Ook erkende Theofielen als Theodor Holman en Maarten Wansink
(terug van weggeweest) gaven mij
daarin voor een groot deel gelijk. Maar ja, op deze manier was het óók leuk,
interessant en vermakelijk. Theo was Theo, en je deed er toch niks aan. Via-via
bereikte mij vervolgens onvermijdelijk wat Theo van mijn indirecte bemeienissen
vond: ik hield er achterbakse tactieken op na om achter zijn rug om zijn bestaan
te ondermijnen. In die zin groef hij toch echt zijn eigen graf: iedereen die hem
kende vermeed rechtstreekse confrontaties. Men gaf elkaar daar ook adviezen in
en oefende onderling slecht-nieuws-gesprekken. Voor zover aanmerkingen waren
toegestaan, dienden die afkomstig te zijn van vrienden met een hoge status in
kunst, wetenschap en maatschappij. Maarten van Rossem bijvoorbeeld mocht over
Theo alles beweren wat hij wilde, niet alleen omdat hij het zo kalm en
niet-provocerend formuleerde: Maarten was minstens even beroemd als Theo. Wie
het met minder moest doen, kon zich ook minder veroorloven. De meerderheid van
de vriendenclan droeg Theo - openlijk althans- daarom op handen, verdedigde hem
-in het openbaar- consequent. Het aangeven van dissidenten binnen of buiten de
vaste vriendenkring hoorde tot de goede gewoontes. Tijdens een radio-interview
op de dag van Theo’s dood, ik zat er als spreker bij, werd over dat alles
openhartig gepraat. Wat ik zag als angstig op mijn tellen passen, was voor veel
anderen helemaal geen probleem geweest. Zijn vrienden zagen dat als een spel dat
nu eenmaal gespeeld moest worden. Max Pam en Theodor Holman vertelden hoe je
Theo van alles en nog wat kon influisteren, over deze of gene, waarop Theo vol
in de aanval ging, zonder zèlf de feiten nog te checken. Lachen. Tijdens
datzelfde interview, als gezegd nog maar een paar uur na Theo's dood, werd
volgens mij ook voor het eerst openbaar gemaakt dat Theo geen scripts kon lezen.
Hij viel op de toon en de personages, de diepere structurele verbanden in het
verhaal kwam hij voor het eerst tegen tijdens het draaien, of pas tijdens het
monteren. Of niet dus, indien een script te weinig werkzame ingrediënten
bevatte. Maarten en Theodor maakten zich, samen met mij, vrolijk over de
vakmatige gebreken die Theo niet alleen had, maar zelfs scheen te
cultiveren. Zoals dat Theo direct
als versie 1 als de definitieve zag, en van geen kritiek meer wilde weten, zelfs
als die kwam van de schrijver zelf. Ik weet zeker dat Maarten, Max en Theodor
zoiets nimmer in het openbaar gezegd of beaamd zouden hebben als Theo nog
geleefd had. Maar dat was nu al een paar uur niet het geval, ironischer en
losser had ik nooit vrienden van hem zo over hem horen praten voor een open
microfoon. In de sfeer van rouw en ontzetting weerklonk een bijna ongepaste
ondertoon: die van opluchting, vrolijkheid zelfs dat het nu eindelijk gezegd kon
worden. Het was het vreemdste radio-interview waar ik ooit in mijn leven aan heb
deelgenomen, toevallig trouwens, omdat ik Maarten gevolgd had naar Theodor, waar
wij ons beiden op dat moment erge zorgen over maakten. Theo had er bij leven de
wind enorm onder, bij iedereen. Sommigen waren hem terwille uit een mengeling
van genegenheid, ontzag en angst, anderen kwamen tot datzelfde gedrag als
consequentie van eigen wat dubbele, ironische levenshouding. Zij vatten het
allemaal veel luchtiger op. Het resultaat was hetzelfde: Theo leerde niet meer.
De film ‘Baby Blue’ was Theo’s duurste ooit, en in dat licht ook de meeste
mislukte. Dat script had ik, ruim voor de verfilming, voor Theo gelezen: hij was toch weer naar mij toegekomen.
Graag had ik Theo over 'Baby Blue' niets dan goeds gemeld, maar het lukte mij
niet om het verhaal te volgen. Tot het eind toe was mij onduidelijk hoe het
precies zat met de baby’s, die een incestueuze vader en dochter als door hen
beiden verwekt nageslacht wensten op te voeren. Niet te volgen, en psychologisch
nogal dunnetjes. Dat was wat ik Theo na een eerste lezing meldde. Hij wilde er
niets van weten. Zó moest ‘Baby Blue’ zijn, en zo ging het worden. Toch raadde
ik hem aan om, met een veranderd script, direct duidelijk te maken wat de
hoofdpersonen wilden en waarom. Geen ‘who-dunnit’ maar een ‘how-they-did-it’.
Theo zuchtte diep, en verliet mijn huis. Na de première van ‘Baby Blue’ sprak ik
met Jan Mulder. Toch even checken. Of Jan de plot had kunnen volgen, vroeg ik.
