overig werk

Kunt U Breukelen, deel 2, Eck en Wiel-Hunnecum

oktober 2003

E

 

ECK EN WIEL ( zn, zn, uitdr) De twee soorten gras waaruit een voetbalveld bestaat: de eck zorgt voor de lichte banen, de wiel voor de donkere banen daar tussen ( Grote Winkler)

EELDE (1) (zn) Handschoen waarvan de vingertoppen zijn weggelaten. Onder eskimo’s in gebruik als geschenk voor de aanstaande bruidegom. (2) (zn) Resten voetschimmel aangetroffen in sportsokken.

EELEN EN RAAN (zn, mv; zn) De twee componenten die babykleding bij elkaar houden. De eelen, verkleefde brokken droog voedsel, hechten zich aan een vochtig mengsel van jam en speeksel, de raan, en creëren zo een puur natuurlijk klittenband.

EIGENBILZEN (ww) De net niet onbeschofte manier om breeduit zittend de stoel naast je leeg te houden.

ELP (zn) Lettertype op electronische apparatuur, mobiele telefoons en winkelprijskaartjes: alle  tekens zijn samengesteld uit de streepjes van een vierkante acht, en ‘oisbobzobi’ is een telefoonnummer op Texel.

ENGELENVAART (zn) De bovenmodale snelheid waarmee scooterende jongeren zich nader tot God dan wel Allah begeven. 

ENUMATIL. Werknaam voor de nieuwe Europese standaardstekker die gegarandeerd in alle EU-landen in het stopcontact zal passen, op alle voltages werkt, en 14 kilo weegt.

EPPENZOLDER (zn) Zolder of grote bergkast de nieuwe bewoner van een huis aantreft.  De eppenzolder bevat uitsluitend voorwepen die geen zinnig mens zou willen bewaren: gebruikte roerhoutjes, kromme gordijnrails, vergeelde boeken voor de Christelijke Jeugd, etc. Het wonderlijke is dat de eppenzolder zich na ontruiming vanzelf weer vult met soortgelijke zaken. Vrijmarkten en fancy-fairs danken hun bestaan aan deze raadselachtige onuitputtelijkheid van eppenzolders.  

EREMBODEGEM (zn) De combinatie van echo en rumoer die omgeroepen mededelingen in stations, op vliegvelden en in winkelcentra onverstaanbaar maakt. Zie ook: Hoepertingen.

ERFKAMERLINGSCHAP (zn) Beruchte bron van irritatie op kantoren: wie krijgt na vertrek van een bepaald personeelslid diens kamer, stoel en plaats, en waarom? Vendetta's rond het erfkamerlingschap hebben ertoe geleid dat vertrek van een enkel personeelslid uiteindelijk escaleerde in een complete leegloop.

ERP (zn) Glimlach die duidelijk met een salaris is afgedwongen.

ERPENT (zn) Gefrustreerd fotomodel dat haar mensenhaat moet onderdrukken omdat zij bij nader inzien gekozen heeft voor het beroep van stewardess.

ERPS-KWERPS (zn) Conversatie beoefend door oudere echtparen in treincoupé's, die bestaat uit het pingpongend herkauwen van wat algemeen bekend is. Bijvoorbeeld: (a) 'We staan stil.' (b)' Ja, we staan stil.' (a) ' Misschien moeten we wel op een andere trein wachten.' (b) Ja, misschien staan we daarom wel stil.' (a) 'Kijk, daar komt een trein voorbij.' (b) 'Volgens mij was dat die sneltrein.' (a) 'Ja, dat was een sneltrein, want anders lieten ze ons niet wachten.' (b) 'Nou, dan zullen we zo wel weer verder gaan.' (a) ' Ja, als ie een tijdje voorbij is kunnen we weer verder.' (b) ' Kijk, daar gaan we alweer.' (a) 'Ja, daar gaan we alweer.' (b) 'Kijk, daar staat een jongen langs de rails met bakstenen te goo...'. Schrijvers van Nederlandstalig TV-drama hoeven niet met de trein te reizen, maar krijgen jaarlijks een speciale cursus Erps-Kwerps in hotel De Lage Vuursche. 

ESPEL (zn) De lichtbittere smaak van drukinkt en kunststof die een voor anderen makkelijk te openen verpakking in de mond achterlaat.

