overig werk

Kunt U Breukelen, deel 1, Aalsmeer-Dworp

oktober 2003

' KUNT U BREUKELEN'

 

GEBRUIKSAANWIJZING WEBVERSIE

 

Een boekje naar ' The Meaning of Liff' vertaald/verbeterd/fors uitgebreid door Justus van Oel , ooit  uitgegeven door Nijgh en Van Ditmar. De tweede verbeterde editie eindigde vorig najaar roemloos in de bakken bij De Slegte, dus vanaf nu gratis voor iedereen. Print uit, leg samen met een landkaart (type Benelux) op het toilet, en ontdek bij kleine beetjes wat, waar en hoe. Ook geschikt als gezelschapsspel aan tafel, maak zelf de regels. En ja, het zijn allemaal echte plaatsnamen, ergens te lezen op een echt bord.

 

INLEIDING

 

‘Pap, mam, wat is een Dongeradeel?’ ‘Dat is een plaatsje’ ‘Ja maar wat ís een Dongeradeel?’

Voor beginnende taalgebruikers valt het niet te accepteren dat een woord wel bestaat maar tegelijkertijd niets betekent. Want tóch doet het woord ergens aan denken. De vertrouwdheid  van klank en letterbeeld maakt een mens onrustig: het voelt alsof men de betekenis ooit wist, maar die om een of andere reden vergeten is.

Inspirerende plaatsnamen, zomaar ergens onderweg opgedaan, hebben dan ook de neiging te gaan rondzingen in de auto en in de diverse hoofden: het is alsof een tot nu toe ongebruikt woord op zoek gaat naar een ding of herinnering om zich aan te hechten. En dat woord heeft groot gelijk. Bruikbare woorden met een mooie geschiedenis verdienen iets beters dan nutteloos rond te hangen op wegwijzers, stationsborden en rond bebouwde kommen. Zeker nu het leven steeds gehaaster wordt en voller van gevoelens, objecten, situaties, ongemakken en moderne gevaren, die we allemaal kennen, maar waarvoor nog geen woorden bestaan. Tenminste, dat dácht u.

In werkelijkheid stonden die woorden al klaar, opgehangen boven snelwegen en opgebaard op landkaarten, geduldig hopend op een lift. Met ‘Kunt u Breukelen ’ probeert Justus van Oel de natuurlijke evolutie van onze taal te versnellen: naar het voorbeeld  van “The Meaning of Liff”, ging hij opnieuw op zoek naar ongebruikte woorden voor onbenoemde dingen, en Nederland en het Nederlands bleken inderdaad rijk genoeg voor deze tweede, uitgebreide uitgave.  Quenast (zd) wenst u veel Mook en Almenum (zd), bij het lezen en later, bij het gniffelend doorkruisen van de Lage Landen. 

Justus van Oel

 

A

AA of WEERIJS ( uitdr, oorspr. Fries) Periode waarin hoop en vrees elkaar afwisselen. Het aa of weerijs rond de Elfstedentocht begint vaak al rond half augustus.

AALSMEER ( zn) Volkse uitdrukking voor smegma. Zie ook: Geulhem, Putboek

AALST (zn) Het bier dat men tijdens een goed gesprek, ingespannen formulerend, langs de mond in het overhemd giet.

ABCOVEN (zn, mv) De paar dozijn toetsen die op ieder standaard-toetsenbord ergens anders zit.

ABELTJESHUIS (zn) Etagewoning in een van de oudere wijken, waar voortdurend kleine kinderen uit te voorschijn komen die je nog niet eerder gezien had.

ACHEL (zn) Een kelige hoest van een van de aanwezigen, die de clou van jouw nogal aardige opmerking onhoorbaar maakt.

ACHLUM (zn) Het korte moment van aarzeling dat de spreker overvalt als het stil blijft na zijn grapje. Lag het aan de achel (zd) of moet er herhaald worden?

ACHTERENK (zn) Het eeltige extra teentje dat katten en honden boven hun hiel meedragen, om in noodgevallen harder te kunnen remmen.

ACQUOY (zn) Aanduiding voor de hoogste woordwaarde behaald in een willekeurig spelletje scrabble.

