![]() |
||
![]() |
overig werk
Johan de Vroedt en de Palestijnen |
![]() |
![]() |
april 2005 Ik ken Johan de Vroedt sinds de dag dat hij stilletjes begon te dromen van het pielemoosje van Erik van Muiswinkel, destijds mijn compagnon in het cabaret. Nu ben ik daarvoor en daarna wel eens vaker in beeld verschenen, uitsluitend omdat Erik van Muiswinkel niet kón of wilde. Het geeft niet. Alles went, en zelfs Johan de Vroedt. Aanvankelijk dacht Johan mij te kunnen paaien door het voortdurend maken van woordspelingen. Immers, daar hield ik als cabaretier ook zo van, van woordspelingen. Ja, van de mijne, Johan. Maar nog steeds geen eind en nog steeds alles goed: uit ons contact kwam een vriendschap die zo tijdsbestendig is dat ik het inmiddels ook al aan sommige anderen durf te vertellen. Alleen mijn ouders zal ik de waarheid voor eeuwig besparen, die vinden namelijk iedereen met geld hoogst verdacht. Het is zeker dankzij Johan dat ík mijzelf daar inmiddels overheen heb gezet. Zo stom als het klinkt, zo waar is het. Ik ben Johan daar oprecht dankbaar voor, voor die verruimde blik. Zo dankbaar dat ik tegenwoordig zelfs geld van hem aanneem. Maar nu ook weer niet zó dankbaar dat ik hier de toespraak ga verzorgen die hij eigenlijk zelf zou willen houden. Ja, doe het dan zelf. Er schuilt dus een zeker risico in het mij toevertrouwen van een taak als deze. Ik heb weleens tegen een opdrachtgever gezegd: "In wat jíj wilt ben ik misschien best goed, maar in wat ik zelf wil ben ik veel beter. In alle eerlijkheid en redelijkheid zit er dus niets anders op dan mij mijn gang te laten gaan". En dat ga ik doen. Stel nu dat wij, redelijk welvarende en witte mensen, nu eens niet hier zaten, maar in het Zuiden van de Verenigde Staten. En het is ook niet nu, het is 1840. De kans zou dan groot geweest zijn dat wij ons geld verdienden met het exploiteren van een plantage, in die tijd een vorm van landbouw die niet competitief kon zijn zonder de inzet van in onbetaalde arbeid, geleverd door eenmalig tegen contante betaling verworven arbeidskrachten. Inderdaad, slavernij is een heel naar woord, vooral omdat het exact betekent wat het inderdaad ook is. Ik weet niet zeker of plantagehouders en hun belangstellende echtgenotes dát woord 'slavernij' ook gebruikten, als ze het er eens over hadden. Maar ook weet ik zeker dat ze wisten wat er aan de hand was en er zich daar zeker bij vlagen niet al te best over voelden. Hoe kan het ook anders. En aangezien de mens mij fascineert, zowel in zijn laagste als in zijn nobelste daden, heb ik me meer dan eens proberen voor te stellen hoe zo'n gesprek dan gegaan zou zijn, in Louisana anno 1840. Aan het woord zijn mevrouw Helena Audubon-Jefferson, en haar echtgenoot, de heer George Audubon, succesvol plantage-exploitant. "Zeg schatje duifje liefje popje, ik hou van je, het ontbreekt ons aan niets, en toch kijk je zo zorgelijk de laatste tijd, wat is er toch?" "Weet je George, gisteravond ging ik nog even wandelen, en ik hoorde de negervrouwen zingen." "Ja, die heidense rituelen, dat is er moeilijk uit te krijgen, ik zal het eens aan de dominee vragen" " Nee, wat ik wilde zeggen George, ik vond het juist ontzettend mooi" " Oh.." " En weet je voor wie ze het zongen, George?" " Geen idee, hun voorouders denk ik" " Ze zongen het voor een gestorven kind.." Nee, ik ga uw eetlust niet