EUPEN ( zn, mv; ww) De serie kleine stapjes waarmee iemand die - in de politiek of in een gesprek- een serieuze tactische fout heeft gemaakt van totale afwijzing geleidelijk opschuift naar welgemeende instemming.

EUROPOORT (zn) Op vliegvelden, de speciale douanebalie waar reizigers uit EU-landen inmiddels weer net zo snel geholpen worden als toen er gewoon één balie was en geen Europese Unie.

EUVELGUNNE (zn) Een hoeveelheid eetbare zaken zo verdelen, dat het laatste extra stukje ongemerkt aan jouzelf toevalt.

EXLOËRKIJL (zn) Het veel te langdurig schudden van de dobbelstenen in de beker omdat je denkt a) zo de uitkomst te beïnvloeden b) dat niemand zich daaraan stoort

EXMORRA (zn) De meest misvormde van een willekeurige verzameling aardappelen.

 

F

 

FAAN (zn) Langwerpig kledingstuk, bijvoorbeeld een das, uitsluitend bestemd om bij popconcerten mee te wuiven.

FIJIBEKKEN (zn) Welvend achterwerk op fietszadel, dat passerend verkeer even doet omkijken of de voorkant van hetzelfde niveau is.

FIEMEL (zn) Het type toerist dat op reis in Indonesië klaagt dat niet alleen het wc-papier en de toiletpotten gestolen zijn, maar ook de planten waar dat viezige gietertje voor was. 

FILENS (zn) De interessante perspectivische verschuiving die u ziet als u snel langs een bos rijdt waarvan alle bomen keurig op rij zijn  geplant. Ook bij recht geploegde akkers kan het verschijnsel van filens zich voordoen.

FLANSUM (zn) Onbenullig stukje huisvlijt van een doe-het-zelver dat al het bezoek op een verplichte rondleiding komt te staan. 

FLERINGEN (zn, mv) Last hebben van .... Het idee hebben dat u gestoken wordt door talloze kleine insektjes of in een distel bent gaan zitten, terwijl er objectief gezien niets aan de hand is.

FLEURUS (zn) De geforceerd-vitale vrolijkheid waarmee mannen van boven de vijftig bekend maken dat zijn niet op stap zijn met hun dochter, maar met hun nieuwe vriendin.

FLIEREN (zn, mv) Stukken van oude cassettebandjes, repen plastic en ander luchtwaardig afval dat vast is komen te zitten in bomen, electriciteitspalen, hekken enz.  

FLOREFFE ( zn, Frans) De dubbele ademstoot waarmee boksers een beoogde doodklap kracht bijzetten. Baron Pierre de Coubertin stelde bij de Olympische Spelen van 1898 de 'floreffe' officieel verplicht, en schiep daarmee de enige nobele traditie die de Moderne Spelen heeft overleefd.

FOLLEGA (zn) Iemand die het op zijn werk altijd te druk heeft, maar waarmee blijkt nergens uit.

FOXEL (zn) Akelig, kort melodietje dat uw aandacht moet trekken voor een onverstaanbare mededeling.

FRAAMKLAP  (zn) De shots op televisie waar de geïnterviewde spreker opeens iets verder weg zit, en zijn lippen niet meer gelijk lopen met zijn tekst. 

FRANJEBUREN (ww) Een conversatie voeren uitsluitend om niet aan het werk te hoven gaan. Veel toegepast door werksters. Kunst is het gesprek onmiddellijk af te kappen met een welgekozen baflo ( zd).

FRANSUMMERVOORWERK (zn) Het lange vochtige spoor dat geliefden op elkaars buik en benen achterlaten alvorens subtiel tot reuken ( zd) te komen.

FTER (zn) Tragisch persoon die overduidelijk te grote ambities koestert, en in zijn omgeving gegeneerd zwijgen veroorzaakt over ( bijvoorbeeld) de geringe carrière-kansen voor tenoren met een hazenlip.

 

G

 

GAAG (zn) De groteske verkramping van iemand die verbijsterend nieuws verneemt. Een geheimzinnige aanval van gaag trof 17.000 schapen op Texel in 1954.

GALAMADAMMEN (zn, mv) Het type oudere koffiejuffrouwen, dat meent dat verreweg het belangrijkste deel van haartaak is om er verzorgd uit te zien.