Of hij snapte waarom precies aan het einde een babygrafje in beeld kwam? Nee, dat snapte Jan Mulder ook niet, maar
dit was nu echt zo’n film die je twee keer moest gaan zien, zo verklaarde hij
met karakteristiek aplomb. Ik sputterde nog even tegen. Films, en met name
thrillers, waren toch echt bedoeld om in één keer begrepen te worden. Was Jan
zelf trouwens ooit voor de tweede keer naar een spannende film gegaan, in de
hoop hem nu wel te kunnen volgen? Jan Mulder vond dat ik niet zo moest zeuren,
hij vond de film prachtig. Einde gesprek. Een dag later stond wat ik tegen Jan
Mulder gezegd had vrijwel letterlijk op Theo’s website ‘De Gezonde Roker’.
Duidelijk werd dat zelfs Jan Mulder, als velen in het gevolg van Van Gogh, niet
te beroerd was om een wit voetje bij de meester te halen. Het aangeven van
verraders werd, als eerder gezegd, binnen Theo’s kring van vertrouwelingen als
een leuke sport gezien: wie weet gebeurde er dan iets spannends. Wat vóór Jan
Mulder pleit was dat hij zelfs strikt privé niet tot kritiek op Theo’s werk over
te halen was; als voor velen stond ook voor hem, vermoed ik, kritiek op Theo's
werk gelijk aan kritiek op Theo zèlf, en dat laatste was niet geoorloofd. Men
diende de gelederen rondom Theo gesloten te houden, dit ook in het belang van
onze maatschappij. Wat de recensies ook meldden, hoe matig het bioscoopbezoek
soms ook was, Theo kwam iedere tegenvaller te boven en ging, aangemoedigd door
zijn trouwe schare volgelinmgen, voort op het ingeslagen pad. Immuun voor pijn
en twijfel. Toch was er meer aan de hand. Wat Theo hardnekkig beelf zoeken was
bevestiging. Ook bij mij. Dus was er, wel degelijk, sprake van onzekerheid. We
zijn aan de Egelantiersgracht. Theo ligt op mijn bed en kijkt samen met mij naar
een video van een door hem geregisseerde TV-komedie voor, ik meen, de TROS.
Naïef en toch weer gevlijd denk ik dat Theo komt om iets van mij op te steken.
Tegelijkertijd weet ik dat Theo mijn aanmerkingen met intelligent verbaal geweld
en waar nodig met een aantal jij-bakken voorgoed uit de wereld wil helpen. Dit
bezoek dient om Theo’s pantser op deugdelijkheid te testen, voor het
scherpstellen van zijn vizier, voor het in paraatheid brengen van zijn
afweersysteem. We bekijken samen de proefaflevering. Het verhaal, voorzover
waarneembaar, speelt in een doktersgezin, de humor bestaat uit het zo hard
mogelijk roepen en uitspelen van mededelingen, bedoeld om de gemiddelde kijker
te shockeren. Leuk werk voor acteurs, een zware dobber voor het TROS-publiek.
Theo vind het dolkomisch, zelf. Hij heeft maar mooi voor elkaar gekregen dat ’s
lands meeste gezapige omroep haar kijkvee een hartverzakking gaat bezorgen. Het
stoute jongetje geniet volop. Het lukte mij niet Theo het verschil te laten
inzien tussen die dubbelzinnige bedoeling en de feitelijke inhoud. Theo
verwachtte niet zozeer een lach om de grappen, maar om hem zèlf: "Die Van Gogh,
die durft toch maar...” Voor hem was zijn werk zijn persoon, en vice versa. Niet
voor de TROS-kijkers, die zouden, volgens mij, naar de inhoud gaan kijken, niet
lachen, en na een minuut definitief wegzappen. Zonder zich iets af te vragen
over Theo van Gogh. Ik weigerde hem enige hoop te gunnen op uitzending,
voorzover ik weet is dat ook nooit gebeurd. Rechtstreekser heb ik Theo nooit
laten weten wat ik van zijn werk vond, maar dit keer durfde ik: het ging hier
over humor, en daarvan wist ik aardig wat. In diezelfde periode had ik, voor het
eerst, zelf een kort videofilmpje gemaakt en dat aan Theo meegegeven. Hij gaf
mij er, nog steeds liggen op het bed, een ronduit vernietigende recensie van.
Had ik zijn TROS-komedie leuk gevonden, dan had hij iets anders gezegd. In
diezelfde periode had ik een bordspel ontworpen, dat Theo, na enige aandrang
mijnerzijds, had aangeschaft voor zijn zoon. Een jaar later opende Theo een
bijeenkomst, over heel iets anders, met een buitengewoon laatdunkend commentaar
op datzelfde bordspel. Niet leuk, inderdaad, en dat wilde hij mij duidelijk
laten voelen. Volgens plan. Wat ik mij nu pas realiseer is dat op die momenten
Theo voor het allereerst kritiek
had op mijn werk: hij hield op mij te sparen. Hij had de hoop laten varen, voorgoed wellicht, op
onvoorwaardelijke solidariteit. Al
die jaren was hij daar toch op blijven rekenen, althans, die indruk krijg je.