bederven. Maar het probleem dat hier aan de orde is zal u duidelijk zijn. Voor de hier geschetste plantage-eigenaar zijn slaven primair een economisch object, zijn vrouw echter heeft dankzij een wandeling ontdekt dat slaven in bepaalde opzichten wel degelijk gelijkenis vertonen met haarzelf, en daarmee mensen zijn. Of althans deels. Precies dat inzicht kan haar man zich niet veroorloven. En ook dat is begrijpelijk: op mededogen volgt onvermijdelijk schuldgevoel, ratio en emotie krijgen ruzie, en zie dan nog maar eens een beetje behoorlijk leiding te geven. En het onvermijdelijke gebeurt: de plantage-exploitant schiet in de afweerstand. Hij zegt: "Schat luister, je bent een vrouw, je bent gevoelig, maar geloof me, zij zijn daaraan gewend. Ze zingen wat, ze doen een dansje, en morgen zijn ze het allemaal weer vergeten. Dat doen ze met alle problemen." " Maar George, dan snap ik iets niet: als het allemaal niet zoveel uitmaakt, waarom proberen ze dan steeds te ontsnappen?" " Lieve schat, ze zijn lui. Als het aan hunzelf ligt doen ze helemaal niks. Dus moet ik weleens hard tegen ze optreden. En sommigen zijn koppig. Ze stoken mekaar op, en ze ontsnappen. Dat zit dan opeens in hun kop" "Maar dan ben je misschien toch te hard voor ze, George" "Ik geef ze te eten, schat. En beter dan de buren. Daarbuiten hebben ze niks. Als ze ontsnappen worden ze alleen maar ongelukkiger, een beetje rondhangen in het moeras, meer zit er niet voor ze op. Dan is dit toch beter?" En daar heeft de plantage-eigenaar natuurlijk gelijk in. Bij hem hebben ze het beter dan bij de wrede buurman, en zelfs beter dan in het moeras. Maar zijn vrouw geeft het niet op. Ze kan er niet meer tegen, punt uit, en barst los. Vanwege uw delicate spijsvertering treed ik wederom niet in details, maar Helena confronteert haar echtgenoot met brandijzers, bloedhonden, zweepslagen en open wonden. Ze huilt ook. Haar man George weet het even niet meer, en refereert aan de heilige taak die de blanke man nu eenmaal heeft, namelijk het verspreiden van het christendom en de beschaving, waarop zijn vrouw hem vraagt waaruit dat Christendom en die beschaving dan toch eigenlijk precies bestaan. Bovendien heeft Helena, zo verneemt de arme George, een prima praatrelatie opgebouwd met Oom Tom, een oude wijze neger die bij wijze van pensioenvoorziening rustig in een hutje mag zitten, mits hij zijn eigen voedsel verbouwt en niet zeurt. George ziet de oprechte emoties van zijn vrouw en beseft dat nu ook zijn sexleven in gevaar komt: zijn vrouw ziet negers als mensen, niks meer aan te doen, en in ieder geval voor nú lijkt het George verstandig haar dat puntje te gunnen. Dus George haalt diep adem en zegt: " Okay liefje, ik geef toe, ik vind het ook niet altijd leuk wat ik moet doen, echt niet, geloof je me, dat geloof je toch? " Overigens, George neukt regelmatig met gratis negerinnen, en als hij heel eerlijk is, lijken die inderdaad in verrassend veel opzichten op het soort vrouwen dat hij al kende. George is niet een slechte man. Hij lijkt in veel opzichten op mijzelf. En op wie dan ook. Dit gaat niet over George. En dat vind George trouwens zelf ook, want hij zegt: "Okay liefje, ik geef toe, ik vind het ook niet altijd leuk wat ik moet doen, echt niet, maar als ik er mee stop, de buren gaan gewoon door" "En dan?" " Nou ja, dan zijn wij alles kwijt, en