AEGUM  (zn ) Sekse-neutrale term voor echtgenoten van gelijk geslacht, die hun verbintenis door een ambtenaar of afvallige priester hebben laten inzegenen. ‘Zo zoekt de pool gelijke pool, Gods Liefde smeedt de levensschool, man, vrouw, aegum, doel na dool.’ (Huub Oosterhuis).

AENGWIRDEN (ww) De traditioneel vastgelegde manier waarop Nederlanders een provinciaal accent nadoen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het betreffende accent verder nergens voorkomt.

ALEOETENTROG (zn) Openbare uitwisselingsplaats voor voedsel, vaak aangetroffen op stationspleinen en bij snackbars. Via de aleoetentrog stelt het publiek anoniem de resten van zijn maaltijd ter beschikking aan zwervers, verslaafden en politieke vluchtelingen 

ALMENUM (zn) Het zalige gevoel dat de wereld klopt, bijvoorbeeld als op een zomerse dag een tram, schitterend in tegenlicht, het stof uit de rails doet opstuiven.

ALVERNA (zn) Een ding dat u over het hoofd ziet juist omdat het direct voor het grijpen ligt, zoals een bril op een voorhoofd of een contactlens onder een schoen.

ALVERSHOL (zn) De ruimte tussen rug en zitting van gemakkelijke stoelen waar zich legosteentjes, muntjes en brandende peuken verzamelen.

AMAZONEPLAT (bn) Een van de onderdelen van het mannelijk vooroordeel dat feministische vrouwen lelijk zouden zijn.

AMBT DELDEN (zn;ww) Bezigheid van loketfunctionarissen, als zij met subtiele lichaamstaal en loenen (zd) de rij wachtenden proberen duidelijk te maken dat de lijfelijke aanwezigheid van de lokettist niet betekent dat het loket binnenkort open zal gaan.

AMBY (zn) Hard plekje waarvan u niet weet of het nu een puistje, zweertje of kwaadaardig gezwel gaat worden.  

AMEL (zn) De droge gele substantie die u in een restaurant aantreft tussen de tanden van uw vork.

AMMERSTOL (zn) De dikkige, donker verkleurde laag die zich vormt op halfvloeibare salades in vitrines van slagers en delicatessenwinkels. Vlak voor u een onsje krijgt uitgeschept, wordt- alsof u het niet gezien had- de ammerstol kordaat door het geheel heengeroerd. Zie ook: Moeskroen

AMMERZODEN (zn, mv) De kleine klontjes die zich vormen in bedorven melk. 

AMPSEN (zn, mv) De subtiel bedoelde toevoegingen, die een in principe lekker hapje oneetbaar maken, zoals bijvoorbeeld de verweekte kers op een heerlijk blokje kaas.  

ANDEL (zn) Knop op apparaat waarvan niet duidelijk is of je er aan moet schuiven, draaien of trekken en zo ja welke kant op. Vaak gebruikt excuus door  piloten en kapiteins van olietankers.

APPEN (ww) Het onbewust mond en lippen meebewegen bij het intoetsen van een pincode of kiezen van een telefoonnummer.

ARUBA (zn) De kreet of kreten waarmee een groep toeristen een tropische folkloristiche dansgroep aanmoedigt.

ASPEL-EIND (zn) De serie van minstens acht uitgewisseld beleefdheden, waarmee de twee partners in een telefoongesprek zo beleefd mogelijk naar het moment van ophangen toewerken.

AUBANGE (zn) De kinderlijke angst voor de tandarts, die volwassenen dagenlang bij zichzelf weg proberen te redeneren.

AUSTERLITZ (zn) Sticker of embleem met plaatsnaam, bevestigd op koffer, caravan, kleding of auto. Bedoeld om aan te geven dat de persoon niet van gisteren is en in de Harz, op Terschelling en in de Efteling is geweest. Oorspr: de metalen plaatjes die Duitssprekende trekkers op hun wandelstok aanbrachten als bewijs dat zij de Mont Blanc hadden bedwongen of  Polen onder de voet gelopen.

AXELSE SASSING (bn;zn) Acrobatische houding waarin vrouwen op een parkeerplaats langs de snelweg hun behoefte plegen te doen: met de rechterhand hangend aan het halfopen portier, met de linkerhand broek of rok uit de verwaaiende straal houdend, en achteromkijkend of er van de andere kant niemand aankomt.