GALDER (zn)  Stemming waarin je de wereld en al haar inwoners haat. Het prettige van galder is dat die spontaan ontstaat, en er dus geen vervelende oorzaak als invaliditeit, huwelijk of kanker in het spel is.

GARRELSWEER (zn) Wisselvallig weertype: regenachtig als u van plan was naar het strand te gaan, droog en zonnig in geval u wijselijk was thuisgebleven omdat u weet van het bestaan van garrelsweer.

GARIJP (zn) Halfweke in houd van een puistje, die zich zonder verzet in een spiralende sliert naar buiten werkt. Zie ook: Hardegarijp, Pampus.

GEFFEN (ww) Het enige malen bedachtzaam openen en sluiten van de mond door mensen die net bij de tandarts zijn geweest, en niet zeker weten of hun tanden nog wel met de goede kant omhoog staan.

GEISTEREN, ook wel GEESTEREN, (ww) Het ongevraagd netjes en ordelijk opbergen van iemands spullen, zodat de betreffende persoon opeens niets meer kan vinden.

GELDROP (zn) De zwarte, halfvloeibare substantie rond kindermonden, in verre hoeken van verwaarloosde keukenladen en in het nabbegat (zd).

GENK (zn) De man die ongevraagde handgebaren gaat maken als een vrouw probeert in te parkeren.

GEULHEM (zn) Mengsel va linksdraaiend melkzuur en daarin gedijende micro-organismen, dat zich afzet in damesslips. Het was een uitstrijkje van geulhem dat Anthonie van Leeuwenhoek tot de ontdekking bracht dat geulhem er ook onder de microscoop niet prettig uitziet. Zie ook: Aalsmeer, Putbroek

GINNEKEN (ww) Het paradoxale giechelen van mensen die zojuist op een haar na zijn verpletterd door een Londense bus of een grootstedelijke taxi.

GISTEL (zn) Een restje van de maaltijd dat je wegzet in de ijskast hoewel je heel goed weet dat je het nooit meer zult opeten.

GITS (zn) Het verschijnsel dat een Surinaamse hartchirurg minder zwart overkomt dan zijn tweelingbroer.

GOËNGARIJPSTERPOELEN (uitdr.) Wat de politie van Gasselterboerveenschemond u laat zeggen om te bewijzen dat u niet dronken bent.

GOOISE VAART (bn, zn)  De krampachtige manier waarop publieke omroepen een programma in elkaar zetten dat ook jongeren en allochtonen moet aanspreken. Er blijkt dan inderdaad een gemiddelde verjonging van het kijkerspubliek op te treden,  maar uitsluitend dankzij het afhaken van alle geschoolde kijkers van boven de 18.

GORP (zn) Geluid van tussen de 85 en 90 decibel, geproduceerd door een espressomachine.

GOTEM (zn) De slierten verkleefd haar, die zich vastzetten in de gaatjes van de afvoer.

GREUP (zn) Iets waar u op stapt, en dat bij nader inzien levend of half-vloeibaar blijkt te zijn.

GRIMBERGEN (ww) Bleek wegtrekken, ademen door de neus, mechelen (zd), de vuist ballen, de ogen halfdicht doen en dat alles om vooral niet te laten merken dat u woedend bent. 

GROENINGEN (zn,mv) Wat architecten van nieuwe wijken direct al op de tekening zetten, maar wat er in werkelijkheid pas over twintig jaar zo uit zal zien. 

GROESBEEK (zn) Het- speciaal voor kinderen- uitnodigende wandelpad van eendenkroos.

GRONSVELD (zn) Een donkere of lichte plek op de wand die u nog jarenlang herinnert aan de koekoeksklok die u in een opwelling hebt weggegooid.

GROOT OEKEL (bn; zn)  Klein Oekel (zd) dat u niet meer kunt verbergen door uw bord er overheen te schuiven en u zo dwingt tot het tactisch posteren van zoutvaatjes en lege wijnflessen.

GROTE BEERZE  (bn; zn) De paniek die Nederlanders overvalt als tijdens een boswandeling of survivaltocht het laatste ANWB-bordje inmiddels te lang geleden is

GRUBBENVORST (zn) Verwijzend naar een Sallands volksgebruik, waarbij een hoogbejaarde inwoner van de streek ( de Grubbenvorst) met varkensmest werd ingesmeerd en ingegraven ter bevordering vand e vruchtbaarheid. Zie ook: Grijzegrubben.