zij niet. Als zij er ook mee stoppen, en iedereen doet dat, prima, dan ben ik de eerste die zegt: ik doe mee" "Maar laten we dan in ieder geval eens met de buren gaan praten, George, ga jij nou eens met ze praten.." "Nee, die moeten dat voor zichzelf beslissen. Dat zijn keurige, gelovige mensen, ik ben niet degene die hen de les moet komen lezen, ik geloof in mensen hun eigen verantwoordelijkheid". Enfin, de slavernij bleef. Want dat was de weg van de minste weerstand. Het huwelijk van George verkoelde intussen ernstig, en kwam definitief tot stilstand nadat op de plantage opeens kleine negertjes opdoken met rossig kroeshaar en opvallend lichte tint. Einde huwelijk. De weg van de minste weerstand bleek de weg van de meeste weerstand. Niet alleen voor George, voor álle plantagehouders. Ergens in het hutje van oom Tom werd de kiem gelegd de grote burgeroorlog. Wat leren wij hier nu van? Niet dat de mensen niet deugen. Dat lijkt mij onzin. Maar wel dat het moeilijk is om het goede te doen, en nog veel moeilijker om als eerste het goede te doen. Waarbij bovendien het vervelende is, dat pas achteraf blijkt dat de goede keus inderdaad de goede was, of in ieder geval de iets betere. En dan komt nu het moment waar mijn Maecenas en vriend, Johan de Vroedt, al twee weken bang voor is. Want ik heb hem gezegd wat ik ging doen, en dat is precies wat ik ga doen. Maar niet zoals hij het dacht. "Maar dat kan niet Justus, er zijn misschien ook mensen van het oude volk" "Goh, zijn er ook Grieken, wat leuk" "Nee, het oude volk" " Oh Romeinen, wat leuk. Die hebben daar trouwens nog mooie dingen gebouwd, daar in Palestina, wist je dat?" Maar toen was Johan de Vroedt al flauwgevallen, en hij hoorde gelukkig niet eens meer dat ik ook de naam van Gretta Duisenberg noemde en daarom ben ik toch nog hier.
Een paar jaar geleden hing Gretta Duisenberg een Palestijnse vlag aan haar huis. Zij deed dat als eerste, in ieder geval in haar kringen, en dat is moeilijk. Maar deed zij ook het goede, wat minstens zo lastig is om te bepalen? De afgelopen twee jaar heb ik met het telefoonnummer van Gretta rondgelopen. Ik had dat overigens gekregen van Johan de Vroedt, want als bekend, de oorzaak van het merendeel van onze ellende zijn wij zelf. Gretta heb ik nooit gebeld, maar ze heeft voor mij wel een deur geopend. En ik kreeg die deur niet meer dicht. Uiteindelijk besloot ik er doorheen te gaan. Ik weet niet hoe Gretta was vóór zij ging, maar feit is dat je er behoorlijk van in de war raakt. Om met George te spreken: ik prijs mij gelukkig met uw gezelschap, u bent keurige nette mensen, ik ben niet degene die u de les moet komen lezen, en dat wil ik ook niet. Dat is zinloos. En reuze ongezellig. We gaan het hebben over topmannen. Een ánder soort topmannen dan u waarschijnlijk kent of bent. Ik heb op reis in Israël en in Palestina twee mensen ontmoet, die op mij grote indruk hebben gemaakt. Die twee mensen wil ik graag aan u voorstellen. Op een of andere manier hebben ze beiden van iets lelijks iets prachtigs weten te maken, en zijn daar geheel onbeschadigd uit tevoorschijn gekomen. De eerste topman die ik aan wil voorstellen is Taiser. Hij is een Druus, en beschouwt zichzelf als Syriër. Toen in 1967 Israël de Golan-hoogte veroverde, besloten 8000 Druzen daar niet te vluchten. Geen sprake van. Ze waren téveel gehecht aan hun