Trouw, volhardend, maar vooral gewend altijd zijn zin te krijgen. Maar van
onvoorwaardelijkheid kon geen sprake meer zijn. De botheid van zijn columns was
mij steeds sterker gaan storen. Het inhakken op hypocrieten en leugenaars, die
Theo overal wist op te sporen, diende geen intellectueel of ideologisch doel.
Het was hameren, letterlijk. In stijl, ritme en woordkeus toonden zijn columns
aanwijsbaar obsessieve trekken. Maar het werkte, dat zeker. Met zijn films had
hij daarentegen nog altijd niet vol in de roos geschoten. Dat wist hij. Dus op
dat terrein was voor mij, ondanks alles, wellicht nog een rol weggelegd. Dat
hoopte ik ook. Veel kansen krijgt een scenarioschrijver niet, bovendien, nog
altijd had ik een licht schuldgevoel over ‘De Pijnbank’, gekoppeld aan de
behoefte aan revanche. De man die mij had willen opvoeden, kon zelf ook wel een
lesje gebruiken. Los daarvan verdiende Theo nog steeds mijn respect en
liefdevolle aandacht: hij durfde alles en deed het ook, was niet te ontmoedigen,
en had een grote sensitiviteit in zich, waar hij helaas nog met een grote boog
omheen liep. We hadden nog nooit de héle Theo niet gezien, maar die was er wel.
Ik wilde hem helpen, bij het afwerpen van het pantser, de onthulling van het
kwetsbare kind, door een volwassen geworden Theo Van Gogh. Hij kón het. Maar
Theo luisterde naar niemand, laat staan naar mij. Dat moest ik nu toch eens gaan
inzien. Ga inderdaad dan zelf regisseren. Inderdaad. Laat je niet vlijen door
andermans gulheid, laat roem geen reden bij iemand te blijven, ga je eigen weg
en zwijg over de ander. Die wijsheid had ik niet alleen van mezelf, ook van
Theo, die uiteraard scherp zag wat in mij speelde. Maar goed, einde verhaal,
soms gelachen, veel geleerd, afsluiten dat hoofdstuk. Daar waren we het
inmiddels beiden over eens. Toen belde hij weer, zonder een spoor van wrok. Theo
had een idee waarvan ik, qua script, de ideale uitvoerder zou zijn. Het ging
namelijk over Marokkanen, Islamieten dus, waar ik ooit zo’n fantastisch lied
over gemaakt, door Theo zelfs in een boekje opgenomen: "Allah houdt van
tolerantie,dat wil zeggen: die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in
Allahs vleesfondue. Allah houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van
ons. Maar wie Allah's wet bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons." Theo’s plan was om, in een dertiendelige
serie, de onmogelijkheid van een liefdesrelatie tussen een Marokkaanse jongen en
een Nederlands meisje aan te tonen. Multiculti Romeo en Julia en alle illusies
daarover, dat moest keihard worden aangepakt. Of ik, in ruil voor 14.000 gulle
guldens, binnen een week een plan kon produceren, met twee hele afleveringen en
een ontwerp voor de volgende elf. Nu zijn kansen voor een scenarioschrijver
schaars. Ik had scenario-cursussen gevolgd, en was er klaar voor. Maar niet voor
het genadeloos keihard aanpakken van de multiculturele samenleving. Het verhaal
van mij daarover, ruwweg neergezet in een lange doorwaakte week, was veel
genuanceerder dan het ‘Allah-lied’ van Zak en As. Dat kon Theo niet ontgaan
zijn, maar hij vond het prima zo. Op de set zou het goed gaan komen. Sowieso
wilde hij veel gaan improviseren. De wezenlijke boodschap, een hard ‘nee’ tegen
twee culturen op één kussen, daar zou hij zelf voor zorgen. Dat was zíjn
aandeel. En anders moest ik zelf maar gaan regisseren. Het project ‘Najib en
Julia’ zweefde vervolgens twee jaar ergens in het omroepuniversum, totdat de
AVRO, kien op betaalbaar kwaliteitsdrama, zich aanmeldde als co-producent. Wel
op voorwaarde dat zij eerst geheel akkoord moesten gaan met een door hen betaald
en met hun dramaturgische steun geproduceerd, geheel compleet script. Tot het
laatste woord gecheckt. Er zou niet geïmproviseerd gaan worden, het ontketenen
van een burgeroorlog moest Theo maar op zijn eigen kosten organiseren. Wel was
er uiteraard van beide zijden het volste vertrouwen in elkaars integriteit en
capaciteiten. Een ruim jaar later lag er een dertiendelig script, dat onderweg
helaas weinig subsidie had weten los te maken, maar het ook zou kunnen redden
als het in minimale tijd en met minimale middelen verfilmd zou worden. Theo had
zich, zo leek het, neergelegd bij de mildheid en genuanceerdheid van het script.
Maar één scene weigerde hij pertinent te verfilmen: de allerlaatste, van de laatste aflevering, waar op het
strand van Scheveningen de Marokkaanse moeder haar leed deelt met de Nederlandse
moeder, over hun gestorven kinderen. Onbespreekbaar. Terwijl Theo voor het
overige toch gekregen had wat hij wilde: twee dode geliefden, een familieoorlog
daaromheen, met cultuurverschillen die de zaak definitief onoplosbaar maken.