AZEWIJN (zn) Een goedkope wijnsoort, afkomstig uit diverse landen van de Europese Unie, met name Denemarken en Engeland.

AZOREN (zn, mv) De door geen enkele architect voorziene plekken tussen hoogbouw waar een prettig windje in de rug verandert in windkracht acht tegen.

 

B

 

BAALHOEK (zn)  Plek in de supermarkt, meestal bij de kassa’s, ingericht  om kinderen aan het jengelen te krijgen.

BAARSCHOT ( zn) De heerlijk ontspannende wind, op het toilet, die de komst van een flinke lading aankondigt. Zie ook: Beerschoten, Inschot, Jekschot, Overschot

BABBERICH (zn) Het aandoenlijke mengsel van Nederlands en Duits, gesproken door Nederlanders die indruk willen maken, en Duitsers die dat juist willen vermijden.

BAFLO (zn) Opmerking, bedoeld om een ongewenst gesprek zo snel mogelijk te beëindigen. Beleefd bot. Overduidelijk vaag. Sprekend nietszeggend.

BAGBEN (zn, mv) De putjes in te dikke dijen.

BAKELAAR (zn)  Het type toiletpot - uniek Nederlands- waar de ontlasting op een plateautje bewaard wordt, zodat vóór het doorspoelen eventuele waardevolle resten uitgegraven of gefotografeerd kunnen worden. 

BALGOY (zn, jiddisch) Een christen vol liefde en begrip voor Israël en het joodse volk, die verklaart niet te begrijpen hoe zulke intelligente mensen ooit de Messias over het hoofd hebben kunnen zien.

BALLUM (zn) De verdwenen of onherkenbaar geworden sok die ergens in de wasmachine of klerenkast zwerft, en daarmee ook één andere, verder in prima staat verkerende sok onbruikbaar maakt.

BANHOLT (zn) Het moment van collectieve aarzeling voor iemand het initiatief neemt op het knopje 'deur open' te drukken, of als op een vol terras een mobiele telefoon met te algemene ringtone afgaat.

BANIS (zn) De verveelde uitdrukking van winkelpersoneel als er een klant binnen is.

BANJAARD (zn) Druk gebarende voetganger langs een nog drukkere provinciale weg, die suggereert dat hij het recht heeft om over te steken.

BARGEN (zn, mv) Koffers die meer bevatten dan de fabrikant of douanier ooit voor mogelijk had gehouden.

BARNEGATEN ( zn, mv) Stille klanten die onopgemerkt avond na avond aan de toog hangen en met een onzichtbaar gebaar kunnen bestellen.

BARWOUTSWAARDER (zn, verouderend) Functionaris belast met het bedenken van straatnamen, in de tijd dat een nieuwe aanwinst nog 'Prins Hendriklaan' genoemd werd en niet 'Lofoten' of 'Tepelhof'.

BAS-OHA (zn) De plechtige voordrachttechniek, toegepast door radiopresentatoren bij het voorlezen van door luisteraars ingezonden gedichten. 

BATHMEN (ww) Het beademen van de brilleglazen gevolgd door het schoonvegen ervan aan trui of shirt, opnieuw beademen om de resulterende pluisjes te verwijderen, enzovoort.

BAVEL (zn) Denkfout van een zeer bepaald type. U heeft zojuist een verstopte wasbak leeg laten lopen in een emmer. Uit de losgemaakte zwanenhals heeft u het vuil verwijderd en in de emmer gegooid. U gooit nu reflexmatig de emmer leeg in de wasbak. Wat was u vergeten? Eveneens vanwege een bavel wordt de verpakking van nieuwe vuilniszakken tweemaal weggegooid: de eerste keer in een afvalbak zonder vuilniszak.

BEATRIXKANAAL (zn,  medisch,  gynaecologisch) Bij zwangere vrouwen; medische indicatie voor keizerssnede.

BEDAF (bijw) Ernstig vermoeid door en opwindende liefdesnacht en de daar op volgende geestige opmerkingen van buren en collega's.

