![]() |
||
![]() |
overig werk
Kunt U Breukelen, deel 3, Ieper-Zwingelspaan |
![]() |
![]() |
oktober 2003 I IEPER (zn) De puntige uitsteeksels aan een boomstronl, waar de boom knapte voor hij helemaal was doorgezaagd. IMPE (zn) Het vlekje dat een verpletterd insect achterlaat op het plafond of in een dichtgeslagen boek, en dat achteraf nog hinderlijker blijkt dan een levend insect. INSCHOT (zn) Wind die de verkeerde richting kiest, en zich duizelijk hoorbaar door de darmen worstelt. ITTEREN (ww) Van TL-buizen, als zij worden aangezet: een combinatie van linkjes en lichtflitsen. J JABBEKE (zn, enk, toneeljargon) Een ….. doen. Al lopend met de ene voet tegen de hiel van andere aanschoppen, en zo overtuigend mogelijk een struikelende beweging inzetten. ( Zie ook: kaakhorn, spang) JEKER (zn) Landbouwerktuig, dat door boeren wordt gebruikt om mest en gier zo gelijkmatig mogelijk over de openbare weg te verspreiden. JIPSINGBOERTANGE (zn) Een stuk tuingereedschap dat u vindt in de schuur en waarvan volstrekt onduidelijk is waarvoor het dient. JISP (zn) De verkrampte slokbeweging veroorzaakt door het aanhoren van te gedetailleerde verhalen over hernia-operaties, of door het zien leegeten van een aleoeten-trog (zd) JONEN (zn, mv) Voorwerpen die gelijk van vorm en grootte zijn en tóch in elkaar passen, zoals bepaalde plastic tuinstoelen en winkelwagentjes. JOOL-HUL (zn) De kreten waarmee pubers elkaar aanmoedigen iets onwettiges of gevaarlijks te doen. JUTRIJP (bn) Ballerig studentenjargon voor wijfjesstudenten ( gleuven) met de veronderstelde bereidheid mee naar huis genomen te worden. JUURSEMAKLFT (zn) Bejaarde landbouwer op een fiets, met een schoffelachtig werktuig in de hand en een onduidelijkle kist achterop. De juursemakluft schijnt zijn dag door te brengen met het rijden van rondjes en wordt opvallend vaak aan getroffen in recente nieuwbouwwijken. K KAAKHORN ( zn, enk, toneeljargon) Een .. doen. De tegenspeler met de linkerhand bij de kin pakken, en met de rechterhand hard op de eigen linkerhand slaan. ( Zie ook: jabbeke, spang) KALE KLUFT (bn, zn) Kapsel waarbij boven het ene oor een lange pluk is gekweekt die bovenlangs naar het andere oor gevoerd wordt. KALSLAGEN (zn, mv) De onwillekeurige knip- en snijbewegingen in de lucht bij het zoeken nar een schaar of blikopener, alsof die zouden helpen. KAMERHOP (zn) Wat op den duur gaat groeien in het bier- en asmengsel in niet geretourneerde bierflessen. KAMERIK (zn) De eerste scheut van een klimop die er in slaagt het interieur binnen te dringen. KAVELINGEN (zn, mv) Kleine stukjes land, ingeklemd tussen spoorbanen en afritten, waar nu nooit meer iemand zal komen. KEER EN FLAAS (zn; zn) Iemand die bij het zoeken naar iets opnieuw begint te zoeken op plaatsen die al eerder zijn doorzocht ( de keer) is ten prooi gevallen aan keer en flaas. De flaas is het geirriteerd uitademen over de ondertanden. KEERSOP (zn) Speeksel dat kleine kinderen opkloppen door het een aantal malen tussen hun tanden heen en weer te zuigen. KELPEN (zn, mv) De kleine stukjes waar mensen naar zoeken als zij in hun zakdoek kijken. KERKDRIEL (zn) De treurigheid die de beschouwer bevangt bij het zien van een opgewekte, te netjes geklede Jehova's getuige. KILDER (zn) De volkomen misplaatste aanval van jaloezie wanneer blijkt dat óók uw ex inmiddels een ander heeft. KINROOI (zn) Baardwijk. KLEIN HOLTUM (bn; zn) Plotseling hongergevoel dat wordt opgewekt door een ronddraaiende kip aan het spit in een winkelstraat. KLEIN OEKEL (bn; zn) Gemorst eten, dat u camoufleert door zorgvuldig uw bord er overheen te schuiven, waarna u in een zeer ongemakkelijke houding ontspannen dooreet. Zie ook: Groot Oekel. KLOOTWIJK (zn), zie Bullewijk. KOEKANGE (zn) Het lawaai en de rare dansjes van dagjesmensen ten plattelande om de gewenste aandacht te krijgen van koeien, schapen en paarden. KOKKELERT (zn) Puist die zo afzichtelijk is, dat je er een pleister overheen moet plakken om te doen alsof je je gesneden hebt met scheren. KORTRIJK-DUTSEL (zn) De bewustzijnsvernauwing die mensen thuis doet komen met een te dure aanschaf. KRIMPEN AAN DE LEK (uitdrukking) Wanneer na het stadium van de hoptille (zd) het slachtoffer vooroverbuigt, de benen bij elkaar klemt en de beide handen in het kruis duwt, is er sprake van krimpen aan de lek. In dat geval mag volgens de hofetiquette Hare Majesteit een eind maken aan het gesprek, en wordt de ambassadeur ijlings naar het toilet gedragen. KROPSWOLDE (zn) De archetypische woede bij plattelanders die bovenkomt bij kritische opmerkingen over de jacht, of als bijvoorbeeld als een sinds kort in het dorp gevestigde KLM-piloot met een regen aan bezwaarschriften de verbreding van de provinciale weg saboteert. KRUISELWERK (zn) Op viaducten, spandoeken en flapover-vellen: woord of zin waarvan de letters naar het einde toe steeds kleiner worden, omdat het anders niet past. KUDELSTAART (zn) Lange pluk nekhaar die door oudere mannen over het hoofd wordt gelegd en op het voorhoofd vastgeplakt. KUIKHORNSTERTILLE (zn) Oude kleerhanger die enigszins is rechtgebogen en nu dienst doet als auto-antenne. KUISEIND (zn) Het kledingstuk dat een striptease-artiest draagt onder het kledingstuk waarvan iedereen zeker wist dat dát het laatste was. KUSEMERBALK (zn) De onwaarachtige, geloeide tekst van actrices in pornofilms. KUTTIGEN (zn, mv) De nadrukkelijke stukjes zwart, die tussen de scenes van pretentieuze documentaires gemonteerd worden. KWAADMECHELEN (ww) Nog even mechelen (zd) terwijl u eigenlijk al van plan bent tegen iets aan te gaan schoppen. L LAAG KEPPEL (bn, zn) Ronde kale plek, al aanmerkelijk verder over het hoofd gezakt dan de aanvankelijek Hoog Keppel (zd). LAARD EN SAARD (zn; zn) Al het vuil in de wereld is in twee soorten verdeeld. Laard is het donkergekleurde vuil dat zich op een lichte ondergrond hecht, saard het wittige vuil dat een voorkeur heeft voor een donkere ondergrond. Iedereen die bij een diner ewel eens puree op zijn smoking heeft gemorst en vervolgens chocoladesaus op zijn