GRIJZEGRUBBEN (zn, mv) De enorme, vaak decennia oude meeëters die zich bevinden in de gezichten van hoogbejaarden.

GUTTEKOVEN (zn, mv) De twee lijntjes onder ieders neus. De beide koven begrenzen de gutte, het snotgootje dat door een evolutionair misverstand precies tussen beide neusgaten terecht is gekomen, in plaats van onder een van de twee.

 

H

 

HAINK (zn) Het korte moment van gedachtenloze verbazing bij het zien van een spookrijder. ' .....?'

HALFWEG (zn) Bij het u laten uitleggen van een route: het verschijnsel dat op een zeker moment het eerste gedeelte van de uitleg door het tweede gedeelte gewist blijkt te zijn. 

HAMMERFLIER (zn) Het vocht dat vleeswaren afscheiden als het te warm wordt.

HARDEGARIJP (zn) Garijp (zd) die zich enige tijd heeft kunnen verdikken en naar buiten treedt als solide bolletje. De ware liefhebber schiet de hardegarijp vervolgens met een ferme zuuk (zd) weg.

HARFSEN (ww) De neus snuiten zonder zakdoek: het ene neusgat met gestrekte wijsvinger dichtdrukken, de inhoud van het andere neusgat zijdelings wegsproeien.

HARMELEN (ww) Het draaien van middenstanders die, als u komt met een ernstige klacht, zeggen: ' Nou werk ik hier al vijftien jaar en u bent de eerste die het zegt. ', of  ' Ja, maar dan had u ook een knoflookpers voor linkshandigen moeten nemen.' 

HAZENHURK (zn) Iemand die de WC-deur ook op slot doet als er niemand thuis is. 

HEFSWAL (zn) Opbollend deel van het lichaam, veroorzaakt door te strakke kleding even verderop. Zie verder: Vlaardingen, Middelharnis, Strijp

HEGELSOM (zn) Het onverklaarbare en onvermijdelijke verschil tussen het verzamelde bedrag en het benodigde bedrag wanneer een grote groep mensen na de maaltijd samen de rekening probeert te betalen.

HEI- EN BOEICOP (zn; zn) 'Een .... hebben.'  Oud-Nederlandse uitdrukking, afkomstig uit een blijspel van Bredero, later door Van Kooten en De Bie gemoderniseerd tot 'pasgeneukt kijken'.

HEINIST (zn) Officiele titel van de raadselachtige bewakingsfunctionaris die op ieder snelwegviaduct te vinden is.

HEKSEL (zn) Moedervlek of wrat op steeltje.

HENDRIK-IDO-AMBACHT (zn) Beroep dat nooit heeft bestaan, en nu door zeer oude mannen wordt uitgeoefend in foto-studio's en op filmsets.

HENGFORDEN (zn, mv) De ruitvormige scharnieren waaruit de arm van een koekoeksklok of het inklapbare wijnrek is opgebouwd.

HERK-DE-STAD ( uitdrukking) Klassiek voorbeeld van Erps-Kwerps (zd) uit de Gijsbreght van Aemstel van Joost van den Vondel. Nadat het geruime tijd donker is geweest, de bomen zijn afgevoerd en een reusachtige stadsmuur uit de nok van het theater is komen zakken, draait Gijsbreght zich om, deduceert, combineert en trek fortissimo de enige juiste conclusie.

HERKINGEN (zn, mv) De parallel lopende sporen die u maakt door met een vork over het tafellaken, of met uw nagels over iemands rug te gaan.

HERNEN (ww) Wat je doet als je plotseling in de keuken staat maar niet weet waarom en al piekerend dezelfde route terug aflegt in de hoop op je vertrekpunt weer te weten te komen waarom je zojuist naar de keuken ging.

HERPEN ( zn, mv) De duizenden kleine blaasjes op de huid, veroorzaakt door een zonnig dagje in de vrije natuur.

HERWIJNEN (ww) Het demonstratief aan de mond zetten van een leeg glas om de aandacht van de gastheer te trekken.

HESPELAAR (zn, mv) Onder- of bovenlip, die door de tandarts met een welgemikte verdoving is verlamd.

HEUGEM (zn) De geur in weekendhuisjes. Veroorzaakt door vochtig stof of , in ergere gevallen, door stoffig vocht.