BEETGUMERMOLEN (zn) Het karakteristieke, repeterende bewegingspatroon van iemand die een velp (zd) probeert kwijt te raken.

BEERSCHOTEN (zn, mv) Het type klinkende winden waarvan je hoopt dat er lang over nagepraat zal worden.

BEERTA (zn) Jong meisje dat nu al net zo dik is als haar moeder.

BEETGUM (zn) Andermans kauwgum, aangetroffen onder het tafelblad, onder een theaterstoel, of bij het indoen van het verkeerde kunstgebit.

BELLINGEWEER (zn) In een bellingeweer raak je verzeild door eerst eindeloos en emotioneel afscheid te nemen van een groep mensen, om vervolgens terug te moeten keren  omdat je je jasje met mobi en sleutels bent vergeten.

BELLINGWEDDE (zn) Fooi waarvoor geen andere dienst wordt verricht dan voor u op een knop drukken. Dateert uit de tijd dat liftpersoneel de gast nog op de rug de trappen op moest dragen.

BELTRUM (zn) Sterk alcoholische drank, speciaal gemaakt om gedronken te worden te worden aan het slot van een braspartij wanneer als het drinkbare al gedronken is.

BENEDENHEUL (zn) De moeizame mannen-onder-elkaar toon van linkse politici en hoge vakbondsleiders als zij de basis op de werkvloer toespreken.

BERKEL (zn, maat) De vaste afwijking naar boven die winkelpersoneel hanteert bij het afsnijden van verse waar: 100 gram = 118,3 gram, bij een Nederlandse Standaard Berkel van 18,3 %.

BEUNINGEN (zn, mv) Treft men aan wanneer men een nieuw huis betrekt: de tientallen kleine gebreken die de vorige bewoner knap had weggewerkt met meubels en schilderijen. 

BILZEN (ww) Wat een slechtzittende slipje doet.

BINGELRADE ( zn ) Het korte stukje van een commercial dat later in het reclameblok nog even terugkomt

BLAASBALK (zn) Architectonisch geïntegreerd obstakel in interieurs of in winkelstraten dat u eerst voelt, en dan pas ziet.

BLADEL (zn) De oervervelende informatie in folders op het nachtkastje van uw hotel, en commerciëel proza in het algemeen.

BLATON (zn) Het extra geld dat een topman bedingt bovenop zijn topsalaris, en dat juist omdat hij het overduidelijk niet nodig heeft zijn capaciteiten als onderhandelaar nog eens onderstreept.

BLAUWVALLAAT (zn) Het verschijnsel dat na het overschilderen van een plafond of muur de oorspronkelijke kleur weer langzaam tevoorschijn komt. Blauwvallaat wordt pas geconstateerd als alle spullen weer zijn opgeruimd en de kamer is heringericht. Na nog een paar keer overschilderen is het leed meestal geleden. Nu heeft u echter zoveel kleurstof op de muur gedaan dat bij de volgende keer overschilderen in een fris, modieus kleurtje zeker weer blauwvallaat zal optreden.

BLOER (zn) De blinde vlek veroorzaakt door een flitsende camera, die langzaam kleiner wordt en terugkomt als u de ogen sluit.

BOCHOLT (zn) Het samenstel van kuchjes, plofjes en onzinteksten waarmee verlegen technici de geluidsintallatie testen.

BOEIJINK (zn) Dat ene moment waar bezoekers van formule-1 races en vliegshows eigenlijk voor gekomen zijn. 

BOEKEL (zn) Het Franse strandzand dat u na jaren terugvindt tussen pagina 25 en 26.

BOLNES (zn) Het geheime verlangen van een snoer of touw om een gezellig knotje vol knopen te worden.

BOMMELSKOUS (zn) De man die nu al vijfentwintig jaar brieven schrijft waarin hij de redactie een goed Nederlands woord voor ‘paperclip’ aan de hand doet.

BOMMERIG (bn) Zo voelt men zich na teveel eten, wetend dat boeren en winden straks onvermijdelijk zullen zijn.

BONGIER (zn) Psychische aandoening van kleine zelfstandigen bij het naderen van de belastingaanslag. Veroorzaakt breukelen (zd), en daarmee oponthoud in winkels.