smoking deponeerde weet a) alles van laard en saard en moet b) minder gaan drinken. LAGERDOES (zn) Beenhaar dat zich via de binnenkant van de dij verenigt met het schaamhaar. Zie ook: Opperdoes en Schalkhaar LALLEWEER (zn) Doorzichtige kop in een roddelblad, die -hoewel iedereen de truc doorheeft- toch een kort gevoel van sensatie weet op te roepen. LAMSWAARDE (zn) De lamswaarde van dranken is er de oorzaak van dat matige mensen zoals u onvoorzien en tegen hun wil dronken worden. Bepaalde mixen en cocktails hebben een lamswaarde die hun alcoholpercentage verre overtreft. LANGELILLE (zn) Dongeradeel (zd) dat die kwaliteit van nature heeft. LAVIJBOS (zn) Het minieme stukje bos dat hoort bij een parkeerplaats alngs de snelweg, en door toeristen ten onrechte voor toilet wordt aangezien. LEENSTERTILLEN (zn, mv) Door literaire critici en recensenten woordelijk vermelde pointes uit een boek of theaterstuk om a) zelf beter voor de dag te komen en b) het publiek een aantal [prettige verrassingen te besparen. LEMMER (zn) Het slappe stukje rood koord dat geacht wordt in musea vandalen bij de kunstwerken weg te houden. LENDELEDE (zn) Het verlammende resultaat van een verkeerd ingeschatte lamswaarde (zd) LEUTH (zn) De vrolijke stemming in een clubje Rotarians. LIEROP (zn) De geheimzinnige techniek waarmee touw in fabrieken tot bolletjes wordt gerold die niet spontaan uit elkaar vallen. LENGEL (zn) Lange stok met oog om bovenramen te openen of zonweringen te laten zaken. LEUGNIES (zn) Allergie bij kinderen, die ontstaat door contact met kleurstoffen, met ouders, of met klasgenoten die het al hebben. LOBITH (zn, archeologie) Verzamelnaam voor onderkaakfragmenten an menselijke oorsprong. Vanwege hun roekeloze manoeuvreren met primitieve vlotten op de Rijn spoelden sommige Batavieren pas eeuwen later, als Lobith, ons land binnen. LOENEN (ww) Kijken op een manier die de omstanders duidelijk moet maken dat je niets wilt zien en voklstrekt niet betrokken bent. Geloend wordt door dierenliefhjebbers die hun hond uitlaten voor andermans deur, door kassameisjes die geduldig wachtenj tot de klant eindelijk zijn pinpasje heeft gevonden, en door geemancipeerd mannen die rustig voor het groene stoplicht wachten tot hun echtgenote de eerste versnelling geovonden heeft. LOKER (zn) De handlanger van gokkers op straat, die op onverklaarbare wijze steeds won, terwijl u steeds verloor. LOTENHULLE (zn) De door u weg te krabben grijze substantie waaronder zich uw persoonlijke geluksnummer bevindt. Zie ook: Lutjepost. LOVENJOEL (zn) Synoniem van Ohé en Laak, zd. LUITER (zn) Straatmuzikant zonder artistiek bestaansrecht, die niet verder komt dan jammeren en stokkelen (zd). LULA (zn) Favoriete daskleur van Amerikaanse toeristen. LULL (zn, mv Lull-en) Vakterm voor foute afbrekingen die door zetcomputers gemaakt worden. LUTJELOLLUM (zn) De veelbetekenende korte pauze, waarmee cabaretiers op leeftijd het publiek op leeftijd duidelijk maken dat er zojuist een grap is gemaakt. LUTJEPOST (zn) Brief die u vertelt dat u zojuist benmt doorgedrongen tot de tweede ronde van het Grote Voorjaars Prijzenfestival. LUTJEWINKEL (zn) Door ouder echtpaar gedreven buurtzaak, voornamelijk bezocht door vergeetachtige mensen met plastic tassen van Albert Heijn. LUTTEN (zn, mv) Korte aantekeningen zoals initialen, telefoonnummers en adressen waarvan je niet meer weet warom ze in je agenda staan. M MAARSSEN (ww) Het toepassen van een discussietechniek die van elke oplossing een nieuw probleem maakt. (a) 'Wil je een kopje koffie?' (b) ' Nou, je hoeft niet speciaal voor mij te zetten hoor.' (a) 'Geeft niks, ik heb zelf ook trek in koffie.' (b)' Maar niet te sterk hoorm, anders heb ik liever thee.' (a)' Nou ja, dan zet ik sowieso even thee voor je.' (b)' Voor mij hoef je al die moeite niet te doen hoor, heb je ook fris?' MAGRETTE (zn) Trendy woord voor fitness-centrum. MAKKUM (zn) Het samenstel van gebreken dat ambachtelijk vervaardigd aardewerk zijn meerwaarde verleent, zoals gaten in het glazuur, scherpe uitstulpingen en geringe stapelbaarheid. MAURIK (zn) Ernstig gewonde kat die moeizaam uit de bosjes wordt gelokt, en alleen maar krols blijkt te zijn. MECHELEN (ww) Het toonloze fluiten en en neurien door erg boze mensen. MEDDO (zn, exotisch) De oude Japanse kunst van het opvouwen van wegenkaarten. MEDEMBLIK (zn) De blik die mensen in treincoupe's, winkels en wachtkamers elkaar onwillekeurig toewerpen bij het zien van een debiel of mongool. MEPPEL (zn) Het bruusk achteruit bewegen van de arm, gevolgd door bedachtzaam krabben op het achterhoofd. Veel toegepast om medescholieren en bejaarden de stuipen op het lijf te jagen. METSLAWIER (zn) Het bijgerecht in het vegetarische restaurant dat u aanvankelijk bij de kamerplanten had ingedeeld. MERM. De nooit te voorspellen tijdsduur waarin in een u onbekende douche accelereert van 30 naar 95 graden celsius, waarna het niet meer mogelijk is om zonder brandwonden bij de koude kraan te komen. MIDBUUL (zn) Vetkwab onmiddellijk boven de broekband. MIDDELHARNIS (zn) Te strakke broek, herkenbaar aan de resulterende midbuul (zd). De middelharnis staat in minder beschaafde delen van de lage landen bekend als liplezer. MIDDELKOOP (zn) Het eindbedrag bij loven en bieden dat beide partijen direct al konden weten, namelijk het gemiddelde van de eerste vraagprijs (X) en eerste biedprijs (Y), waarbij de middelkoop (M) dus gegeven wordt door M= 0,5 x (X+Y). Helaas wordt de middelkoop zelden direct genoemd, omdat beide partijen tot het eind toe blijven hopen dat de ander dom is. Het IMF schat dat de tijd die wordt besteed aan tevoren bekende middelkopen de Derde Wereld rond 5 % economische groei per jaar kost. MIDLUM (zn, taalk.). Begrip dat alleen omschreven kan worden door twee woorden het allebei niet zijn, zoals Noord-West, Oranje-Rood, Jong-Belegen, Europees Parlement. MINKELOOS (bn) Beschrijft de half-jaloerse blik die winkelende vrouwen werpen in de etalages van te dure klerenwinkels. MOESKROEN (zn) De drabbige substantie die zich