gemeenschap, hun mooie dal onder aan de berg Hermon en aan hun appelbomen. De overige 130.000 Druzen vluchtten wel. Maar deze 8000 stronteigenwijze appeldruzen hadden met elkaar afgesproken dat ze zouden blijven. Dat deden ze en ze zitten er nog, tot op de dag van vandaag. Aan terrorisme doen ze niet, ze zijn er te laf, te lui of te slim voor. Maar óók hebben ze altijd geweigerd de Israëlische nationaliteit aan te nemen. Huis aan huis werd dat aanbod hen gedaan, door het Israëlische leger. Het antwoord was achtduizend keer: "Nee, wij blijven lekker Syriër", want dat hadden ze met elkaar afgesproken. Vrij snel daarna kwam er een andere ruzie met Israël, over regenwater. Druzen mochten dat niet meer gebruiken voor hun appelbomen, en ook niet het water uit het voorouderlijke meertje. Best lastig, als je appels kweekt. Als compromis werd de Druzen toen voorgesteld dat ze dan maar een flinke belásting over regenwater moesten betalen. Of anders zouden de illegale Druzische watertanks terstond worden verwijderd. De Druzen gingen met duizenden om hun watertanks heenstaan, nog steeds ongewapend, en wonnen, ook door het slim inseinen van journalisten. Ondertussen hadden ze ook iets anders georganiseerd: de gezondheidszorg. Binnenkort is één op de honderd appeldruzen dokter of specialist, zijnde 150 medici op inmiddels 16.000 Druzen. Dat is inderdaad zwaar overdreven, er zijn daar nu wachtlijsten voor doktoren, die wachten tot ze eindelijk eens patient mogen behandelen. Maar gelukkig zijn ze ook goed in hun vak. Veel van de Israëli's die later de bezette Golan zijn ingetrokken heeft inmiddels een Druzische dokter, die volgens zichzelf trouwens een Syriër is. Maar dat zegt 'ie dan even niet. Ook in iedere Druus schuilt een George: principes zijn nuttig, maar verdienen is ook goed.
De Druzische dokters en klinieken werken zo efficient, en in een vrije markt, dat ze er in geslaagd zijn prima vaste contracten in de wacht slepen bij meerdere Israëlische verzekeraars. De Druzen verdienen inmiddels meer aan het in leven houden van hun bezetter, dan aan het verjagen daarvan. Knap staaltje bezettingspolitiek, ware het niet dat die door de Golan-Druzen is bedacht, en niet door de regering in Jeruzalem. Maar het resultaat is er. En iedereen is er vrolijk van. Taiser, ik noemde hem al. Taiser is een van de drijvende krachten achter het succesvolle Druzische gezondheidsplan. Inmiddels is op medisch gebied door de Druzen zelfs een numerus clausus ingesteld: Druzisch talent studeert tegenwoordig verplicht economie of rechten. Ze willen nog wat andere sectoren in Israël overnemen. Geen tijd voor ruzie maken, sorry, wij zijn even bezet. Zèlfs zijn de Druzen er inmiddels in geslaagd, twee weken geleden, om hun overschot aan appelen naar Syrië te mogen exporteren. Met vrachtwagens van het Rode Kruis. Want ja, is het nu export, of gewoon vervoer van Syrië naar Syrië? Die discussie, daar is niet uit te komen, maar dankzij strikt neutraal vervoer hoeft dat nu ook niet. Ik kan het Nederlands bedrijfsleven dus van harte adviseren: zoekt u een topman, huur een Druus. Maar pas op: wel van het type Golan. Elders in Israël wonen nog 100.000 andere Druzen. Zij gooiden het, in 1948 al, direct op een akkoordje met Israël. Volgens de Palestijnen zijn ze geboren meelopers en staan sindsdien bekend als de foute Druzen. Hoe dan ook, die