Nee, een slotbeeld met iets dat op verzoening leek was onbespreekbaar. Theo
kreeg zijn zin. Ook de opening, de vaste leader voor iedere aflevering, was een
getuigenis van de regisseur zèlf: een vrij-scene, met daaronder een wat temerig
gezongen liedtekst die diende om te voorkomen dat kijkers een onderweg een
ongezond geloof in de goede afloop zouden ontwikkelen. Het was allemaal vals en
schijn, zoiets, verwoord met de plompheid van een gebruiksaanwijzing. Van mij
mócht Theo, dat wil zeggen, ik wist dat een totale herziening van verhaal voor
hem teveel werk was, de AVRO waakte, en bovendien waren er mooie rollen, waar
acteurs zich vast en zeker teveel zouden hechten om die tot karikatuur of ironie
te laten maken. Van de AVRO ontving ik gunstige berichten over de eerste
opnames, de sfeer was prima, het zaakje liep. Als Romeo had Theo een gevoelige
maar matig articulerende Marokkaanse jongen uitgekozen, Hanin. Ik was bij een
casting geweest, had ook die jongen bezig gezien, en inderdaad iets gezegd over
zijn wat moeilijke verstaanbaarheid. Onhandig, voor de langere lappen tekst.
Theo loste dat probleem op door mij voorgoed, dus voor de rest van mijn leven,
de toegang tot enige casting te ontzeggen, en koos Hanin. Ook de door Theo
uitverkoren Julia, Tara, had één enkel zwak punt: ook zij had een zekere neiging
tot het binnensmonds houden van tekst. Dat ze voor het overige een prima koppel
vonden, daar twijfelde ik niet aan; van hoe camerageniek acteurs zijn heb ik
sowieso te weinig verstand. Op onnavolgbare wijze slaagde Theo, zelf onbetaald,
er in om binnen een paar weken en binnen budget de serie op te nemen. De viewing
voor de pers (ook ik mocht geïnterviewd worden, en wist dat dat een gunst was)
vond plaats in een hockeyclubhuis in Amstelveen. Ik zat naast Maarten Wansink en
Jack Wouterse en verstond de helft van de teksten van Julia en Romeo niet.
Terwijl ik ze even goed kende als de acteurs. Doof was ik niet, voorzover mij
bekend, ook kon de onverstaanbaarheid niet liggen aan de in het clubhuis
aanwezige techniek. Ik checkte discreet of Maarten en Jack, naast mij, iets was
opgevallen over de geluidskwaliteit, met name als de twee hoofdrolspelers aan
het woord waren. Ze keken mij vol
onbegrip aan: het geluid was perfect. Een raadsel. Het was mij onduidelijk hoe
twee vakmensen zoiets radicaal anders hadden kunnen waarnemen. Toch hoorde ik
wat ik hoorde: een moeizaam verstaanbaar liefdeskoppel, temidden van prima
verstaanbare andere acteurs. Er was op de gehele bijeenkomst maar één iemand te
vinden die mij, fluisterend, gelijk durfde te geven. Dat was Justine Pauw, hoofd
drama van de AVRO. Het geluid was bij vlagen dramatisch slecht, bevestigde
Justine, vooral in scenes met Tara en Hanin. Of Jack en Maarten dat werkelijk
niet hadden waargenomen, ik weet het niet. Theo oefende, met inzet van zijn hele
wezen, een grote macht over zijn omgeving uit. Het is een wilde theorie, maar op
dat moment meende ik te constateren dat Theo zijn clanleden zo in zijn klauwen
had, dat zij instinctief alles wegfilterden wat in hun relatie met Theo later
tot problemen zou kunnen leiden. Zoals bijvoorbeeld de constatering dat het
geluid bij vlagen beroerd was. Nu wordt een serie niet op één dag opgenomen, dat
geluidsprobleem móet tijdig bekend zijn geraakt. Iemand (een logopedist dan wel
een technicus) had er iets aan kunnen doen. Dat Theo die opdracht nooit heeft
gegeven, of in ieder geval dat het geluidsprobleem nooit is opgelost, moet
iedere kijker van ‘Najib en Julia’ zijn opgevallen. Gordijnen dicht, pompje van
het aquarium uit, en het geluid zo hard mogelijk zetten, dan verstond je het
meeste wel. Wilde Theo de kijkers dwingen hun oren tot het uiterste te spitsen,
zodra de twee geliefden in beeld kwamen? Of vond hij dat hun teksten er niet
teveel toe mochten doen, dan wel te genuanceerd of verstandig waren? Technisch
falen of een gecreëerde situatie, zeker is dat Theo het zo wel prima, of zelfs
beter vond. Nu mag een regisseur heus iets, zelfs heel veel, aan een script
veranderen. Zo werkt dat. Maar het onverstaanbaar maken, of laten blijven, van
acteurs is hele opmerkelijke methode. Even opmerkelijk is om je serie met een
leader met twee blote, vrijende jongeren te laten beginnen, zodat je zeker weet
dat in alle Marokkaanse gezinnen de TV direct wordt uitgezet. Terwijl de AVRO nu
juist gehoopt had eens wat meer jonge allochtonen te trekken. Het idee dat Theo
met ‘Najib en Julia’ enige bijdrage zou leveren aan de vrede op aarde, moet
onverdragelijk zijn geweest. Tegelijk ook weer niet, want het uiteindelijk
resultaat was evenwichtig, menselijk drama, bij vlagen zachtmoedig en luchtig,
goed voor echte tranen in duizenden huiskamers. Dat ‘Najib en Julia’ in 2003 een Gouden Kalf won,
was mede uit vreugde dat Theo in deze serie de confrontatie en columnistische
botheid, misschien zelf voorgoed, achter zich had gelaten. Tussen mij en Theo
was het inmiddels definitief voorbij. Ik vond zijn door mij waargenomen
zelf-sabotage in’Najib en Julia’ (zoals die weggelispelde teksten, het lieve
meisje met het pedofiele pornoduimpje in haar mond, een kettingrokende chirurg)
nogal dommig. Dat had ik tegen
diverse mensen ook zo gezegd, niet tegen Theo zelf, maar als bekend: dat maakt
weinig verschil voor de afloop. Die was dat Theo mij achter de deur met een
pistool zou opwachten, als ik aanwezig zou zijn bij het ‘Najib en Julia’-feest.