BORGWORM ( zn ) Dat ene onderdeel van een zakmes, dat u niet uit kunt klappen zonder eerst alle andere onderdelen uit te klappen.

BORINAGE ( zn, oorspr. Frans) De kring van vingerafdrukken op de muur rondom een lichtknop, ook wel: het spoor van krassen rond een deurslot.

BORKEL (zn) Onwelriekend speldenknopje etensresten, dat bij het ontwaken in de mondholte wordt aangetroffen. Het is moeilijk de verleiding te weerstaan de borkel met de tong fijn te wrijven ( .... en inderdaad, als alle borkels smaakt ook deze naar dood nijlpaard).

BOTSHOL (zn) De plek op ieder TV-scherm waar de kijker even niet meer ziet of de bal richting huiskamer of richting doel gaat.

BOUT D' EN HAUT ( uitdrukking, Frans, typografisch) Aanduiding van wat er mis is met de foutgeschreven, gespiegelde hoofdletter N die op talloze viaducten en winkelruiten te bewonderen valt.

BOUWEL (zn) Het te nadrukkelijk nagebootste Amerikaanse accent waarmee Nederlandstalige D-jay's, computerexperts en motorsportverslaggevers tot vervelens toe aangeven dat zij mannen an de wereld zijn. 

BOXUM (zn)  De opgeplakte neusverbreder die topsporters gebruiken en boksers niet meer nodig hebben.

BOZUM (zn) Bierbuik in het eindstadium die noodzaakt tot op de tast urineren wegens onzichtbaarheid van de penis. Bozumdragers zelf beweren tegen beter weten in dat ‘goed gereedschap onder een afdakje hoort’

BREDELAAR (zn) Portier bij discotheek

BREUKELEN (ww) De tijdrovende en moielijk te doorgronden procedure die aankomende winkelmeisjes toepassen bij het uitschriven van een BTW-bon. Zie ook: Bongier

BREUST (zn) De dikke korst die zich vormt op de wanden van een schaal waarin een overschotel is klaargemaakt. Wordt in gevallen van bunkerte (zd) vers uit de ijskast genuttigd.

BRILTIL (zn) Een van de rubberen knopjes onder wc-brillen, ook wel: de neusafhouder tussen twee brillenglazen.

BROEKHUIZENVORST (zn) Man die vanaf zijn bankje in het park naar voorbij-joggende jonge vrouwen kijkt. Zie ook: Babylonieënbroek

BRUCHTERVELD(zn) Veldje dat vanuit de auto ideaal geschikt leek te zijn voor een picknick, maar bij het betreden vergeven blijkt van stoppels, distels en rode mieren.

BRUMMEN (ww) De toeschouwer naast u die dwangmatig meehumt met de kopersectie en daarbij met de vingertoppen op de stoelleuning de maat meetikt maakt zich schuldig aan brummen.

BUDEL (zn) Het geheime zakje dat uw treinkaartje opeet.

BUDSCHOP (zn) Volendamse voetbaltechniek. Trap met het linkerbeen, terwijl dat rechts naast het rechterbeen uitsteekt, en/of zelfs omgekeerd.

BUGGENUM (zn) In handleidingen en gebruiksaanwijzingen. Een buggenum is de onvermijdelijke verwijzing naar iets dat verder nergens wordt uitgelegd, of de beschrijving van een niet meegeleverd onderdeel. Succesvolle bedrijven als Ikea en Microsoft passen de buggenum bewust toe, om a) hun klanten nog eens terug te zien in de winkel, en b) zodat klanten de werkelijke ontwerpfouten pas later ontdekken.

BULKENAAR (zn) Voormalig lijder aan hevige acne. De genezing bestaat daaruit, dat de pusvulkanen van weleer vervangen zijn door een gelijk aantal kraters.

BULLEWIJK ( zn) De bullewijk nemen. Het onverwachte, woedende vertrek waarmee u diepe stilte, leegte en ontreddering beoogt achter te laten. Mist uw bullewijk z'n uitwerking, dan spreekt de achterblijvende partij van een klootwijk ( zd).