afzet tegen de zijkanten van een enige dagen geleden geopend blik, of onder de dop, aan de dop en rond de dop van een ketchupfles. MONOBLOK (zn) Flatgebouw waar u blindelings naar toerijdt, waar u zich met vier kamerplanten de lift inworstelt, vervolgens aanbelt bij het nummerwaar u zijn moet, en daar ontdektdat u in een ander flatgebouw had moeten zijn dat er net zo uitziet in een wijkl die er net zo uitziet. MOOK (zn) Een verpletterend gevoel van stupiditeit, bijvoorbeeld even nadat u de voordeur van uw woning hebt dichtgetrokken, waar aan de binnenkant de sleutels nog inzitten, zodat u ook niet bij de reservesleutels kan die u nooit aan de buren hebt gegeven. MOORSEL (zn) Het verschijnsel dat donker gekleurde mensen wittere tanden lijken te hebben. MORIAANSHOOFD (zn) Jonge westerse toerist die reiziger genoemd wil worden omdat híj naar Bangla Desh kwam met een gitaar. MORRHA (zn) De angst te weinig aardappels te hebben geschild. MUNNEKEMOER (zn) De laatste moer die u nog los moet draaien om uw fiets te kunnen repareren, maar die niet wil. De populaire wetenschap stelt dat u in dat geval uw fiets enige dagen in Coca-Cola moet laten weken. MUNO (zn) Het streepdunne bakkebaardje dat voor het eerst verscheen bij Italiaanse profvoetballers. MUNSTERBILZEN (ww) In openbare toiletten: het haastig van hokje naar hokje lopen, op zoek naar een toilet met een slot, met papier, met een bril en zonder bruine strepen op de muur. N NABBEGAT (zn) Spleet tussen ijskast of fornuis en aanrecht. Hoewel niet groot genoeg om schoongemaakt te worden, bevat het nabbegat aanzienlijke hoeveelheden geldrop (zd) en moeskroen (zd) NABBEN (zn, mv) De verticale druipsporen op de zijkant van fornuizen of de voorkant van kleine kinderen. NAPELS (zn, mv) De kleine kuiltjes in een stuk knaeckebrod. NEDERBIEL (zn, enk) Het goedkope gedeelte van spel- en TVshows, gevuld met het aankondigen en voorbespreken van het duurdere gedeelte, waarin soms dingen gebeuren. NEEROETEREN (ww) Jezelf met een dubbele spiraalmatras door het trapgat naar beneden worstelen. NEERLINTER (zn) WC- of keuken-rol die is opgehangen op de enige juiste manier, namelijk, met het losse eind van de muur áf. NIFRTIK (zn) Blase kindje van de Montessorischool, dat alles al heeft gezien en overal geweest is en later headhunter wil worden. NISPEN (ww; zn, mv) Het geheel van aanmoedigende knikjes, welgemeende pauzes en 'uh uh'-geluidjes dat een gezelschap produceert wanneer een ernstige stotteraar zijn verhaal probeert te doen. NOLLEN (zn) Stevige jongemannen die op bruiloften nadrukkelijk rondhangen bij de bruid, als om aan te geven dat zij haar nogal grondig kennen. NORG (zn) Bittere, wraakzuchtige nostaligie. ' Ik wil niet discrimineren, maar vroeger was dit een hele nette buurt.' NOTEL (zn) Het enige hotel in de wijde omgeving dat volstrekt toevallig nog een tweepersoons bezemkast voor u vrij had. NUIL (zn) Een steentje dat fraai glansde toen het nat was, maar nu gewoon een aledaags steentje is, van het soort waar kinderen hun tassen en koffers mee vullen aan het eind van de vakantie. NULDERNAUW (zn) De verlammende faalangst die eindexamenkandidaten bevangt als zij een Nederlands spreekwoord moeten afmaken. NIJNSEL (zn) De talloze kleine verstoringen in het interieur van een woning, die onmiddellijk verraden dat daar een kind geboren is. NIJSWILLER (zn) Fanatiek liefhebber van rockanje (zd) O OBBICHT (zn) Het ongemakkelijke gevoel veroorzaakt door een fout ingebrachte tampon. OBERGUM (zn) Niet bestaand voorwerp. Ook is het zinloos om een ober om een potlood, pen of een stukje papier te vragen. OEFFELTE (zn) De prettige koelte van de onderkant van het kussen. OEGSTGEEST (zn) De oegstgeest is hij die de spanning van een spiritistiosche seance negatief beinvloedt door hoesten en winden laten. OENSEL (zn, enk) Wat niemand ooit voor zichzelf zou kopen maar als kado onuitroeibaar blijkt, zoals kerstpakketten, in polyester gedoopte spijkerbroeken die dienen als plantenbak, Beaujolais Primeur, etc. OETELAAR (zn) Schakelaar die in beide standen uit is. OHE EN LAAK (zn;zn) De luidruchtige reactie die operapubliek produceert na afloop van een voorstelling. De toejuichingen - het ohe- horen volgens de traditie gepaard te gaan met het nodige afkeurend egjoel- de laak. De laak laakt de onverstaanbaarheid, het houterige acteren en de gewrochte plot. Waar het 'ohe' op gebaseerd is weten alleen operaliefhebbers. OLDENEEL (zn) Door toeristen veroorzaakte neo-nostalgie. In een dorp waar de parkeergarage bestraat is met natuursteen, het AlbertHeijn-filiaal een ijzeren uithangbord heeft en de benzinepomp een rieten dak, heeft het gemeentebestuur overduidelijk last van oldeneel. OLEN (ZN, MV) De niet zo humoristische knipsels uit kranten die op de kantoormuur worden geprijkt. Het geestige van het knipsel is volgens de oling (zd) dat in de kop de naam van een van de mensen van het kantoor voorkomt. OLING (zn) Vroeg oudgeworden persoon op een kantoor, die zich intensief bezighoudt met het verzamelen van olen (zd). Tevens is de oling degene die nauwkeurig de verjaardagen bijhoudt om de gebakstoevoer veilig te stellen, en degene die zich al weken van tevoren verheugt op het ophangen van de kerstversiering. OMMEN (ww) Uit pure levensvreugde een extra rondje met de draaideur maken. ONNEN (zn, mv) Soortnaam van dingen die u nodig hebt vlak nadat u ze hebt weggegooid. Bijvoorbeeld: op zolder bent u jarenlang gestruikeld over een enorm stuk karton en een kluwen paktouw. UIteindelijk besluit u het zaakje aan de straat te zetten. Nog geen 24 uur later moet u dringend uw computer laten repareren, en herinnert zich dat u gelukkig op zolder nog een groot stuk kart.... OOL (zn) Enkelvoud van olen, zie daar. Olen komen in de praktijk uitsluitend in groepen voor. OOLTGENSPLAAT (zn) Prikbord op kantoor waarop olen (zd) worden aangetroffen, verkleurde ansichten met 'Groeten uit Ibiza' en stickers met teksten als ' We zijn wel tot uw dienst maar niet in uw dienst' en 'Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken maar het heplt wel'. OORDEELHEIKANT (zn) Ruzies over de oordeelheikant verklaren voor een groot deel het (orenschijnlijk) doelloze geschreeuw van bouwvakkers. OOSTERBIERUM (zn) Drinkspel van russische oorsprong, ook populair in Noord-Nederland: een glas bier gaat rond in gezelschap, iedere slok wordt aangevuld met jenever. Als de inhoud van het glas geheel uit jenever bestaat wordt iedere slok weer aangevuld met bier. Enzovoort. Het spel eindigt als alle aanwezigen geheel uit alcohol bestaan. OOSTERBLOKKER (zn, verouderd) Huishoudelijke winkel achter het voormalige IJzeren Gordijn, waar destijds uitsluitend badstoppen werden verkocht, en in oneven jaren bezemstelen. OOSTERHESSELEN ( zn ) De langdurige procedure die in het voormalige Oostblok voorafgaat aan het feitelijke zakendoen, zoals de aanleg van tankgrachten rond het kantoorpand, het vergelijken van offertes van de Staatveiligheidsdienst en de mafia, plastische chirurgie en een onderduikadres. OPPERBIEL (zn) Onvervulbaar ambtelijk verlangen, paradoxale opdracht. Bijvoorbeeld het schriftelijke verzoek in telefooncellen om in geval dat het toestel defect is onmiddelijk KPN te bellen, de wettelijke maximumsnelheid, het bord dat overstekend wild verbiedt de snelweg over te steken, en advertenties die verklaren dat analfabete vrouwelijke allochtonen voorrang zaullen krijgen bij hun sollicitatie. OPPERDOES (zn) Lichaamshaar dat zich bevindt op rug en schouders. Zie ook: lagerdoes, schalkhaar. OPPERDUIT (zn) Het extra bedrag dat u spontaan aan het kassameisje geeft om haar het teruggeven makkelijker te maken, waarmee u voor enorme verwarring zorgt. Zie ook: termunten. OSPEL (zn) Dwangmatig vlotte psalmbewerking, die in de zeventiger jaren verondersteld werd de leeglop van de kerken et zullen stuiten. OTERDUM (zn) Iemand die ook na het behaken van zijn frijbewijs de verkeersregels naar de letter blijft toepassen. OTERDUMMERWARREN (zn, mv) Bejaarde automobilisten die nog nooit iets van eht fileprobleem hebben gemerkt. Dit vanwege hun altijd al lage gemiddelde snelheid en het feit dat zij gewend zijn aan de kop van de file te rijden. Zie verder: terneuzen, tragel. OTERLEEK (zn) Iemand die de verkeerde vinger opsteekt bij het maken van een 'fuck you'-gebaar OTHENE (zn, enk) Stukjes van een antieke ruïne die alle toeristen meenemen omdat toch niemand het zal merken. Tevens de reden dat de betreffende ruïnes zijn ontstaan. OUD ALBLAS (bn; zn) De minieme bubbeltjes in modern geproduceerd glazen servieswerk. OUD TURNHOUT (bn; zn) Goedkoop hout van spontaan omgevallen bomen, waarvan lucifers, tandenstokers en ander spontaan brekende gebruiksvoorwerpen gemaakt zullen gaan worden. OUDE PEKELA (bn; zn) Nooit beantwoorde jeugdliefde die tientallen jaren blijft schrijnen. OUDE STRUMPT (bn; zn) Gistel (zd) drie weken later. OUD VERLAAT ( bn, zn, enk) De tijdloze dagdroom waarin u terechtkomt bij het opruimen en ordenen van oude foto’s en liefdesbrieven, en waaruit u uren later wakker wordt zonder te hebben opgeruimd of geordend. OVERFLAKKEE ( zn) Het verschikken van de benen door een dame die beseft dat ze inkijk heeft. OVERSCHOT (zn) Wind die, na even verzitten, nog een interessant vervolg blijkt te hebben. OXE (zn) Het fout geplaatste en nu doorgestreepte, zo onherkenbaar mogelijk gemaakte kruisje op een formulier. P PAMPUS (zn) Zeer week geworden garijp (zd), die voor onverwachte vlekken op de spiegel zorgt. PANNINGEN (zn, mv) Defecten aan gebruikte auto’s waarvoor in Amerika een speciale spray of olie is ontwikkeld, zodat uw tweedehands zelfs in een vrieshuis nog start, maar daarbuiten nog steeds niet remt. PASSEWAAY (zn) Rondslingerende rafel van een gescheurd kledingstuk, vaak aangetroffen op stranden, in parken en docentenkamers. PEURSUM (zn) Donkere, kneedbare neusinhoud. PIAAM (zn) Het knopje bovenop een vlaggenstok PINGJUMER-RIGE (zn) Dans beoefend op straat. De partners naderen elkaar en proberen beleefd te ontwijken. Zij stappen naar links, stappen naar rechts, excuseren zich, stappen weer naar links, botsen tegen elkaar en herhalen dit zo vaak als onnodig. PLANKENWAMBUIS (zn) Het houten of aluminium platform rond een gebouw, ondersteund door steigers, vanwaar bouwvakkers (vrijwel zonder persoonlijk risico) cement en brokken steen naar voorbijgangers kunnen gooien. PLANKRAAI (zn) De weinig overtuigende kreetje van verbazing die een volwassenen maakt als door een kind een klein oninteressant voorwerpje wordt aangeboden. POLLEUR (zn ) Eén van de laatste 276 medewerkers op de aftiteling van speelfilms, van wie de naam te snel voorbijkomt om gelezen te kunnen worden. POLSBROEK (zn) Door liefhebbende tante gebreid, slobberig kledingstuk waarvan de toepassing niet onmiddellijk duidelijk is. POORTUGAAL (zn) De saaiste persoon die u op vakantie ontmoette. Ook de enige die niet begreep dat het uitwisselen van adressen bij vertrek een sociaal ritueel is en geen uitnodiging om op te bellen of drie maanden later opeens voor de deur te staan. POPPEL (zn) Steek uw wijsvinger in uw mond, trek daarmee uw wang naar voren en laat die wang weer schieten. Wat u hoort is een poppel. POPROEDENAMBACHT (zn) Uitoefenen van het ... : het ontwerpen van gestyleerde geslachtsorganen voor etalagepoppen en kinderspeelgoed. PORTENGEN (zn, mv) Ieder openbaar gebouw of groot bedrijfscomplex dient op z'n minst tien portengen te bevatten; verraderlijke deuren die opengaan naar de kant waarvan u het niet verwacht. PRICKART (zn, textieljargon) Die ene speld in uw nieuwe overhemd die u pas vindt als het te laat is. Het aanbrengen van een prickart is een van de weinige manieren waarop sweatshop-medewerkers in de Derde Wereld hun ongenoegen over het loonniveau kunnen uiten zonder te worden geslagen. PURMER (zn) Het kleurverschil tussen het deksel van de verfpot, en diezelfde verf eenmaal bij u thuis op de muur. PUTBROEK (zn) Slip(je) aangetast door aalsmeer en geulhem ( zd) PUTTERSHOEK (zn) Afwijking die een golfbal gaat vertonen zodra er andere mensen kijken. Q QUATREBRAS ( zn, Frans) De