Ook strafte Theo mij met het niet noemen van de scenarioschrijver bij het
ontvangen van het Gouden Kalf. Ook op de DVD van de serie die later verscheen,
ontbrak mijn naam. Toen ik Theo vroeg waarom, was zijn superieur snibbige
antwoord; "Jou kennen ze niet". Hoewel ik de serie geschreven had, was ik niet
beroemd genoeg om als schrijver van die serie bekend te worden gemaakt. Een deel
van Theo’s wraakplan, maar ook luchtte hij met dat ene zinnetje “Jou kennen ze
niet” zijn hart over andere zaken,
uit een gedeeld verleden. Theo had mij, als ik met hem mee was gegaan, beroemd
kunnen maken. Hij wilde dat ook. Ik had die gunst geweigerd, ondanks zijn
jarenlang herhaalde aanbod. Respectloos en ondankbaar. Inmiddels was ik
inderdaad niet of nauwelijks beroemd, vergeleken met Theo. Eigen schuld. Niet
alleen was ik niet meer welkom, ook was ik overbodig. Ik voegde niets meer toe
aan de beschermende kring rond Theo, met Katja Schuurman, wijlen Pim Fortuyn, en
tientallen andere grote namen die dagelijks de krant haalden. Theo omgaf zich, pantserde
zich met roem en beroemde mensen. Daar had ik bij kunnen horen, bij het cohort
van onkwetsbaren, omdat wij, zo vond Theo, in wezen aan dezelfde kant stonden.
Hetzelfde waren. Maar ik wilde niet meer de Theo in mijzelf ontdekken, ik wilde
juist dat Theo iets van mij in zichzelf zou vinden. In ieder geval in zijn werk.
Met ‘Najib en Julia’ had ik, hij kon er niet onderuit, op een bepaalde manier
mijn gelijk gehaald. Die serie had niet meer de onverdunde Van Gogh-touch,
althans, lang niet zo overtuigend als in andere verfilmingen. De sombere,
onaantastbare wreker had gezichtsverlies geleden. Besmet met zwakte, onder
andere via mij. Hij had, voor even, het masker laten vallen. Moest dat nu met
dubbele kracht worden rechtgezet? Het gaat wat ver, deze verklaring, maar een
feit is dat Theo na ‘Najib en Julia’ (als verhaal van ná de Twin Towers, als
script van vòòr de moord op Fortuyn) bot als nimmer tevoren Islamieten
uitnodigde tot slaande ruzie. Alsof er iets moest worden rechtgezet, een
uitglijder waar allerlei mensen hem met gebruikmaking van de omstandigheden toe
hadden aangezet. Theo wenste niet verdacht te worden van een teveel aan nuance,
en ging voluit in het offensief. "Allah houdt van tolerantie,dat wil zeggen:
die van u. Maar wie naakt zwemt op vakantie gaat in Allahs vleesfondue. Allah
houdt van godsdienstvrijheid, dat wil zeggen: die van ons. Maar wie Allah's wet
bestrijdt, verdwijnt in Allahs vleeswagons." Die liedtekst, door mij in 1987 geschreven,
was aanleiding tot mijn eerste ontmoeting met Theo van Gogh, en daarmee tot
alles wat wij verder ondernamen. Onze eerste en enige samen gemaakte TV-serie
ging over een Marokkaanse jongen, die zou sterven aan zijn verlangen verkering
met een Nederlands meisje te hebben. Theo stierf door de hand van een door hem
tot fatale razernij gedreven, toch al verwarde Marokkaanse jongen. Er lijkt
systeem in te zitten. Maar welk? Over mijn eigen aandeel in dat alles heb ik
niet veel diepzinnigs te beweren: je komt niet zo makkelijk je eigen hoofd
binnen. Wat ik met Theo deelde, zeker toen ik hem voor het eerst ontmoette, was
woede jegens de wereld. Ik had een hekel aan mijzelf, vond mijn eigen werk niet
goed genoeg, was ook genadeloos in mijn analyses van anderen en schiep er
genoegen in hen te treffen op zwakke plekken. Ik geloofde niet in liefde,
althans niet in de oprechtheid of betrouwbaarheid daarvan. Veilig voelde ik mij
zelden, miskend vrijwel altijd. Mensen die het volgens mij beter deden dan ik,
boven mij stonden of meenden te staan, konden rekenen op de volle laag. Zij
verdienden hun hoge positie zelden, eigenlijk nooit. Hypocrisie en politieke
correctheid waren mij een gruwel. De Tweede Wereldoorlog fascineerde mij, de
holocaust raakte mij persoonlijk. En zo nog het een en ander. Later leerde ik
inzien dat niet de boze slechte wereld de bron van mijn woede was. Door mijn
boze bril nam ik een voornamelijk boze wereld waar, en richtte mijn woede