BUNKERTE (zn) De primitieve, onverschillige honger die zich om drie uur 's nachts aandient na stevig drankgebruik. Zie ook: Breust

BUNNIK (zn) Ieder elektrisch hulpje in huis bevat een bepaald aantal vitale onderdelen, plus op zijn minst één bunnik. Wanneer u de mixer hebt gerepareerd, een zekering hebt verwisseld of een fitting hersteld, dan betekent het vinden van een bunnik (een klein stukje kunststof van een willekeurige vorm) dat u weer helemaal van voor af aan kunt beginnen.

BUSSELEN (ww) Het bewegen als de wangen van een zeer dikke of hoogbejaarde buspassagier. 

 

C

 

CADIER EN KEER (zn; zn) Ruziestrategie waarbij na de rituele, afrondende belediging ( de cadier) men zich enige stappen verwijdert en in het omdraaien (de keer) nog een éénlettergrepig woord toevoegt.

CHAAM (zn, jiddisch) De overgeconcentreerde voorzichtigheid waarmee goj's in joods gezelschap bepaalde toespelingen proberen te vermijden, en die er toe leidt dat zij opeens per ongeluk spreken van een ' half besneden wit'.

CLARIONBREUKZONE (zn) Liederen die spontaan worden ingezet op bruiloften en partijen bevinden zich onveranderlijk in de clarionbreukzone. Meezingen is alleen mogelijk door een octaaf te laag mee te brommen, of een octaaf te hoog mee te piepen.

COLMONT (zn, taalkunde)  In woordenboeken, twee woorden die uitsluitend naar elkaar verwijzen zonder dat verder iets duidelijk wordt. Zie ook: Kinrooi, Baardwijk. 

COVIK (zn) Het hoefijzervormige kleedje rond een toiletpot.

CRAATS (zn) Ziekte waarvan je zelf niets merkt, maar die bij je vriend of vriendin verschrikkelijke jeuk veroorzaakt.

CROIJ (zn) De lege gezichtsuitdrukking die verraadt dat de betreffende persoon jouw naam totaal vergeten is, terwijl de oplossing toch zo eenvoudig was geweest: ‘Zeg, hoe heet jij ook alweer?’‘Bob’ ‘Nee ja natuurlijk, maar ik bedoelde je áchternaam’.

CRUQIUS (zn) Progressieve pedagoog die de verdiensten van zwarte scholen en spellingshervorming bezingt, maar zijn eigen kinderen veligheidshalve naar het gymnasium stuurt.

 

D

 

DADIZELE (zn) Iets wat getekend of geboetseerd is door een klein kind, en waarvan jij zou moeten weten wat het voorstelt.

DALMSHOLTE (zn) Een duidelijk te groot gat in kaas of brood, dat je doet vermoeden dat daarin ooit iets gewoond heeft.

DANIKEN ( ww) Het laat op de avond voeren van een onzinnig gesprek over UFO's en de oneindigheid van het heelal.

DARDANELLEN (zn, mv) Plaatjes met plastic ribbeltjes, waarop je drie keer een ander plaatje ziet als je het schuin houdt.

DASSELAAR (zn) Onduidelijk langwerpig dier dat vastgeplakt zit op het asfalt.

DAVERDISSE (zn) Een knetterende ruzie op de terugreis in de auto tussen een stel dat zich een hele avond in gezelschap heeft moeten koesthouden.

DEELSHURK( (zn) De onnodig gebogen houding van laatkomers die zich in bioscoop of theater langs de rijen worstelen, in de veronderstelling dat hun lichte bochel de andere toeschouwers visueel en lichamelijk ongemak zou besparen.

DEFTINGE (zn) Als iemand de woorden ‘soirée’ en ‘sorry’ op exact dezelfde manier uitspreekt, is sprake van deftinge.

DEINUM (zn) De onrust in het hoofd die onstaat door de absolute zekerheid dat je iets ooit wist,  en nu niet meer. 

DELWIJNEN (zn, mv) Vertegenwoordigersjargon voor de felgekleurde, laag-alcoholische dankjes waarmee even felgekleurde dertienjarige meisje zich op klassenavonden tot de nok toe laten vollopen. 

DENDERBELLE (zn) Het zingen van de rails, voor of na het passeren van een trein. In oudere jongensboeken wordt met het oor op de rails naar de denderbelle luisteren beschreven als een daad van heldenmoed.