sexuele techniek waaraan Zuid-Europeanen hun grote naam als minnaars te danken hebben. Van de twee partners ligt de ene bovenop en houdt de ander de armen van de vrouw in bedwang. QUENAST (zn) Een persoon waar niemand ooit van gehoord heeft en die naar verluidt zijn brood verdient met het schrijven van voorwoorden. QUIRIJNSSTOK (zn) De enorme metalen kurkentrekker waarmee arbeiders grondmonsters nemen, en Friese ijsmeesters watermonsters. R RAAMSDONK (zn) Het dwangmatig bonken door toeschouwers op ramen van dierenverblijven, dat reptielen doet vluchten in geveinsde winterslaap. RAATH (zn) Perfect gezond knaagdier dat spontaan kanker ontwikkelt zodra het in een laboratorium wordt gezet. RASQUERT (zn) Vaardige typiste zie zich boven het niveau van tikgeit heeft uitgewerkt. RAUWBROKEN (bn) Uitgeput en leeg zijn, nadat een dag lang het Nederlandse belastingsysteem aan je is uitgelegd. RETRANCHEMENT (zn, Frans, schermjargon) De snelle manoeuvre waarbij de ene schermer op de tafel springt en van boven de open haard een strijdbijl wegrukt. REUKEN (ww) Oud-Nederlandse term voor het beoefenen van soixante-neuf. REUTJE (zn) De stilte die ambitieuze randfiguren laten vallen na het noemen van d enaam van een Bekende Nederlander, waarna op vanzelfsprekende toon haastig de achternaam volgt, want wie dacht u anders? 'Zo zag ik gisteren nog Peter-Jan.... Balkeneinde en Xaviera... Den Hollander en die .... ' RIXTEL (zn) Het klepperende stukje karton, aangebracht tussen de spaken van een fiets. ROCKANJE (zn) Duidelijk Nederlandse poging tot popmuziek. ROELAGE (zn) De hoeveelheid slaag waarop iedere inwoner van Noord-Korea volgens de grondwet recht heeft. ROLDUC ( zn, Frans, schermjargon) De snelle draai waarmee een liggende, verslagen schermer het wapen van zijn tegenstander een halve meter diep in de grond doet belanden. ROLLECATE (zn) Goed gelukte afdruk in zahcte bodem van een bandenprofiel, zoals bijvoorbeeld een eindeloze reeks puntgave V's van een tractor op een zandpad. RUITEN A (zn, zn) Kleine vrachtwagen met opbouw voor het vervoer van glas. RUMPEN (ww) Het verschijnsel dat twee vechtersbazen, zoor het slaan begint, eerst enige tijd met de borst tegen elkaar opbotsen. RUWIEL (zn, Ned.) Fiets waaraan allerlei essentiële onderdelen ontbreken maar die desondanks zeer goed op slot lijkt te zijn gezet. RUWIEL (zn, Vlaams) Taaleigen synoniem voor mountainbike. SASPUT (zn) Studentikoos woord voor wasbak, en de reden waarom veel studenten ook na hun afstuderen voor de volle tijd van het tandenpoetsen de kraan laten lopen, terwijl ze alleen in de laatste vijf seconden een slok nemen en hun borstel afspoelen. SASSENHEIM (zn, Oostenrijks) Gemoedelijk familiepension waarvan de eigenaar zo duidelijk niet over politiek wenst te praten dat zijn politieke voorkeur direct duidelijk is. SAUWERD (zn) Degene die na het bekend maken van de hegelsom (zd) uitroept: ' Maar ik heb alleen tomatensoep gehad'. SCHAFFELAAR (zn) Het klassieke beschuitje dat met de jamkant naar beneden op de grond valt. SCHALOEN (zn) Het type snorloze ringbaard, gedragen door Belgische monniken en oudere leraren Duits. SCHAGEN (zn) Tegen beter weten in aan het werk gaan met bot en versleten gereedschap. SCHALKHAAR (zn) De zone waarin het verschil tussen buikhaar en schaamhaar niet duidelijk is. Hoewel vrouwen in het algemeen minder trots op hun schalkhaar zijn dan mannen, dragen juist zij de minieme broekjes die het openbaar maken. Zie ook: Opperdoes, Lagerdoes. SCHALUINEN (ww) Bij drinkers in gevorderde staat van dronkenschap: eerst het hoofd draaien, en pas later de ogen in dezelfde richting zetten. SCHELLEBELLE (zn) Het meisje dat onwaarschijnlijk mooi was, tot het moment dat ze begon te praten. SCHERPENZEEL (zn) Zelfkennis, glashelder tot in het kleinste detail, die ontstaat door teveel drinken. SCHEVENINGEN ( zn, mv) De spontaan ontstane paadjes in hoeken van plantsoenen en in parken, waarmee voetgangers hun weg wensten te bekorten. SCHIN OP GEUL (uitdrukking) Rijtjes omgevallen dominostenen en leistenen op het dak liggen keurig ' schin op geul'. SCHINNEN (ww) Een arm uit het raam van een een snel rijdend voertuig steken en evrvolgens doen of je hand een vliegtuigvleugeltje is. SCHOORL (zn) Type kleine jachthond, getraind in het opsporen van menselijke geslachtsdelen. SCHULPSTET (zn) Het kleine bobbeltje in de broekband van je zwembroek of in de onderrand van je regenjas, dat je vertelt dat je nu een half uur met een veiligheidsspeld aan de slag moet om het touwtje weer tevoorschijn te peuteren. SELISSEN ( zn, mv) De speeltje tussen voortanden waar sprakelingen (zd) zich verzamelen. Vandaar ook: term voor de op straat of in stallingen geplaatste blokken, waar het voorwiel van een fiets in past. SIBBE (zn) Iemand die jou ernstig irriteert door zich voortdurend te verontschuldigen voor het feit dat hij lastig is. SLEEN (zn) Het halfronde geultje dat een bungelende haak met eindeloos geduld in de muur heeft geslepen, of een oude kerkdeur in de vloer. SLUIPWIJK (zn) Het veel grotere probleem dat onstaat zodra ergens een sluiproute van verkeersdrempels wordt voorzien. Zie ook: Hinderdam SLOCHTEREN (zn) De aanpak die zorgt dat een maximale hoeveelheid koeien zo snel mogelijk in een veewagen stapt. SLUFTER (zn) Iemand die een gesprek met je voert, maar ondertussen over je schouder kijkt of er niet een interessanter iemand in de buurt is. SMAST (zn) Degene die ook bij het eenvoudigste spelletje badminton meent de shuttle onbereikbaar langs je heen te moeten slaan. SMEERMAAS (zn) Het onzichtbare gat in werkkleding, waardoor in niet waarneembaar tempo olie, verf en vet binnendringt en zich gelijkmatig verspreidt ove het onderliggende textiel. SMERP (zn) De gummie-achtige substantie tussen vochtige tenen. SMETLEDE (zn) Dodelijke ziekte die vissen oplopen door het juist te vaak of juist te weinig schoonmaken van het aquarium, afhankelijk van de dierenwinkel waar u ze had gekocht. SMILDE (zn) Het gestolde vet bovenop koude soepen en sauzen. SNEEK (zn) Onzichtbare