daarop. Volgens dokter Freud en anderen zat het echte probleem in mij zelf,
gekwetst als ik was door gebrek aan ouderlijke liefde en invoelingsvermogen:
blijkbaar was ik niet goed genoeg om onvoorwaardelijk liefgehad te worden. Dat
doet pijn. Combineer dat met een intense vastbeslotenheid om de onterechtheid
van die eerste afwijzing te bewijzen (
"Papa en mama, ik ben godverdomme wel goed genoeg"), en het valt iets beter te
begrijpen waarom ik jaren later voor grote volle zalen onder de naam ‘Zak en As’
mijn woede over Islamieten uit, mensen die mij persoonlijk nooit iets naars
hadden aangedaan. Maar verlossing
bracht het niet: papa en mama zijn inmiddels vele jaren ouder en gemiste
onvoorwaardelijk liefde kan niet achteraf worden uitgekeerd. Een nuttig inzicht,
ook leidend tot rouw en spijt. Maar die nam ik voor lief: ik kon niet langer de
energie opbrengen om mijn verdriet te overschreeuwen. Ik durf aan te nemen dat
Theo, in 1987, onmiddellijk zag wie hij voor zich had: iemand net als hij
gedreven door boosheid en teleurstelling. In zak en as. Dus Ruud Lubbers was een
hoerenloper, hazenlippen werden gedwongen op toneel lange verklaringen af te
leggen, iedereen was een potentiële SS’er, enzovoort. In het oeuvre van Van Gogh
trof je destijds, en in 2004 nog steeds soortgelijke beelden en voorbeelden aan.
Opvallend frequent riep Theo de vraag op of je bij een bepaald persoon zou
kunnen onderduiken. Het antwoord luidde steevast ‘nee’. Wie beweerde een goed mens te zijn, dus
wèl iemand bij wie je zou kunnen onderduiken, werd door Theo afgeserveerd als
‘goed na de oorlog’. Als hypocriet en pretentieus. In Theo’s werkelijkheid was
niemand ooit veilig. Zo voelde hij zich waarschijnlijk: altijd onveilig, en
projecteerde dat gevoel op de wereld om zich heen. Hij verschanste zich in een
kleine kring van mensen die hij absoluut wilde kunnen vertrouwen. Vanuit dat
fort bestookte hij de buitenwereld. Maar hoe bedreigend was die nu werkelijk
voor Theo, toen in 1987, of later in 2000? Niet, zou je zeggen. Theo speelde in
die zin een rol, was blijven hangen in een boze, opstandige kindertijd. Je kan
het ook krasser verwoorden: Van Gogh was een aansteller, verslaafd aan oud
verdriet, waarvan hij een landelijk succesnummer had weten te maken. Maar Van
Gogh zelf beschouwde zich juist als volstrekt eerlijk. Hoe kon iemand van hem
denken dat hij zijn verdriet spéélde? Voor Theo was zo’n opmerking, ooit in mijn
bijzijn gemaakt door Hetty van der Wal, de grofste die je kon maken: Theo leefde
in een trouweloze wereld, dat gevoel was onontkoombaar echt, hoe durfde iemand
daar aan te twijfelen? Van Gogh achtte zich zowel intellectueel als persoonlijk
geminacht door iedereen die verwees naar wellicht diepere, oudere en onbewuste
oorzaken van zijn wereldbeeld. Hij wilde daar niet aan. "Ik kon niet bij mijn
psychiater blijven, want ze wilde met me naar bed", hoorde ik Theo op een dag
zeggen. Ik vermoed dat er nog andere redenen waren voor Theo om de therapie
voortijdig af te breken. “Ik ben met mij moeder naar bed geweest”, ook dat heb
ik hem weleens horen zeggen. En nog een derde puzzelstukje: Theo’s ouders hadden
in diens jonge jaren heftige conflicten met elkaar. Laat mij raden: de kleine
Theo heeft zich in zijn vroege jeugd nooit veilig gevoeld. Hij wilde zijn moeder
beschermen, door haar af te pakken van zijn vader. De twee ouders probeerden hun
conflicten uiteraard zo goed mogelijk voor Theo verborgen te houden, maar die
keek daar doorheen. Hij zag alom leugens, hypocrisie, en nergens liefde. Later,
als volwassene, heeft Theo dikwijls gezegd dat hij van liefde en wat mensen
daarmee bedoelden oprecht niets begreep. Ik geloof hem. In een voor hem
beslissende periode van zijn leven wàs die liefde er niet, en werd hoogstens
voor de goede orde geveinsd. Hoe ernstig die ruzies tussen de ouders werkelijk
waren doet er niet eens zo toe, vast staat dat Theo enorm gevoelig en
intelligent was. Niets ontging hem, alles kwam binnen. Hij zal, zoals alle