DIDAM (zn, enk) Bij sjoelen, een steen die terugstuitert tot onder de dwarsbalk en opnieuw gegooid mag worden. Ook wel: een steen die terugstuitert tot onder de dwarsbalk, maar volgens de anderen zeker niet opnieuw gegooid mag worden.

DIFFELEN (ww) Van paarden; het kop-aan-staart met de tanden elkaars rug krabben.

DIKKELVENNE (zn) Zurig zwetende vrouw op leeftijd die u na een aantal geënsceneerde botsingen op de dansvloer een drankje aanbiedt.

DINTELSAS (zn) Een op niets gebaseerde goede stemming, die weldra het angstige voorgevoel doet ontstaan dat er straks iets verschrkkelijks te gebeuren staat. Ook wel: de uitgelaten uitdrukking van de komiek, vlak voor hij in de put zonder deksel zal vallen.

DIPHOORN (zn, enk)  Wordt op medische indicatie verstrekt aan mensen die dwangmatig in zichzelf praten. Lijkt spreken op een echte mobiele telefoon.

DOGGERSBANK (zn)  Dat gedeelte van het park waar hondenbezitters het mestoverschot van hun huisdier mogen dumpen.

DONGERADEEL (zn) Halve erectie, te groot om verborgen te kunnen blijven, te klein om voor iemand van nut te kunnen zijn. Naar waarneembare draagkant onderscheidt men een West- en Oost-Dongeradeel.

DONZEL (zn) De stukjes kleding die zich verzamelen in navels en vastklitten in okselhaar.

DOVE BALG ( bn; zn) Het beweeglijke lichaamsorgaantje dat schoonmoeders, oma's  en plakkerige aanbidders in staat stelt alles te horen, maar dichtslaat op het moment dat er toespelingen op hun vertrek worden gemaakt.

DOIJUM (zn) Groot brok ijs aan de dakgoot dat wacht tot er iemand naar buiten komt.

DREUMEL (zn) Sluw kijkend baasje met pijp dat tracht te suggereren dat het best wel eme kan koemn en op z'n minst toch groter is dan 1 meter 65. Ook wel: te jonge politieagent, te jong kamerlid.

DRIESLINTER (zn) Ontremde amateursporter, die het uiterste geeft zonder dat iemand daarom gevraagd heeft. Op drukke zomerdagen maakt de drieslinter in een gelijkgezind peloton de toeristische fietspaden onveilig. Hoogste ambitie van de drieslinter is zich gehuld in aerodynamische kunststof in het stadspark leeg te kotsen.

DRIETELAAR (zn) Irritante tafel of stoel, die op geen enkele manier met alle poten tegelijk de grond kan raken. Zie ook: Hompelvoet.

DRIMMELEN (ww) Verwijzend naar het haastige kriskras-patroon dat getrouwde mannen op zaterdagmorgen afleggen in de supermarkt.

DROGTEROPSLAGEN (zn, mv) De bedragen die winkeliers en fabrikanten bij de optellen bij de gewenste, uiteindelijke verkoopprijs, om vervolgens een aantrekkelijke korting te kunnen geven. Bij een tuinset van E 425,-, maar NU! voor slechts E 275,- was de drogteropslag dus E 150,-. De drogteropslag heeft er binnen het kapitalisme toe geleid dat iedereen alles koopt en verkoopt met rond de 25 % korting.

DRONGELEN (ww) Het kalm, behoedzaam voordringen in de rij zonder dat iemand dat merkt.

DRUTEN (zn. mv) Clubs oudere huisvrouwen die zich per bus laten transporteren naar televisiestudio's.

DUFFEL (zn) Het kurkdroge begroetingskusje binnen een versleten relatie.

DUSSEN (ww) Manier van converseren van een gesprekspartner, die jou voortdurend in de rede valt, om jou vervolgens omstandig uit te gaan leggen wat jij eigenlijk wilde zeggen. Zie ook: Maarssen.

DUTSEL (zn) Wat u 's morgens aantreft in uw ooghoeken.

DWORP (zn) Klein jongetje dat tot nu toe te weinig geslagen is.

 

printversie