HINDERDAM (zn) De overtreffende trap van de verkeersdrempel, ingezet in gebieden waar de getergde bevolking massaal is overgestapt op fourwheeldrives. Zie ook: sluipwijk 

HOBOKEN (zn, mv) De blijkbaar onmisbare, maar volstrekt onduidelijke verzameling voorwerpen, die zwervers voor zich uit duwen in een gestolen winkelwagentje. 

HOGE HEXEL (bn, zn) Door niemand erkende therapeut die in roddelbladen geweldige successen boekt met de door zijn patiënten verzonnen ziektes.

HOENZADRIEL (zn, merknaam) Verboden drogerend middel in de bio-industrie. Een gepaste dosis zorgt dat kippen elkaar bij het leven al kaalplukken, wat een aanzienlijke besparing op de slachtkosten met zich meebrengt.

HOGE MORS, DE (bn; zn)  Instinctieve techniek om het territorium te markeren. Tijdens de verschoning slaat de baby toe en weet liggend op de rug urinesporen aan te brengen tot in de hoekjes van het plafond.

HOLSET (zn, oorspr. Anglo-Am. ) Geluidseffect toegevoegd om filmbeelden indringender te maken, hoewel er in werkelijkheid niets te horen zou zijn. Klassieke holsets zijn: piepende autobanden op zandwegen, luide ontploffingen in het heelal en vrouwelijke orgasmes in Tiroler films.

HOLLUM (zn) Tijd die je nog over hebt vóór een afspraak, die te kort is om nog iets te doen, maar lang genoeg om zonde van de tijd te zijn.  

HOMPELS (zn,  mv) Onderdelen die even groot, symmetrisch of passend zouden moeten zijn, maar in dit geval niet. Hompels zijn een belangrijke oorzaak van anorexia, echtscheidingen, en zelfmoord onder doe-het-zelvers.   

HOMPELVOET (zn) De opgerolde krant, het gevouwen tafellaken of bierviltje onder de poot van een wiebelende stoel of tafel.

HONDHANG (zn) Andermans onderlip waarvan u de binnenkant kunt zien.

HONG-KONG (zn) Automobilist die u hevig toeterend en flitsend naar de andere rijstrook dwingt.

HOOG KEPPEL ( bn; zn) Ronde kale plek bovenop het voorhoofd. Zie ook: Laag Keppel

HOOGCRUTS (zn, voetbaljargon) De zeer successvolle, vrijwel onzichtbare snelle stoot met de elleboog, die coaches van Oranje helaas niet mogen toepassen.

HOOGWATTUM (zn) Domme vraag, die door een acteur zeer luid gesteld moet worden om rekening te houden met de blinde televisiekijkers. Bijvoorbeeld na het vernemen van ' Schat, mijn rechterarm is afgezet'  vragen  ' Je WAT is afgezet???'

HOONTE (zn) De reden dat een ongeluk nooit alleen komt. Eerst is er de opluchting dat u zelf de andere kant op rijdt, dan de spanning hoelang de file op de andere baan zal blijken te zijn, dan het leedvermaak om de nog onwetende tegenliggers die binnenkort zullen stranden, dit alles gevolgd door een kettingbotsing op uw eigen weghelft, omdat iedereen daar - net als u - naast zich keek, en niet vóór zich. 

HOPEL (zn) Tweedehands auto uit de lagere prijsklasse, waarvan de kansarme bezitter met spoilers, aerodynamische streepjes en titanium velgen een status-symbool hoopt te maken.

HOPTILLE (zn) Iemand die dusdanig nodig moet plassen dat hij of zij voortdurend het gewicht van het ene naar het andere been verplaatst, is in het stadum van de hoptille. Zie ook: Krimpen aan de Lek.

HORPMAAL (zn) Het ontremde drie-gangen menu om tien uur 's morgens, naar binnen gewerkt door een slankelijner die aan al zijn dieetverplichtingen heeft voldaan door als ontbijt een theelepeltje kwark te nemen. Ook wel: illegaal gourmetten tijdens de Ramadan.

HUNNECUM (zn, Amerikaans) Bepaalde opvallend verkleurende chemische stof waarmee de Amerikaanse politie jonge kinderen bespuit, indien de verdenking bestaat dat zij op het kinderdagverblijf met sperma in aanraking zijn geweest.

 

printversie