kinderen in dat soort situaties, aan zichzelf zijn gaan twijfelen. Lag het aan
hem? Was hij niet goed genoeg? Op duizenden manieren heeft hij de situatie
doordacht en oplossingen gezocht, maar die waren er niet, ondanks zijn totale
liefde (in ieder geval voor zijn moeder) en onvoorwaardelijke goede wil. Zoiets
zal het geweest zijn, en het heeft Theo destijds zo hard geraakt, dat hij de wereld nooit
meer zonder pantser heeft willen betreden. Tegelijk bleef in hem het verlangen
leven naar de harmonie van een veilig gezin. Ik ben geen psychiater of
psycholoog, ik meld het maar even,
maar zo valt voor mij te begrijpen waarom er, later, niet één, maar twee
Theo’s leken te bestaan. De zachte Theo leefde in de veilige binnenwereld, de
zwartgallige fundamentalist in de buitenwereld. Tot een integratie van die twee
versies van Theo, en daarmee tot rouw en verwerking, is het nooit gekomen. Theo had genoeg energie om zijn oude,
nooit verwerkte pijn de baas te blijven. Twintig uur per dag hield hij zichzelf
bezig met werken, praten, interviewen en plannen maken: om het allemaal niet te
voelen. Bood het leven zelf niet genoeg afleiding, waren er nog de
vergeetmedicijnen drank en drugs. En eten. Maar de pijn was er en bleef. Nergens
was hij veilig. In zijn columns was Theo beurtelings de vervolger of de
onterecht vervolgde. Hij joeg zonder genade op zijn kwelgeesten. In zijn films
laat hij de grond van dat alles zien: verdriet. Er is geen troost, geen liefde,
er is slechts eenzaamheid en onbegrip. ‘Een dagje naar het strand’: kind wordt
alleen gelaten door vader die zelf het leven niet aankan. ‘Terug naar
Oegstgeest’: dictatoriale vader beklemt een gevoelig kind. ‘Blind Date’ en ‘06’:
twee volwassenen zoeken de liefde, maar vinden slechts een armzalig substituut.
‘Baby Blue’: twee incestueuze partners willen persé kinderen en krijgen die
langs perverse weg. Vat dat allemaal nóg eens samen, en Theo lijkt te willen
zeggen dat volwassenen beter niet met elkaar een relatie kunnen beginnen, en
zeker geen kinderen moeten krijgen. Daarmee zegt hij tevens iets over zijn eigen
aanwezigheid in de wereld, wat hij ook eens verwoordde als: “Het kan altijd
erger, je kunt ook nog Theo van Gogh te zijn”. Wat Theo in zijn films liet zien
was de bron van zijn existentiële pijn. Die dateerde van vroeger, stond los van
zijn leven hier en nu, maar raakte hem nog steeds, iedere dag. Het dunnetjes
bedekte eigen verdriet, waar Theo zichzelf via zijn films steeds mee
confronteerde, werd hemzelf ook weleens teveel. Dat leidde dan tot halfslachtige
pogingen om uit zijn eigen universum te ontsnappen, bijvoorbeeld met rare
mopjes, komisch bedoelde verwijzingen of sneren naar iets of iemand ver buiten
het filmverhaal. Theo wilde de pijn, maar hij wilde hem ook niet. Hij wilde zijn
zwakheid tonen, maar toch ook weer niet. In zijn films bespeur je die twijfel.
Theo de publieke persoonlijkheid, daarentegen, was door niets te raken.
Gepantserd door roem en intelligentie, met de aanval als favoriete verdediging
kon hij iedereen de baas. Voeg daarbij de onvoorwaardelijke trouw van met grote
gulheid binnengehaalde vrienden, een ijzeren geheugen voor feiten en
gebeurtenissen, een hoge verbale en sociale intelligentie, en tot slot de
ijzeren wil en enorme energie om al die ballen in de lucht te houden, en dat
twintig uur per dag. Alweer, ik heb er niet voor doorgeleerd, maar op deze
manier begin ik eindelijk iets van te snappen. Sinds ik Theo ken heb ik hem,
meer dan wat dan ook, willen begrijpen, en daarmee ook van mijzelf. Theo was, in
al zijn macht en onmacht, een indrukwekkende en charismatische verschijning. Hij
was in alles extremer dan anderen en dag in dag uit bezig hoofdstukken aan zijn
saga toe te voegen. Voor helden gelden andere normen dan voor de rest. Ze komen
weg met dingen waarvoor anderen aan de schandpaal gaan. Theo had het geschopt
tot centrum van zijn eigen universum, Veilig en ongenaakbaar, gehuld in een
stralend pantser, dat hij miljoenen malen trots toonde aan het grote publiek.