scherpe rand die je pas gaat voelen als je met de betreffende ijskast halverwege de trap bent. SNEPSEIND (zn) De laatste, afwezige trede van een donkere trap. Algemeen: slinks, onverwacht einde. Ludwig van Beethoven bouwde in zijn symphonieën minstens drie snepseinden in om de deskundige toehoorders van de te vroeg applaudiserende leken te scheiden. SNIKZWAAG (zn) Het loeiend inademen, tussen twee huilstuipen door. SNIPPELING (zn) Het laatste druppeltje urine, dat ondanks degelijk naschudden in de broekspijp verdwijnt of op de krant voor de wc-pot valt. SNIPPERIJ (zn) Omstandige procedure van opstropen, kneden en schudden ter voorkoming van snippelingen (zd) SON EN BREUGEL ( zn; zn) Het enthousiaste geluid van een ongetrainde fanfare. SORREMORRE (zn) Het afgedwongen excuus tegenover de ander aanwezigen dat vrij opgevoede kinderen maken nadat zij in de aula van het crematorium betrapt zijn op het aanbrengen van graffiti. SPANG ( zn, toneeljargon) Een ..… doen. Bij het naderen van een deur hard met de punt van de schoen tegen de deur schoppen, en op hetzelfde moment naar de neus grijpen. Zie ook: Jabbeke, Kaakhorn SPANKEREN (ww) Door ouders, bij kinderen. Het uitdelen van een gestyleerd pak rammel waar het kind niets van voelt, begeleid door veel boos-verdrietige woorden waar het kind niets van begrijpt, en dit alles uitsluitend om bij de toeschouwers over te komen als gedecideerd opvoeder. SPRAKELINGEN (zn, mv) De halfgekauwde boordkruimels en stukjes beleg waarmee je al pratend je gesprekspartner besproeit. SPRUNDEL (zn) Straal uit kraan of douche die de verkeerde kant op gaat. SPURK (zn) Smast (zd) die bewust op de kwetsbare delen mikt. SPIJK (zn) De iets te verzorgde, net niet trendy kleding waaraan je rechercheurs, stille kaartjescontroleurs en winkeldetectives direct herkent. STIELTJESKANAAL (zn) Het onzichtbare gootje in de keukenvloer, dat gemorste melk en andere bederfelijke vloeistoffen direct afvoert naar onder het fornuis of onder de ijskast. STOBBEN (zn, mv) De rubberen staafjes waarmee autrofabrikanten per ongeluk geboorde gaatjes in het interieur onzichtbaar hopen te maken. STOKKELEN ( ww) Geen gitaar kunnen spelen, veel beoefend in metrostations en winkelstraten. STRAMPROY (zn) De plek op een ribfluwelen zitting of kledingstuk waar de ribbeltjes zijn weggesleten. STROOIPUIT (zn) Dat wat na één keer uitpakken met geen mogelijkheid meer in uw koffer past. STRIJP (zn) Patroon van afdrukken in de huid, veroorzaakt door te strakke kledingstukken, rieten zittingen, blootsvoets lopen op grind, liggen op spijkerbedden, enzovoort. SUSTEREN (ww) Het tegen beter weten in uiten van hoopvlle verwachtingen tegenover een ernstig zieke.
T TAPPERSHEUL (zn) De begripsvolle gesprekken tussen een barman en een klant die lijdt onder een alcoholverslaving. TENGELHOEK (zn) Het verschil tussen de bedoelde en feitelijke slagrichting van een hamer. Zie ook: Puttershoek TERLET (zn) Grappige verspreking van kleine kinderen, ontstaan door het omdraaien van letters of woorddelen ('weps', 'telekopfoon', 'drempelverkeer'), waarmee ze door hun ouders nog jaren achtervolgd worden. TERMUNTEN (ww) Het bijpassen van enig kleingeld, zodat de caissière op een gemakkelijker manier geld kan teruggeven. Zie ook: Opperduit TERNEUZEN (bijw) De manier waarop oetrdummerwarren (zd) achter het stuur zitten: het hoofd in de nek en het gezicht tegen de voorruit gedrukt om a) een beter zicht te hebben op de voorliggers b) minder luchtweerstand te hebben en c) voorbereid te zijn op te lage viaducten. TEROELE (zn) Die raadselachtige ene schoen of laars die u ergens in een bos vindt. Is de eigenaar op één geschoeide voet gewoon doorgelopen, of heeft hij de moeite genomen zijn oude schoenen ieder apart op verschillende plaatsen in de natuur te achter te laten? TEROVER (bijw) Zoals mensen staan die andermans boekenkast bekijken. TERWINSELEN (ww) Bij het spelen van scrabble: scoren door achter andermans prachtwoord ‘score’ in vier beurten eerst een ‘n’, dan een ‘d’, dan een ‘e’, en tot slot een ‘n’ te leggen. Zie ook: www.taalslang.nl TERWISPEL (bijw) Beschrijft de manier van staan die volgens filmmakers van een vrouw een vrouw maakt: de ene voet iets voor de andere, aan een kant door de heup gezakt, hand in de zij en in de andere hand een sigarettenpijpje. TERWUPPING (bijw) De manier van staan die van een profvoetballer een profvoetballer maakt: schouders naar achteren, iets door de bensen gezakt en twee handen stevig in het kruis bij het krabben tijdens het volkslied. TEXEL (zn) Twee keer het touw onder de voeten doorhalen tijdens één touwtjespring-sprong. THOLEN (zn, mv) Woorden die je niet kent en waarvan je je telkens voorneemt dat je ze de volgende keer gaat opzoeken in het woordenboek. TIBBEN (ww) Nerveus met de boventanden op de eigen onderlip bijten. TIETJERK (zn) Iets dat weliswaar op porno lijkt, maar in feite een journalistiek onmisbaar onderdeel is van een serie over hoe pornofilms worden gemaakt. TONGELAAR (zn) Tongzoen waarbij door een misverstand een van de partijen de mond stijf dichthoudt. TRAGEL (zn) De door iedereen vervloekte voorste auto in een willekeurige file. Zie ook: Oterdummerwarren TURKIJE (zn) Populaire zaalsport in het Nabije Oosten, waarbij ballen met een stevig slaghout net zo lang tegen de muur worden geslagen tot de gevangene bekent TWICKEL (zn, enk) De nutteloze putjes, puntjes en randjes op de onzichtbare kant van kunststof voorwerpen. TWIETEL (zn) De combinatie van zuig- en fluitgeluiden veroorzaakt door een afkoelende thermosfles. TWISK (zn) Het in elkaar gedraaide stukje vel dat twee worstjes van elkaar scheidt. TWISSEL (zn) Het vierde wiel van een supermarktkar dat er net zo uitziet als alle andere drie, maar exact de ander kant uit wil. TWIJZEL (zn, enk) Het in standaard-Nederlands ten onrechte ontbrekende woord voor mot-sneeuw. TZUM ( zn, enk) Beschadiging op een CD die u wel hoort maar niet kunt zien, en die ontstaat door het geirriteerd schoonwrijven van de CD na het horen van de vorige tzum.