laatste Druzen kozen welbewust de weg van de mínste weerstand, dat staat vast. Taiser en zijn Druzische dorpsgenoten kozen, in 1967, een andere weg. Die van de meeste weerstand, leek het. Maar eenmaal onderweg zijn ze zo gegroeid dat ze het allang niet meer merken. U loopt inmiddels zelfs de kans om in Zwitserland skiles te krijgen, van een Golan-Druus die thuis oefent op zijn eigen berg Hermon. Echt waar. Waarschijnlijk kan die Druus ook nog ter plekke deskundig uw gebroken been repareren. Onwarschijnlijk, maar waar. Ik had u twee topmannen beloofd, en die tweede komt. Heel snel. In 1948 bevond Mohammed Mubarak zich op een heuvel ergens in de buurt van Haifa. De kleine Mohammed zag hoe het dorp van zijn ouders en zijn familie werd bezet en vervolgens in beslag werd genomen. Het is in ieder geval nooit teruggegeven. Bovenop de heuvel besloten ze een nieuw dorp te bouwen. Met uitzicht op hun oude, en daar kijken ze nu al vijftig jaar op uit. Beneden wonen, in feitelijke ontvreemde huizen, inmiddels leuke Israelische kunstenaars, die gezellig zilver smeden en grappige potten bakken. Ik ken mensen, waaronder mijzelf, die om minder een bom zouden gooien. Mohammed Mubarak deed het anders. Hij ging naar school, studeerde, en werd ambtenaar voor de Israëli's. Specialiteit: planologie. En met één dieper doel: zijn nieuwe dorp te redden van de sloop. Het uitwijk-dorp was namelijk illegaal. Eerst omdat het op archeologische grond stond. Mubarak procedeerde en won. Toen bleek de grond onder het illegale dorp bij nader onderzoek landbouwgrond. Mubarak won. Daarna bleek de heuvel van strategisch-militair belang. Mubarak procedeerde en won. Om het uitroepen van zijn dorp tot Israëlisch natuurreservaat maakte hij zich niet eens meer druk. Hij won. Na dertig jaar was de sloop eindelijk afgewend. Vanaf dat moment kon Mubarak zich op de meer praktische problemen van zijn gezin en buren concentreren: water, electriciteit en een min of meer berijdbare toegangsweg. Maar omdat zoiets soms even kan duren, besloot Mubarak intussen alvast een resaurant te beginnen. En dat restaurant is zo goed dat tout Haifa er inmiddels komt eten. De tent loopt als een dolle.
Wat mij betreft ben je dan een topman, maar ik ging definitief door de knieën voor deze Palestijn na het volgende dialoogje: 'Zeg Mohammed, dus als dan die leuke tweeverdieners uit Haïfa bij jou komen eten, dan leg je ze vast even uit hoe het zit, met jouw dorp, toch?' Zijn antwoord was: "Nee, ik zeg er nooit iets over. Alleen als ze gaan klagen dat de weg zo slecht is. Dan vertel ik dat wij de enige Israëlische belastingbetalers zijn die zelf hun wegen moeten aanleggen". En hij lachte. Als u nog een Palestijnse topman zoekt, bovendien met keurige blauwe ogen en rood haar dus u hoeft in principe niks uit te leggen, neem Mohammed Mubarak uit Ein Hod. Hij zal de baan overigens weigeren, hij is volmaakt gelukkig. Tot slot: mocht u ergens in de zomer van 2006 een feestje hebben kunt u bij mij vier Palestijnse meisjes huren. Achttien jaar oud, spreken prima Engels en samen vormen zij een strijkkwartet. In hun vioolkoffers zitten echte violen, ze spelen Mozart op wellustig-westerse wijze en wat zij verdienen gaat gegarandeerd naar het geheel onbewapende conservatorium waar ze studeren. Johan heeft mijn nummer. Ik dank u wel.
printversie |
![]() |
![]() |
||