Tegelijk was hij een knuffelbeer. Zo zag men hem altijd óók. Zelfs ( of juist?)
het grote publiek, de meer simpele zielen voelden dat in Theo een kind huisde,
gekwetst, twijfelend aan zichzelf en de anderen. Een kind dat al teveel had
verwerkt, om ooit nog kritiek aan te kunnen. Een kind dat woest weigerde te
veranderen, tot de oude schulden waren ingelost en de wonden waren geheeld.
Alleen iemand met buitengewoon veel wilskracht en energie houdt zo’n leven vol.
Theo had daarbij het geluk -of juist de pech- dat zijn manier van doen en denken
hem publiek succes bracht, roem, geld eer en contacten met vele andere publieke
figuren. Hij kon en wilde niets anders dan voortgaan op hetzelfde pad. Een
wandelend afweersysteem, altijd uit op confrontatie. Bijna altijd kwam hij
daaruit te voorschijn al winnaar, in ieder geval bleef hij ongeschonden en kon
voortgaan te leven zoals hij dat verkoos. Als Theo’s diepste verlangen was om
onkwetsbaar te zijn, pijnvrij en veilig -wat ik denk- dan is dat hem nooit
gelukt. Telkens weer moest hij op zoek naar een nieuwe bevestiging van zijn
kracht en onoverwinnelijkheid. Zijn vijanden koos hij, over de langere termijn
gezien, steeds een maatje groter. Hij slaagde er in, in ieder geval in zijn
eigen ogen, Hugo Brandt Corstius op papier te verslaan en tot zwijgen te
brengen. Hij tartte Leon de Winter en andere in zijn ogen hypocriete uitbaters
van de holocaust, en schoffeerde daarmee compleet politiek-correct Nederland.
Aan de hand van Fortuyn ging hij de linkse kerk te lijf. Aan wat het eind van
zijn leven zou zijn, zocht hij jennend en provocerend ruzie met de Islamieten,
volgens hemzelf nu juist het meest bedreigende gevaar voor onze samenleving. Hoe
hij dacht fanatieke gelovigen in een debat te kunnen verslaan is mij niet
duidelijk. Dat kan per definitie niet. Het doel was ze uit hun tent te lokken,
en te verleiden tot nog radicaler gedrag. De fundamentalisten moesten hun ware
gezicht gaan tonen. In die zin waren bedreigingen een welkom onderdeel van de
bewijsvoering. Toch blijft er dan iets heel merkwaardigs: fundamentalisten
kunnen, en niet alleen volgens Theo, levensgevaarlijk zijn. Maar bedreigd of
niet, Theo weigerde zich te verstoppen. Ook niet een beetje, door een taxi te
nemen in plaats van de fiets. Het leek wel of hij letterlijk over zijn lijk
bereid was desnoods zijn ultieme gelijk te halen. Zelfmoordenaars willen niet
dood, ze willen een ander leven, zeggen ze wel eens. Theo had, los van alle
vrolijke franje, een droevig bestaan op de momenten dat hij op zichzelf werd
teruggeworpen. Die situatie meed hij, maar zoiets lukt niet altijd: de
depressie, het onverwerkte verdriet, was een terugkerend fenomeen, onwrikbaar
met het Theo verbonden. Hij moet hebben geweten dat de pijn van het zijn hem
levenslang zou achtervolgen. Geen prettige gedachte. In Theo’s eeuwig zoeken
naar de confrontatie was hij wellicht óók op zoek naar een definitieve
nederlaag. Op weg naar de laatste muur, waar het eeuwig boze jongetje zich op te
pletter zou lopen. Daarna de rust. Dat zou, technisch gesproken, een halve
zelfmoord zijn en de poort naar een nieuw leven openen. Zoals Theo dat leven al
hád in de vredige, veilige maar veel onderhoud vergende binnenwereld, met zoon,
vrienden en veel troostende vrouwen. Het is anders gelopen: de complete Theo van
Gogh, de zachte zowel als de woedende, werd vermoord door een even woedende
Marokkaanse jongen. Het ultieme gelijk van de wrekende zoeker naar
gerechtigheid, maar een trieste nederlaag voor het zachtaardige, gevoelige kind.
Maar blijft, in dit verhaal, nu Theo de Interviewer? Ja, die was er ook en hij
was fenomenaal goed. Ik denk dat ik weet waarom: van Gogh wilde het ècht weten.
Hij snapte niet volledig hoe andere mensen in elkaar zaten. Kenden die dan wèl
veiligheid, liefde en geluk? Hoezo? Theo demonteerde zijn gasten in zekere zin, op
zoek naar in hemzelf ontbrekende onderdelen. Hij interviewde natuurlijk ook
mensen die juist wel op hemzelf leken. Pratend met hen zocht hij de herkenning
en, via een omweg, het inzicht in zichzelf. Totaal open, en zonder een spoor van
angst, gaf hij zijn nieuwsgierigheid de ruimte. In zekere zin was Theo er niet
bij als hij iemand interviewde: zijn innerlijke stemmen zwegen en kregen les van
een derde Theo, een fabuleus brein, zijn meest eigen ik, dat wel los was gekomen
van het betreurde verleden. Zijn interviews beschouw ik als zijn meest
waardevolle en tijdloze nalatenschap. Justus van Oel,
augustus/sept ’05 printversie |
![]() |
![]() |
||