U UDDEL (zn) Het haastige, maar zo waardig mogelijk gehouden loopje waarmee een voetganger oversteekt op het moment dat het voetgangerslicht al rood is en de wachtende automobilisten al met het gaspedaal gaan spelen. UGCHELEN (ww) Het produceren van een gemaakt hoestje, bijvoorbeeld door oude dames in de trein als er een raampje dreigt te worden opengezet, of door niet-rokers als iemand in het gezelschap naar de borstzak grijpt. UFFELTE (zn, enk) Gebaar waarbij de rechterhand op de mond ligt en de neus zich bevindt tussen duim en wijsvinger, meestal begeleid door een binnenshands ‘ohhh..’ UITGEEST (zn) Van uitgeest is sprake als twee mensen elkaar op exact hetzelfde moment voorstellen om nar de bioscoop te gaan. UKKEL (zn) Puistje in aanleg dat nog wat moet groeien voor het de moeite van het uitknijpen waard is. ULICOTEN (zn, mv) De apparaten in publieke toiletten waar warme lucht uitkomt. Bedoeling is dat u een kledingstuk waarop u vloeistof gemorst heeft - van welke aard dan ook- ongeveer een uur aan een knaapje onder de ulicoot hangt. Door een misverstand worden ulicoten helaas voornamelijk gebruikt voor het drogen van handen, waarvoor zij totaal ongeschikt zijn. ULVENHOUT (zn) Sponsachtige houtsoort die langzaam boven de verf uitgroeit. URK (zn) De man op vieze schoenen die na drie weken eindelijk de reparatie komt doen en op de drempel als eerste vraagt of u zelf al koffie hebt gehad. USQUERT ( zn, oorspr. Anglo-Am.) Telefoonnummer dat wordt onthouden als woord, dankzij de letters die óók op de toetsen staan. Hoewel in de VS al decennia lang in gebruik drong de 008-usquert pas in 1999 tot Nederland door. Reden voor dit langdurige uitstel was o.a. de spellingshervorming van 1998, die behalve miljoenen woordenboeken anders ook enkele winstgevende zakelijke telefoonnummers onbruikbaar zou hebben gemaakt.
V VALKOOGERVERLAAT (zn) Het nutteloze excus van iemand die beweert jou niet gezien te hebben omdat hij je niet op tijd zag omdat hij niet goed keek, wat hem of haar anders nooit gebeurt. Tevens het moment waarop oudere messenwerpers besluiten met pensioen te gaan. VARIK (zn) Kantoormedewerker die zichzelf in de weekends promoveert tot kapitein van zijn eigen motorkruiser, en in sluizen voor geweldig tumult zorgt VEECATEN (zn, mv) De bedrijfseconomische attributen die koeien en schapen ontdoen van hun pittoreskheid, zoals grote stukken plastic in het oor, enorme halsbanden met nummers en onduidelijke vlekken op het achterste. VEEGTES ( zn, mv) Vlekken die verdwijnen tijdens het schoonmaken maar bij het opdrogen weer in volle glorie verschijnen, zoals kalk op vloeren, zweetzout onder oksels en snot op mouwen. VELDDRIEL (zn) Het intens trieste van zonnebloemen die te weinig water hebben gehad. VELP (zn) Hardnekkig klevende stof, die steeds weer op de hand achterblijft waarmee de andere hand zojuist is schoongemaakt. VELSEN (zn, mv) De losse reepjes schroefdraad die ontstaan bij het aandraaien van een niet passende moer. VIANEN (zn, mv) Geheimzinnige verkeersborden met opschriften als ' wijk 126 c 15 bolletje streepje', die volgens onbevestigde geruchten zijn neergezet om in oorlogstijd de vijand op een dwaalspoor te brengen. VLAANDEREN (ww) Bezigheid van een groep mensen die eindeloos geen besluit kunnen nemen . Bijvoorbeeld: na het uitgaan van de bioscoop doelloos op het trottoir blijven staan en discussiëren of er gegeten moet worden in het Chinese Restaurant om de hoek of bij het nieuwe Tapas-restaurant dat heel goed schijnt te zijn maar waar dat zit weet niemand precies, of naar de Koerd die nu wel vol zal zitten, of eerst even iets drinken en rustig overleggen. Tot er eindelijk iets besloten is, maar alle restaurants intussen dicht zijn. VLAARDINGEN (zn, mv) Borsten die te groot zijn voor de cups waar zij in zouden moeten passen. Resultaat is een dubbele hefswal (zd). VLEDDER (zn) Intelligente substantie zie zich verstopt heeft onder een losliggende straattegel. U ontdekt de vledder pas als u op de opwippende tegel stapt en de vledder uw broekspijp inschiet. VLEUT (zn) Een zoekgeraakt voorwerp dat u terugvindt, onmiddellijk na thuiskomst met de zojuist aangeschafte vervanging. VLEUTEN (ww) Opgeruimd zingen en fluiten, uitsluitend om aan te geven dat er op jouw wc geen slot zit en er niemand mag binnenkomen. Ook gepraktiseerd door eenzame wandelaars in verlaten winkelcentra en door passerende vreemden in onherbergzame trappenhuizen, als auditieve territorium-markering. VLIJMEN (ww) Gedaan door ondergeschikten in groepen en bedrijven: het doelbewust en hoorbaar afgeven op mensen die de baas onwelgevallig zijn. VOSSELEN (ww) Het maken van nog mooiere schijnbewegingen bij het ontwijken van de medespelers, na eerst al prachtig gescoord te hebben. VOULWAMIS (zn) Hardop in zichzelf pratende zwerver die zich ophoudt in winkelcentra en stations. W WAHA (zn) De techniek om een pleister zo snel van je huid te trekken dat het net zo zeer doet. WAPSE (zn) Iets dat niet ziet omdat het te snel beweegt, zoals bijvoorbeeld een pizzabrommer of de tanden van een cirkelende cirkelzaag. WARK (zn) Een klein veldje in de stad, bestaande uit enkele duizenden kilo's hondenvuil en een 40 ton zware bonk cement waarop vroeger een bordje met de titel en de maker zat. WAVER (zn) Een golfje koud water, dat uw schoen binnendringt. WEESP (zn) Dat ene theelepeltje dat achterblijft in de afwasteil. WELLERLOOI (zn) Datgene wat voeten en handen vertonen die te lang in een warm bad hebben gelegen. WESTERBORK (zn) De verwerpelijke, maar troostrijke gedachte dat als rampen dan toch moeten gebeuren, arme landen daar inderdaad de meest geschikte plek voor zijn. WETTEREN (ww) Het nemen van op zich aannemelijke overheidsmaatregelen om de verkeersveiligheid te vergroten, die er echter in praktijk juist toe leiden dat iedereen nu nóg harder durft. Klassieke voorbeelden van gewetter zijn de APK-keuring, het verplicht stellen van airbags, het aanbrengen van waterabsorberend asfalt en het te opvallend inzetten van strooiwagens. WIRDUMERDRAAI (zn) Bedreven door jonge fietsers: hard remmen op een grindpad, en tot stilstand komen met je voorwiel in de richting van waaruit je kwam. WITTEM (zn) Wat Fransen een ‘jamais-vu’ noemen. Last van wittem had u bijvoorbeeld al die jaren waarin u niet opviel dat ‘Sunkist’ van ‘SunKissed’ komt. WITTENBUNK ( zn, soortnaam) Versluierend jargon als 'moeilijk bemiddelbaar mediterraan allochtoon' en ' donker gekleurde Afro-Europese mensen' WOMMERSOM (zn) Het onaanzienlijke bedragje dat een artikel minder kost dan een mooi rond bedrag, in de hoop dat op zijn minst één idioot zal denken dat het hier een koopje betreft. Bijvoorbeeld: de wommersom van een Ferrari van E 99.999, 97,- is 3 eurocent. WONCK (zn) Vreemd gevormd metalen keukengereedschap, gevonden achterin het gootsteenkastje. Kenners geloven dat het steeds weer opduiken van woncken bewijs is van het bestaan - voor de oorlog- van groentes die door de bezetter zijn uitgeroeid. Zie ook: www.denationaleproeftuin.nl WONS (zn) De zachte, onzichtbare haartjes die u voelt op de bovenkant van uw hand, als u die voorzichtig langs een televisiescherm beweegt. WOUWSE PLANTAGE ( bn; zn) Stads balkon vol marihuanaplanten. X XANTEN (zn,mv) Bepaalde regels software die Bill Gates met vooruitziende blik al in 1980 in Windows aanbracht, en waarvan volgens plan de laatste met Windows 2024 eindelijk verholpen zal zijn. IJ IJ, HET (zn) Een idee dat aanvankelijk best wel aardig lijkt, maar niets wordt. Het bekendste ij was dat van Columbus, die zich had voorgenomen via het Panamakanaal naar Azië te reizen. IJLST (zn ) Neurologische stoornis, voor het eerst waargenomen bij ouderen in de jaren ’80. UIt onderzoek bleek dat nieuwe, snelle montagetechnieken zoals geïntroduceerd door MTV bij senioren een vorm van zeeziekte veroorzaakten. IJPECOLSGA (zn) Specifiek Nederlands verlangen om in de vakantie tegen bergen op te fietsen. Z ZAAMSLAG (zn, textieljargon) Dat gedeelte van uw jas, bestemd om op gezeten te worden door medepassagiers. ZALK (zn) De kruimeltjes die u losmaakt door met uw hand langs een gemetselde muur of gestucte wand te gaan. ZELEN (ww) Het oversteken van de Noordzee met gebruikmaking van uitsluitend een rubberen luchtbed. ZILK, DE ( zn) De wollige pluizen die u losmaakt door voortdurend over uw tapijt te lopen, in plaats van het - zoals de leverancier hoopte- gewoon rustig te laten liggen. ZILVEN (zn, mv) De deeltjes 'koudvuur' die van sterretjes afvonken en van uw nylon regenjas een microscopisch vergiet maken. ZOELEN (ww; zn, mv) De talloze knipooogjes en lachjes die dat ene meisje aan de bar krjgt toegeworpen. Ook rij-examinatoren staan bekend om hun grote bekwaamheid in zoelen (ww), wat later bij de getraumatiseerde automobilistes tot wraakzuchtig rijgedrag kan leiden. ZOELMOND (zn) De voldane uitdrukking van een rij-instructeur, als de te onderwijzen dame niet de versnellingspook pakt, maar de hand die daar toevallig bovenop ligt. ZOGGEL (zn) Het vaste achtergrondgeluid bij McDonalds, veroorzaakt door klanten die met een rietje het allerlaatste bodempje uit hun milkshake zuigen. ZONNEMAIRE (zn) De bruinste homoseksueel in een willekeurig fitness-centrum. ZOPPEL (zn) Het gelid van iets, dat loskomt uit iets anders. Zoals een laars uit modder, een gezwollen tampon uit een mens. Vandaar ook: gynaecologisch slang voor een moeilijke geboorte. ZUNA (zn) De gave zich te kunnen snijden bij het likken van een envelop. ZUUK (zn) Het klassieke gebaar waarbij de middelvinger op de duim wordt gezet om bijvoorbeeld kelpen (zd) of hardegarijp (zd) weg te schieten. ZWAAK (zn) De weerzinwekkende lucht die vrijkomt bij het afwassen van asbakken. ZWINDEREN (ww) Een spelletje zo onbegrijpelijk dom spelen dat alle sluwe tactieken van je tegenstander volkomen nutteloos worden. Zie ook: www.meanderonline.nl ZWINGELSPAAN ( zn, sterk verouderd) Het tollende dingetje in het kijkglas van vintage benzinepompen. printversie |
![]() |
![]() |
||